Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:979

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-01-2018
Datum publicatie
01-02-2018
Zaaknummer
AWB 16/27102
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Na de ingebrekestelling heeft verweerder binnen twee weken op het bezwaar beslist, maar verweerder heeft deze beslissing ingetrokken. Eiser hoefde, anders dan verweerder stelt, verweerder na de intrekking van het besluit op bezwaar niet opnieuw in gebreke te stellen. In onderhavig geval is er van rechtswege een dwangsom verbeurd. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/27102

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] ,

v-nummer [v-nummer] ,

van Turkse nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. G.J. van der Graaf),

en

de minister van Buitenlandse Zaken,

Visadienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2016 heeft verweerder de aanvraag van eiser om afgifte van een visum kort verblijf afgewezen.

Hiertegen heeft eiser op 14 januari 2016 bezwaar gemaakt. Op 1 juli 2016 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. Bij besluit van 13 juli 2016 heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Bij brief van 12 oktober 2016 heeft verweerder het besluit van 13 juli 2016 ingetrokken. Bij besluit van 26 oktober 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard.

Op 22 november 2016 heeft eiser beroep ingesteld.

Bij besluit van 20 december 2017 heeft verweerder het besluit van 26 oktober 2016 aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 10 januari 2018. Eiser is niet verschenen. Hij heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P. Boelhouwer.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), dient de rechtbank het bestreden besluit - de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen - te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. De rechtbank stelt vast dat het besluit van 20 december 2017 is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb. Ingevolge dat artikel wordt het beroep tegen het besluit van 26 oktober 2016 geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit. De besluiten van 26 oktober 2016 en 20 december 2017 zullen hierna tezamen worden aangeduid als het bestreden besluit.

vergoeding kosten in bezwaar

3. De rechtbank stelt vast dat eiser in het bezwaarschrift van 14 januari 2016 verweerder heeft verzocht de kosten die hij heeft moeten maken in verband met zijn bezwaar te vergoeden en dat verweerder in de beslissing op bezwaar van 26 oktober 2016 hierop niet heeft beslist. In de beslissing op bezwaar van 20 december 2017 heeft verweerder alsnog gesteld de door eiser gemaakte proceskosten in bezwaar te vergoeden. Dat betekent dat eiser geen belang meer heeft bij dit deel van het bestreden besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover deze is gericht tegen het niet-vergoeden van de kosten in bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

dwangsom

4. Wat nog ter beoordeling voorligt, is de vraag of verweerder in het bestreden besluit een dwangsom had moeten vaststellen. Eiser heeft in beroep namelijk ook naar voren gebracht dat hij op 1 juli 2016 verweerder in gebreke heeft gesteld. Verweerder heeft eerst op 13 juli 2016 op het bezwaar beslist, dit besluit bij brief van 12 oktober 2016 ingetrokken en op 26 oktober 2016 opnieuw op het bezwaar beslist. Eiser betoogt dat verweerder niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling op het bezwaar heeft beslist, zodat van rechtswege een dwangsom is verbeurd.

5. Niet in geschil is dat verweerder niet binnen de geldende bezwaartermijn op eisers bezwaar heeft beslist. Eiser heeft verweerder daarop in gebreke gesteld. Verweerder heeft vervolgens binnen de hem gegeven termijn van twee weken alsnog op het bezwaar beslist, bij beslissing op bezwaar van 13 juli 2016. Deze beslissing op bezwaar heeft verweerder echter ingetrokken.

6. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde eiser, anders dan verweerder stelt, verweerder na intrekking van de beslissing op bezwaar van 13 juli 2016 niet opnieuw in gebreke te stellen. Dat had eiser immers al gedaan met de ingebrekestelling van

1 juli 2016, omdat verweerder de geldende beslistermijn ongebruikt had laten verstrijken. Deze ingebrekestelling heeft, anders dan verweerder meent, niet aan betekenis verloren. Verweerders standpunt dat in deze situatie een nieuwe ingebrekestelling vereist is voordat hij in verzuim komt te verkeren, mist een wettelijke basis. Verweerders verwijzing naar paragraaf 7.1 van de Werkinstructie 2013/17 gaat reeds niet op, omdat in die beschreven situatie de vreemdeling verweerder nog niet in gebreke heeft gesteld. Hier is dat juist wel gebeurd.

7. De rechtbank zal het beroep voor zover gericht tegen verweerders weigering een dwangsom vast te stellen gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover daarin de verschuldigdheid van en de hoogte van de dwangsom niet is vastgesteld. De rechtbank zal op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit.

8. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:55c van de Awb de hoogte van de tot op heden verbeurde dwangsom vaststellen. Eiser heeft verweerder op 1 juli 2016 in gebreke gesteld. Dit betekent dat verweerder gelet op artikel 4:17, derde lid, van de Awb tot uiterlijk 15 juli 2016 een besluit kon nemen, zonder een dwangsom te verbeuren.

Verweerder is tot en met de dag van de beslissing op bezwaar van 26 oktober 2016 dus meer dan tweeënveertig dagen in gebreke geweest om een besluit te nemen. Dit betekent dat verweerder het maximaal aantal dagen dwangsom verbeurd heeft. Op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb bedraagt de dwangsom voor de eerste veertien dagen € 280,- (14 x € 20,-), voor de daaropvolgende veertien dagen € 420,- (14 x € 30,-) en voor de overige laatste dagen € 560,- (14 x € 40,-). De door verweerder verbeurde dwangsom bedraagt dus in totaal € 1.260,-.

9. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 1002 aan kosten door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 501). Er bestaat aanleiding voor vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet-vergoeden van de kosten in bezwaar niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen verweerders weigering een dwangsom vast te stellen gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarin de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom niet is vastgesteld;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 1.260 is verschuldigd;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep tot een bedrag van € 1002;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 168 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Raat, rechter, in tegenwoordigheid van mr. T.N.H. Tran, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.