Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9996

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-07-2018
Datum publicatie
24-08-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 12938
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is met eiser van oordeel dat verweerder aanleiding had moeten zien om een proceskostenveroordeling in bezwaar toe te kennen. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien in die zin dat aan eiser een vergoeding wordt toegekend voor de proceskosten in bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/12938

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S.M.G. Bouma).

Procesverloop

Op 3 februari 2017 heeft verweerder aan eiser kenbaar gemaakt dat hij op 8 februari 2017 zal worden uitgezet naar Polen.

Bij besluit van 12 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de voorgenomen uitzetting niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 26 maart 2018 de bestreden beschikking van 12 juli 2017 ingetrokken.

Eiser heeft bij brief van 26 maart 2018 het petitum gewijzigd in een beroep niet tijdig beslissen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om nader te reageren op de vraag of in dit geval in het kader van het beroep niet tijdig beslissen een ingebrekestelling vereist is.

Bij brief van 6 april 2018 heeft eiser een nadere reactie gestuurd.

Bij brief van 19 april 2018 heeft verweerder hierop gereageerd. Daarnaast heeft verweerder op 19 april 2018 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarbij het bezwaar van eiser opnieuw niet-ontvankelijk is verklaard.

De rechtbank heeft vervolgens met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is op 21 januari 2017 staande gehouden op grond van de Vreemdelingenwet 2000 en is vervolgens in bewaring gesteld. Op 3 februari 2017 heeft verweerder aan eiser bekend gemaakt dat hij op 8 februari zal worden uitgezet naar Polen. Eiser heeft op 6 februari 2017 bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen uitzetting. Bij uitspraak van 7 februari 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:677) heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, bepaald dat de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig is geweest. Vervolgens heeft verweerder op 7 februari 2017 de maatregel van bewaring opgeheven en de geplande uitzetting geannuleerd.

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van eiser gericht tegen de voorgenomen uitzetting op 8 februari 2017 niet-ontvankelijk verklaard omdat de geplande uitzetting is geannuleerd.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij rechtmatig in Nederland verblijft. Daartoe verwijst eiser naar de uitspraak van 7 februari 2017, waarin is bepaald dat de bewaring onrechtmatig was nu eiser in 2016 aantoonbaar Nederland heeft verlaten en verweerder na die tijd geen nieuwe beschikking heeft opgesteld ten aanzien van de beëindiging van het verblijfsrecht van eiser. Verweerder heeft naar aanleiding van deze uitspraak de voorgenomen uitzetting geannuleerd en heeft eiser in vrijheid gesteld. Verweerder heeft geen hoger beroep tegen de bewaringsuitspraak ingesteld. Het is voor eiser dan ook niet duidelijk op welke grond eiser geen rechtmatig verblijf zou hebben in Nederland. Verder voert eiser aan dat verweerder heeft nagelaten te motiveren waarom er geen proceskostenvergoeding is toegekend, terwijl eiser hier wel om heeft verzocht. Eiser stelt zich daarnaast op het standpunt dat verweerder een proceskostenvergoeding in bezwaar had moeten toekennen.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Verweerder heeft op 26 maart 2018 het bestreden besluit van 12 juli 2017 ingetrokken. Vervolgens heeft verweerder op 19 april 2018 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. De inhoud van het besluit van 19 april 2018 is vrijwel geheel gelijk aan de inhoud van het bestreden besluit en het bezwaar is bij dit besluit dan ook nogmaals niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het besluit van 19 april 2018 aangemerkt dient te worden als besluit ter vervanging van het bestreden besluit. Het beroep van eiser is op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb daarom mede gericht tegen het besluit van 19 april 2018.

4.2

De rechtbank overweegt voorts dat de vraag of eiser rechtmatig verblijf heeft in Nederland niet ter beoordeling voorligt in de onderhavige procedure. Deze zaak ziet alleen op de voorgenomen feitelijke uitzetting van eiser. Deze voorgenomen uitzetting is op 7 februari 2017 geannuleerd. Zoals ook volgt uit de bewaringsuitspraak van zittingsplaats Amsterdam van 7 februari 2017, dient verweerder in een nieuw besluit vast te stellen of eiser onrechtmatig in Nederland verblijft. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting medegedeeld dat hij op de dag van de zitting een beschikking heeft ontvangen waarin wederom is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. De gronden ten aanzien van het rechtmatig verblijf van eiser dienen dan ook in een eventuele procedure tegen het besluit waarbij is vastgesteld dat hij geen rechtmatig verblijf heeft aan bod te komen. De beroepsgrond slaagt niet.

4.3

De rechtbank is verder van oordeel dat eiser er terecht op wijst dat verweerder heeft nagelaten om te motiveren of er aanleiding is voor een proceskostenvergoeding in bezwaar. De rechtbank is met eiser van oordeel dat verweerder een proceskostenvergoeding in bezwaar had moeten toekennen. De gemachtigde van eiser heeft op 6 februari 2017 bezwaar ingesteld tegen de voorgenomen uitzetting van eiser op 8 februari 2017. Vervolgens heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, op 7 februari 2017 uitspraak gedaan in de bewaringszaak van eiser. Vanwege deze uitspraak heeft verweerder op 7 februari 2017 de uitzetting van eiser geannuleerd. Daaruit blijkt dat de voorgenomen uitzetting onrechtmatig was en dat eiser terecht een rechtsmiddel heeft aangewend tegen deze voorgenomen uitzetting. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op het vorenstaande aanleiding had moeten zien om een proceskostenveroordeling in bezwaar aan eiser toe te kennen.

5. De rechtbank verklaart gelet op het vorenstaande het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij verweerder heeft verzuimd een vergoeding toe te kennen voor de proceskosten in bezwaar. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat aan eiser een vergoeding wordt toegekend voor de proceskosten in bezwaar tot een bedrag van € 501,- (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van
€ 501,- en een wegingsfactor 1).Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank :

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de proceskosten in verband met de behandeling van het bezwaar niet zijn vergoed;

  • -

    bepaalt dat verweerder de door eiser in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte proceskosten ter hoogte van € 501,- vergoedt;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft gemaakt tot een bedrag van € 1002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Binnendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.