Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9995

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-07-2018
Datum publicatie
24-08-2018
Zaaknummer
NL17.2120
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel; Iran; seksuele geaardheid; geloofwaardigheid; nieuwe werkinstructie 2018/9; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.2120


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. J. van Veelen-de Hoop),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: S. Naarendorp).


Procesverloop
Bij besluit van 11 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M.R. Adel. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld de Iraanse nationaliteit te hebben en geboren te zijn op [geboortedatum] 1993. Op 7 november 2015 heeft eiser onderhavige aanvraag ingediend. Eiser heeft aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en dat hij problemen heeft ondervonden vanwege zijn geaardheid in zijn land van herkomst.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

 Eiser heeft verklaard [eiser] te zijn, geboren te zijn in Nasim Shahr, en in het bezit te zijn van de Iraanse nationaliteit.

 Eiser heeft verklaard dat hij sinds zijn kinderjaren seksuele spelletjes met zijn neef heeft gespeeld, van 2009 tot 2014 een relatie heeft gehad met [persoon 1] die hij kende van school, en vanaf begin 2015 een relatie heeft gehad met [persoon 2]. Op 8 oktober 2015 heeft de vader van [persoon 2] hen betrapt. Op 12 oktober 2015 heeft eiser een dagvaarding ontvangen. Kort daarna is hij uit Iran vertrokken.

3. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000). Verweerder acht de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder acht echter de verklaringen van eiser over zijn gestelde homoseksuele gerichtheid en de voor hem ontstane problemen in zijn land van herkomst vanwege zijn geaardheid ongeloofwaardig. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft verklaard over zijn bewustwordingsproces, de zelfacceptatie van zijn geaardheid en hoe hij deze geaardheid ervoer in een samenleving waarin homoseksualiteit niet tot nauwelijks wordt geaccepteerd. Ook heeft eiser niet aannemelijk verklaard over zijn relaties. Eiser komt daarom volgens verweerder niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe, samengevat weergegeven, het volgende aan. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij voldoende heeft verklaard over zijn zelfacceptatie, het proces van bewustwording en zijn gevoelens. Niet valt in te zien dat zijn verklaringen hierover vaag en oppervlakkig van aard zijn gebleven. Ook meent eiser dat de stelling dat hij vaag heeft verklaard over zijn relaties niet kan worden gevolgd. Daarnaast stelt eiser dat door verweerder onvoldoende is doorgevraagd. Ook wijst eiser erop dat verweerder rekening dient te houden met zijn jonge leeftijd en de daarbij behorende belevingswereld. Dit geldt met name voor de verklaringen van eiser over de seksuele contacten met zijn neef. Wat betreft de dagvaarding, voert eiser aan dat hij dit niet mee kon nemen nu hij teveel risico liep om met een dergelijk document te gaan reizen. Verder acht eiser het bezwaarlijk dat het contact van hem met het COC en zijn relatie met [Persoon 3] niet in de afweging zijn betrokken. Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging op basis van zijn seksuele geaardheid en dat niet kan worden uitgesloten dat zijn uitzetting in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

4.1

Eiser heeft op 6 juli 2018 de gronden van beroep aangevuld. Eiser doet een beroep op het artikel van José Renkens in Asiel&Migrantenrecht uit 2018, waaruit blijkt dat de vragen die tijdens de gehoren worden gesteld in LHBT-zaken duiden op homonormatieve assumpties en dat er wordt gezocht naar westerse verhalen over coming out. Ook verwijst eiser naar de noot van S. Jansen van het COC Nederland die gepubliceerd is in JV 2018/93. Hierin staat dat er meerdere verkeerde aannames ten grondslag liggen aan het beleid in WI 2015/9, bijvoorbeeld dat hoe homofober het land van herkomst is, des te meer van de betrokkene wordt verwacht dat zij of hij processen van bewustwording en zelfacceptatie heeft doorgemaakt. Eiser is van mening dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat hij uit een homofoob land komt en het daarom voor hem moeilijk is om het bewustwordings- en zelfacceptatieproces gedetailleerd onder woorden te brengen. Ook meent eiser dat gelet op de vraagstelling tijdens de gehoren er sprake was van vooroordelen en stereotypen over homo’s. Daarnaast verwijst eiser naar het onderzoeksrapport “Trots of Schaamte?”, waaruit ook blijkt dat het Nederlandse asielbeleid voor LHBT’s gebaseerd is op ondeugdelijke stereotypen. Tot slot verwijst eiser naar de Kamerbrief van de staatssecretaris van 4 juli 2018, waarin staat dat het bewustwordingsproces en de wijze van zelfacceptatie niet meer de kern vormt van het LHBT-asielbeleid. Eiser meent dan ook dat het bestreden besluit geen stand kan houden nu de kern van de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn homoseksualiteit de beoordeling van het acceptatie- en bewustwordingsproces is. Tot slot voert eiser aan dat verweerder niet heeft aangegeven waarom zijn verklaringen over de relatie met [persoon 1] en het contact met een prostituee tegenstrijdig zijn.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna; de Afdeling) heeft in de uitspraak van 15 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1630) geoordeeld dat verweerder aan de hand van de onderzoeksmethode zoals weergegeven in Werkinstructie (WI) 2015/9 op een zorgvuldige manier onderzoek doet naar een gestelde seksuele geaardheid, en dat verweerder met die werkinstructie voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze de antwoorden op vragen over een seksuele gerichtheid worden beoordeeld.

6.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser heeft gehoord overeenkomstig WI 2015/9 en dat verweerder eisers aanvraag ook conform deze Werkinstructie heeft getoetst. In WI 2015/9 wordt aan de hand van vijf thema's (privéleven, huidige en voorgaande relaties, contact met homoseksuelen in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie, discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst en toekomst) beoordeeld of van de geloofwaardigheid van de geaardheid van de vreemdeling uit kan worden gegaan. De thema's worden in samenhang beoordeeld. Het zwaartepunt ligt op de antwoorden op vragen over de eigen ervaringen (onder andere bewustwording en zelfacceptatie) van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele geaardheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die geaardheid in het land van herkomst van de vreemdeling en hoe diens ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in het algemene beeld passen. Dit geldt temeer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar homoseksualiteit maatschappelijk onacceptabel of strafbaar is gesteld.

6.3

Eiser heeft verwezen naar de kamerbrief van de staatssecretaris van 4 juli 2018 waarin ingegaan wordt op de vraag hoe de beoordeling van de geloofwaardigheid van LHBT-asielzoekers kan worden verbeterd. In de brief staat dat de staatssecretaris de kritiek van de belangenorganisaties begrijpt en dat om die reden niet langer de nadruk zal liggen op het bewustwordingsproces en de wijze van zelfacceptatie. Verder benadrukt de staatssecretaris het belang van het stellen van open vragen en het stellen van vragen over persoonlijke ervaringen en betekenisgeving. Het gaat er daarbij om dat de asielzoeker zoveel mogelijk een authentiek verhaal vertelt. Verder deelt de staatssecretaris mee dat alle thema’s uit de werkinstructie door de IND in onderlinge samenhang worden betrokken, zonder dat onevenredig gewicht wordt gehecht aan één aspect van het verhaal van de vreemdeling. Verweerder heeft vervolgens overeenkomstig de inhoud van de brief van de staatssecretaris WI 2018/9 vastgesteld.

6.4

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de nieuwe Werkinstructie in grote lijnen overeenkomt met WI 2015/9. Dat er in de uitvoeringspraktijk een minder zware focus zal liggen op het bewustwordingsproces en de wijze van zelfacceptatie, maakt de beoordeling nog niet wezenlijk anders. Het feit dat de termen ‘zelfacceptatie’ en ‘bewustwording’ niet meer expliciet genoemd worden in de nieuwe werkinstructie betekent namelijk niet dat deze elementen in dit soort zaken in het geheel niet meer beoordeeld hoeven te worden. Immers, ook in WI 2018/9 staat dat er gevraagd wordt naar de persoonlijke ervaringen van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid. Zo wordt de vreemdeling gevraagd om toe te lichten hoe hij zich realiseerde dat hij “anders”/LHBT was, hoe hij dat persoonlijk heeft beleefd en hoe (en of) de omgeving gereageerd heeft. Dit behoort dan ook nog steeds bij het authentieke verhaal dat de vreemdeling over de gestelde seksuele gerichtheid dient te kunnen vertellen. Verder is van belang dat verweerder zowel in WI 2015/9 als in WI 2018/9 benadrukt dat de verklaringen van de vreemdeling over de gestelde seksuele gerichtheid steeds in onderlinge samenhang bezien worden, mede in het licht van de overige omstandigheden.

6.5

De rechtbank is verder van oordeel dat de verwijzing van eiser naar het artikel van José Renkens, de annotatie van S. Jansen van het COC en het rapport “Trots of Schaamte?” niet kan slagen. De kritiek van belangenorganisaties is immers meegewogen bij de totstandkoming van WI 2015/9. Ook in de nieuwe Werkinstructie is de kritiek van belangenorganisaties meegenomen. Zo staat in de Kamerbrief van 4 juli 2018 dat de gesprekken met belangenorganisaties er mede toe hebben geleid dat verweerder aanpassingen zal aanbrengen in de manier waarop de geloofwaardigheidsbeoordeling van LHBT’s plaatsvindt. Voor zover de kritieken niet hebben geleid tot aanpassingen in het beleid, overweegt de rechtbank dat dit geen afbreuk doet aan de toepasbaarheid van de werkinstructies van verweerder nu deze kritiek niet leidend hoeft te zijn voor verweerder bij de totstandkoming van zijn beleid.

6.6

Voorts is de rechtbank met verweerder van oordeel dat verweerder voldoende open vragen heeft gesteld, dat de relevante thema’s afdoende aan bod zijn gekomen en dat verweerder op deze onderdelen voldoende heeft doorgevraagd. Het betoog dat er tijdens de gehoren sprake was van vooroordelen en stereotypen over homo’s, dat de gehoormedewerker niet onbevangen vragen zijn gesteld en dat er onvoldoende rekening is gehouden met de afkomst van eiser volgt de rechtbank niet. Uit de rapporten van de gehoren blijkt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende dat hiervan sprake is geweest.

6.7

Gelet op de voorgaande overwegingen, is de rechtbank van oordeel dat de nieuwe Werkinstructie geen beleidswijziging inhoudt en dat verweerder dan ook geen volledige heroverweging behoeft uit te voeren. Voor zover eiser heeft betoogd dat hij dan wel zijn partner aanvullend gehoord dienen te worden, overweegt de rechtbank dat zij daartoe, gelet op het vorenstaande, eveneens geen aanleiding ziet. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat toetsing aan WI 2018/9 niet tot een ander resultaat zou leiden, waarbij van belang is dat eiser vaag en oppervlakkig heeft verklaard over zijn homoseksuele geaardheid.

6.7

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet ten onrechte de verklaringen van eiser over zijn gestelde geaardheid en de problemen die hij vanwege zijn geaardheid heeft ondervonden ongeloofwaardig heeft geacht. Wat er ook van zij van de verklaringen van eiser over de seksuele spelletjes die hij met zijn neef heeft gespeeld, verweerder heeft mogen overwegen dat eiser vaag en oppervlakkig heeft verklaard over zijn eigen ervaringen met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid en wat dit voor hem en zijn omgeving betekend heeft. Zo is eiser er niet in geslaagd om duidelijk en nauwkeurig te verklaren over wanneer en hoe hij zich realiseerde dat hij homoseksueel is en hoe hij dit heeft beleefd. Evenmin is eiser er in geslaagd om duidelijk antwoord te geven op de vraag hoe hij erachter kwam dat hij meer interesse had in jongens dan in meisjes. Ook heeft verweerder erop mogen wijzen dat eisers verklaringen geen inzicht geven in de gedachten en gevoelens en de emotionele ontwikkeling die hij ten aanzien van zijn homoseksualiteit heeft doorgemaakt. Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij zich schaamde nadat hij [persoon 1] had gekust en dat hij aan de ene kant blij was omdat hij wist wat zijn seksuele geaardheid was, terwijl hij aan de andere kant bang was omdat hij niet wist hoe de omgeving zou reageren. Eiser is er echter niet in geslaagd om meer specifiek hierover te verklaren. Verweerder heeft dan ook van eiser mogen verlangen dat hij aan de hand van zijn eigen ervaringen uitgebreider hierover had kunnen verklaren. De rechtbank volgt eisers grond, dat hij voldoende heeft verklaard over zijn zelfacceptatie, proces van bewustwording en zijn gevoelens en dat niet in te zien valt dat zijn verklaringen hierover vaag en oppervlakkig van aard zijn gebleven dan ook niet. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet ten onrechte de verklaringen van eiser over zijn relaties met mannen vaag en summier heeft geacht. Zo heeft verweerder mogen overwegen dat eiser weinig kan verklaren over [persoon 1] en beperkte antwoorden ten aanzien van deze relatie heeft gegeven. Nu eiser heeft verklaard dat hij gedurende vijf jaar een relatie heeft gehad met [persoon 1], heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat dit afbreuk doet aan zijn gestelde geaardheid. Ook de verklaringen van eiser over zijn relatie met [persoon 2] zijn in algemeenheden blijven steken. Daarnaast heeft verweerder bij de besluitvorming betrokken dat hij geen kennis heeft van homo-organisaties in Nederland. Dat hij inmiddels wel contact heeft met het COC, heeft verweerder gelet op de vage verklaringen van eiser onvoldoende mogen achten voor een ander oordeel. Verder overweegt de rechtbank dat verweerder de verklaringen van eiser over het incident op 8 oktober 2015 niet overtuigend heeft hoeven achten. Niet in te zien valt dat eiser seks heeft gehad in een ruimte die zomaar iemand kon betreden en dat eiser niet voorzichtiger is geweest. Ook is van belang dat eiser de gebeurtenissen niet heeft onderbouwd, terwijl hij hiertoe wel de mogelijkheid heeft gehad. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij een dagvaarding heeft ontvangen van de aangifte die de familie van [persoon 2] had gedaan. Eiser heeft deze dagvaarding echter niet meegenomen en heeft dit document ook niet bij zijn familie achtergelaten. De stelling dat eiser teveel gevaar liep om met een dergelijk document te reizen, doet niet af aan het feit dat hij dit onderdeel van zijn relaas niet heeft onderbouwd met documenten. De rechtbank overweegt voorts dat verweerder de huidige relatie van eiser voldoende heeft meegewogen. Nu eiser oppervlakkig heeft verklaard over onder meer zijn persoonlijke ervaringen en zijn relaties, komt aan de relatie die hij stelt te hebben minder gewicht toe. Dit is ook in overeenstemming met de nieuwe Werkinstructie.

De rechtbank is verder met verweerder van oordeel dat het betoog dat tijdens de gehoren onvoldoende is doorgevraagd geen doel treft. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser tijdens de gehoren uitgebreid in de gelegenheid is gesteld om zijn asielrelaas naar voren te brengen. Ook is van belang dat uit de rapporten van de gehoren blijkt dat de gehoormedewerker meermaals aan eiser heeft gevraagd of hij meer zou kunnen vertellen over bepaalde gebeurtenissen of gevoelens en of hij uitgebreider zou kunnen vertellen over bepaalde aspecten. De rechtbank is ook overigens niet gebleken dat tijdens de gehoren onvoldoende is doorgevraagd.

6.8

Gelet op het voorgaande, heeft verweerder niet ten onrechte de verklaringen van eiser over zijn geaardheid en de problemen die hij daardoor heeft ondervonden ongeloofwaardig geacht. De stelling dat niet kan worden uitgesloten dat zijn uitzetting in strijd is met artikel 3 van het EVRM treft daarom geen doel.

7. De rechtbank concludeert dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Binnendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2018.

Griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.