Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:985

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-01-2018
Datum publicatie
22-02-2018
Zaaknummer
NL17.15737
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië, tekortkomingen in [kamp] in Italië, maar geen aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure in Italië.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.15737


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2018 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. A.J. Eertink),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. L.T. Krabbenborg).

Procesverloop

Bij besluit van 28 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.15738, plaatsgevonden op 23 januari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw M.E. Velleman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1998 en de Guinese nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 23 juli 2017 een asielverzoek in Nederland ingediend.

2. Verweerder heeft het asielverzoek niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening).

3. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 4 oktober 2016 Italië illegaal is binnen gereisd. Met Italië is op 26 oktober 2017 een claimakkoord tot stand gekomen.

4. Eiser betwist niet dat Italië de verantwoordelijke lidstaat is, maar stelt zich op het standpunt dat hij weg is gegaan uit Italië vanwege de onmenselijke omstandigheden in het kamp ‘ [kamp] ’ in de regio Venetië, waar hij verbleef. Er is volgens eiser sprake van een schending van artikel 1 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Verweerder had nader onderzoek moeten doen en de specifieke garantie moeten krijgen van Italië dat eiser bij terugkeer niet weer zal worden geplaatst in het eerdergenoemde kamp. Verweerder heeft zich echter alleen gericht op de vraag of er in Italië in het algemeen sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen. Eiser verwijst naar vragen die onlangs door het Duitse Verwaltungsgericht zijn gesteld en stelt zelf een aantal prejudiciële vragen voor. Eiser verzoekt in dat kader om de zaak aan te houden.

5. De rechtbank is het volgende van oordeel.

5.1

Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser met de door hem ingediende stukken over het ‘ [kamp] ’ niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen waardoor niet meer uitgegaan zou kunnen worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit de door eiser overgelegde artikelen blijkt weliswaar dat er tekortkomingen zijn, maar dit is onvoldoende om te concluderen dat de opvang in Italië niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet en dat eiser bij overdracht aan Italië een behandeling staat te wachten als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft zich terecht, onder verwijzing naar relevante jurisprudentie, op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een verslechtering in Italië; er kan nog steeds uitgegaan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij de Italiaanse autoriteiten dient te klagen indien zich problemen voordoen in (de opvang in het kader van) de asielprocedure. Daarbij heeft eiser niet aangetoond dat de autoriteiten hem niet zouden willen of kunnen helpen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat hij niet heeft geklaagd bij de daartoe aangewezen instanties of autoriteiten. Dat eiser telkens in groepen heeft geprotesteerd en gestaakt is onvoldoende.

5.2

Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 14 juli 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR3771) heeft overwogen omvat artikel 1 van het Handvest geen additionele rechten ten opzichte van artikel 3 EVRM. Eisers beroepsgrond over artikel 1 van het Handvest faalt dan ook.

6. Het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om de door eiser voorgestelde prejudiciële vragen te stellen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om de vragen zoals gesteld door het Bundesverwaltungsgericht van 15 september 2017 af te wachten, reeds omdat deze vragen zien op vreemdelingen aan wie al een vluchtelingenstatus is toegekend.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.