Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9956

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-08-2018
Datum publicatie
24-08-2018
Zaaknummer
NL18.13900
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opvolgende asielaanvraag, Somalische, identiteit & nationaliteit en herkomst niet aannemelijk gemaakt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.13900


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H.J. Janse),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Gerritsen).


Procesverloop
Bij besluit van 24 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens is aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.13901, plaatsgevonden op 14 augustus 2018. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedatum] 1990 en de Somalische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 6 december 2017 de onderhavige aanvraag ingediend.

Eiser heeft eerder, op 26 november 2010, een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 2 december 2010 is deze aanvraag ingewilligd en is aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Bij besluit van 16 september 2014 is deze verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot 26 november 2010. Eiser heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

2. Eiser heeft – samengevat weergegeven – aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in 1991 met zijn familie van Somalië naar Zwitserland is verhuisd en hier tot 2010 heeft gewoond. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1990 in Mogadishu. De geboortedatum van [geboortedatum] 1990 waaronder hij geregistreerd staat in Zwitserland is dan ook niet correct. Eiser heeft Zwitserland de eerste keer verlaten, omdat zijn verblijfsvergunning niet meer werd verlengd en hij de Zwitserse nationaliteit niet kon verkrijgen. Tijdens zijn eerdere asielprocedure in Nederland heeft eiser niet de waarheid gesproken, omdat hij van een man op het asielzoekerscentrum in [plaats] had begrepen dat het beter was om te verklaren dat hij vanuit Somalië naar Nederland was afgereisd. Voorts heeft eiser tot 2016 twee jaar en acht maanden in de gevangenis in Zwitserland gezeten vanwege veroordelingen voor vechtpartijen, zwart werken en valsheid in geschriften. Eiser heeft Zwitserland opnieuw verlaten, omdat Zwitserland voornemens was hem uit te zetten naar Somalië. Eiser is van mening dat hij vanwege de slechte algemene veiligheidssituatie in Somalië, meer in het bijzonder in Mogadishu, niet kan terugkeren. Daarom heeft eiser besloten een nieuwe asielaanvraag in Nederland in te dienen en hierbij de waarheid te vertellen.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, en e, van de Vw 2000 afgewezen als kennelijk ongegrond en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiser als relevant gekwalificeerd:

1) eiser stelt [naam] te zijn, geboren op [geboortedatum] 1990 in Mogadishu en de Somalische nationaliteit te bezitten;

2) eiser stelt dat hij in 1991 naar Zwitserland ging en daar tot zijn 20e te hebben verbleven. Nadat zijn vergunning niet verlengd werd, is eiser naar Nederland gekomen;

3) eiser stelt dat hij, vanwege de verhalen die hij heeft gehoord, bang is naar Somalië terug te keren. Daartoe stelt eiser dat hij is verwesterd en een Europese mentaliteit heeft;

4) eiser stelt dat hij uit Zwitserland is vertrokken omdat ze zijn vergunning niet wilden verlengen en ze hem terug wilden sturen naar Somalië;

5) eiser stelt tot slot dat hij heeft besloten om een nieuwe asielaanvraag in Nederland in te dienen en de waarheid te vertellen.

Verweerder heeft de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig geacht. Derhalve heeft verweerder geen geloof gehecht aan de door eiser afgelegde verklaringen omtrent de problemen die hij stelt te hebben ondervonden of verwacht te ondervinden in Somalië. Verweerder heeft daarom geen aanleiding gezien om te beoordelen of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op een van de in artikel 29 van de Vw 2000 genoemde gronden.

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd.

Uitgegaan dient te worden van de informatie die de Zwitserse autoriteiten omtrent de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser hebben verschaft.

Verweerder schuift voorts de uitleg van eiser over het wijzigen van zijn geboorteplaats en geboortedatum ten onrechte zonder meer terzijde. Eiser verwijst hiertoe naar het artikel ‘Tijdsbesef in Afrika’ en andere voorbeelden op het internet ter onderbouwing van zijn standpunt dat tijdsbesef cultuurafhankelijk is.

Tot slot heeft eiser bij terugkeer naar Somalië te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag dan wel loopt hij een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) omdat hij vanwege zijn westerse gedrag als terugkeerder zal worden herkend door Al-Shabaab.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien:

c. de vreemdeling Onze Minister heeft misleid door omtrent zijn identiteit of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken of door relevante informatie of documenten die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, achter te houden;

e. de vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de verklaringen van eiser omtrent zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Zo heeft eiser tegenstrijdig verklaard en bij zijn eerste asielaanvraag in Nederland andere personalia doorgegeven dan bij zijn huidige asielaanvraag. Tijdens zijn eerste aanvraag heeft hij immers verklaard dat hij geboren is op [geboortedatum] 1990 in Luuq, terwijl hij bij zijn huidige aanvraag heeft aangegeven geboren te zijn op [geboortedatum] 1990 in Mogadishu. Dat eiser ten tijde van zijn eerste asielaanvraag niet op de hoogte zou zijn geweest van zijn geboortedatum en geboorteplaats en deze pas later van zijn oom respectievelijk zijn ouders heeft vernomen, volgt de rechtbank niet. Verwacht mag worden dat een vreemdeling op de hoogte is van zijn eigen personalia en in het land waar hij een verzoek om internationale bescherming indient meteen de juiste personalia verstrekt. Dit klemt te meer nu eiser heeft beschikt over verblijfsdocumenten afgegeven door de Zwitserse autoriteiten. Eiser heeft bovendien ten tijde van zijn eerste asielaanvraag niet naar waarheid verklaard en heeft verzwegen dat hij sinds zijn eerste levensjaar in Zwitserland heeft verbleven en daar is opgegroeid, hetgeen ertoe heeft geleid dat de aan hem verleende verblijfsvergunning destijds door verweerder is ingetrokken. Verweerder heeft aan eiser kunnen toerekenen dat hij dit heeft verzwegen evenals dat hij in Zwitserland onder een andere naam, te weten [naam] , staat geregistreerd.

Nu eiser geen officiële Somalische documenten heeft overgelegd om zijn gestelde identiteit en nationaliteit te onderbouwen, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld welke van de door eiser verstrekte persoonsgegevens juist zijn. Het door eiser overgelegde Zwitserse verblijfsdocument maakt dit niet anders, nu hieraan, zoals eiser heeft verklaard, geen Somalische brondocumenten maar enkel de verklaringen van zijn ouders ten grondslag hebben gelegen. Eiser heeft ook geen brondocumenten overgelegd ten aanzien van de identiteit en nationaliteit van zijn ouders. Nu eiser tegenstrijdig en wisselend heeft verklaard over zijn identiteit en niet duidelijk heeft gemaakt waarop de Zwitserse registratie is gebaseerd, is verweerder terecht niet uitgegaan van de Zwitserse gegevens. Daarbij heeft verweerder mee kunnen wegen dat eiser in Duitsland is aangetroffen met een Keniaans rijbewijs.

8. Nu eiser zijn identiteit en nationaliteit alsmede zijn herkomst uit Mogadishu in Somalië niet aannemelijk heeft gemaakt, heeft verweerder terecht niet getoetst of hij als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag moet worden aangemerkt dan wel een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM loopt bij terugkeer naar zijn land van herkomst. Verweerder heeft dan ook terecht overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.