Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:993

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-01-2018
Datum publicatie
01-03-2018
Zaaknummer
NL17.15693
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland. Niet gehoord over bezwaren tegen overdracht aan Duitsland. Artikel 5, derde lid Dublinverordening. Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.15693


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. L.T. Krabbenborg).

Procesverloop

Bij besluit van 28 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.15694, plaatsgevonden op 23 januari 2018. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1993 en de Algerijnse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 14 september 2017 een asielverzoek ingediend in Nederland.

2. Verweerder heeft eisers verzoek niet in behandeling genomen. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening).

3. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 16 september 2015 in Italië en op 23 februari 2016 in Duitsland een asielverzoek heeft ingediend. Uit het dossier blijkt dat eiser tijdens het aanmeldgehoor op 16 september 2017 in de gelegenheid is gesteld om te reageren op de omstandigheid dat Italië mogelijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling van zijn asielverzoek. Later bleek echter dat Duitsland de verantwoordelijke lidstaat is. Op
2 november 2017 is op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening een claimakkoord bereikt met de Duitse autoriteiten. Verweerder heeft op 21 november 2017 aan eiser een brief gestuurd en hem daarbij in de gelegenheid gesteld om te reageren op de verantwoordelijkheid van Duitsland. Gebleken is dat eiser hier geen gebruik van heeft gemaakt. Dit alles wordt door eiser niet betwist.

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij geen adequate mogelijkheid heeft gekregen om zijn bezwaren tegen de overdracht naar Duitsland kenbaar te maken. Eiser verwijst naar artikel 5, derde lid van de Dublinverordening en naar preambule 18, waarin staat dat een persoonlijk onderhoud plaats dient te vinden voordat er een besluit tot overdracht wordt genomen. Voorts verwijst eiser naar artikel 30, tweede lid van de Vw en paragraaf C1/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) waarin staat dat eiser gehoord moet worden over zijn eventuele bezwaren tegen een overdracht naar Duitsland. Tijdens het persoonlijk onderhoud op 16 september 2017 is hij daartoe niet in de gelegenheid gesteld. Eiser meent dat het indienen van een zienswijze niet gelijk staat aan een persoonlijk onderhoud. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat Nederland het asielverzoek van eiser aan zich dient te trekken, op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Er is volgens eiser een bijzonder samenstel van factoren op grond waarvan Nederland het asielverzoek van eiser in behandeling zou moeten nemen. Eiser heeft in zijn zienswijze aangevoerd dat zijn broers ook in Nederland asiel hebben aangevraagd. Dit heeft verweerder echter zonder nadere motivering terzijde geschoven. De bepaling van artikel 17 van de Dublinverordening dient in deze zaak te worden uitgelegd in overeenstemming met het recht op familieleven, zoals bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM).

5. De rechtbank is het volgende van oordeel.

Artikel 30, tweede lid, van de Vw schrijft voor dat de vreemdeling gehoord wordt over zijn eventuele bezwaren tegen overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat. De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser ten aanzien van zijn overdracht naar Duitsland niet voor een persoonlijk onderhoud heeft uitgenodigd.

De rechtbank overweegt evenwel dat eiser aan zichzelf te wijten heeft dat het persoonlijk onderhoud tijdens het aanmeldgehoor op 16 september 2017 niet expliciet over overdracht naar Duitsland ging. Hij heeft immers zonder daarvoor een verklaring te geven geen documenten van de afwijzing van zijn asielaanvraag in Duitsland overgelegd en derhalve onduidelijkheid daarover onnodig laten voortbestaan. Verder heeft verweerder hem bij brief van 21 november 2017 de gelegenheid geboden om in aanvulling op het persoonlijk onderhoud van 16 september 2017 schriftelijk te reageren op de overdracht naar Duitsland, op welke uitnodiging eiser in het geheel niet heeft geantwoord. Evenmin is hij ter zitting verschenen om eventueel een nadere toelichting te geven.

Niet is gebleken van een bijzonder samenstel van factoren op grond waarvan Nederland het asielverzoek van eiser in behandeling zou moeten nemen. In het gehoor van 16 september 2017 noch op een ander moment voorafgaand aan het bestreden besluit heeft eiser betoogd dat hij vanwege zijn relatie met zijn broers of om een andere reden niet zou kunnen worden overgedragen. Eiser heeft uitdrukkelijk verklaard dat hij naar Nederland is gereisd omdat zijn asielverzoek in Duitsland was afgewezen.

Gelet op het voorgaande - met name dat eiser tijdens het gehoor op 16 september 2017 onnodig en derhalve toerekenbaar verwarring over zijn status in Duitsland heeft laten voortbestaan en verweerder hem (nadien) voldoende gelegenheid heeft geboden met betrekking tot zijn overdracht naar Duitsland alsnog bijzondere omstandigheden naar voren te brengen - ziet de rechtbank aanleiding met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het gebrek van verweerder te passeren, nu niet aannemelijk is geworden dat eiser door dit gebrek is benadeeld. De rechtbank deelt eisers stelling, dat in dit geval artikel 6:22 van de Awb niet mag worden toegepast, niet. Uit de toelichting bij dit artikel blijkt dat de vernietiging van een besluit wegens een gebrek achterwege mag worden gelaten als het gaat om de schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of rechtsbeginsel. Dit betekent dat elk niet correct toepassen van een rechtsregel van welke aard dan ook onder het bereik van dit artikel is gebracht. En daarbij is uitsluitend het antwoord op de vraag of het aannemelijk is dat eiser door de schending is benadeeld, beslissend. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij is benadeeld door het gebrek van verweerder.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.