Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9786

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-08-2018
Datum publicatie
04-09-2018
Zaaknummer
C/09/541555 / FA RK 17-8019
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

“Gelet op afspraken tussen partijen ten tijde van de echtscheiding, waarbij sprake is van een relatief ruime duur en hoogte van de alimentatie die niet verrekend zou hoeven worden met het eigen inkomen van de vrouw en het vermogen van de vrouw uit boedelscheiding (ruim € 33.000,-- uit de verdeling en bijna € 9.000,-- aan overwaarde), afgezet tegen de hoogte van het verhaal en de legitieme wens van partijen om hun leven in financieel opzicht na acht jaar weer zelf te kunnen inrichten – is de rechtbank van oordeel dat de man zijn onderhoudsverplichting naar behoren is nagekomen, dat de alimentatieovereenkomst die partijen zijn aangegaan nooit de bedoeling heeft gehad de gemeenschap te benadelen en dat die overeenkomst naar maatschappelijke normen aanvaardbaar moet worden geacht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2018/130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 17-8019

Zaaknummer: C/09/541555

Datum beschikking: 10 augustus 2018

Bijstandsverhaal

Beschikking op het op 19 oktober 2017 ingekomen verzoek van:

de Gemeente Den Haag,

de gemeente.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] ,

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M.J. van Basten Batenburg te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift;

- de brief van 18 december 2017 van de zijde van de gemeente;

- het F-formulier van 21 december 2017 met bijlage van de zijde van de man;

- de brief van 2 januari 2018 met bijlage van de zijde van de gemeente.

Op 10 april 2018 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn namens de gemeente verschenen: [medewerker Gemeente 1] en [medewerker Gemeente 2] . Ook zijn verschenen de man, zijn huidige partner en zijn advocaat.

Omdat de zaak – vanwege het principiële karakter daarvan – naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt was voor beslissing door één rechter is deze verwezen naar de meervoudige kamer. Met toestemming van partijen heeft er na de verwijzing geen nadere mondelinge behandeling ter zitting meer plaatsgevonden.

Verzoek en verweer

De gemeente wil de bijstandsuitkering die aan de ex-echtgenote van de man is verstrekt op de man verhalen en verzoekt de rechtbank in dat kader om te bepalen dat de man met ingang van 1 oktober 2016 een bedrag van € 977,15 per maand schuldig is aan de gemeente, en dat hij dit bedrag schuldig zal zijn zolang de bijstandsverlening aan de ex-echtgenote van de man ( [naam ex-echtgenote] , hierna te noemen: de vrouw) voortduurt, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Hij heeft primair verzocht de gemeente niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de man gevraagd het verzoek van de gemeente af te wijzen en te bepalen dat de door de man al betaalde bedragen onverschuldigd zijn betaald en moeten worden terugbetaald. Meer subsidiair heeft de man verzocht toewijzing van het verzoek van de gemeente te beperken tot uiterlijk 30 januari 2020, kosten rechtens.

Feiten

- De man en de vrouw zijn gehuwd geweest van [huwelijksdatum] tot [scheidingsdatum] .

- Bij beschikking van deze rechtbank van 16 november 2007 is de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken en is – conform de alimentatieovereenkomst tussen de man en de vrouw – een door de man te betalen partneralimentatie vastgesteld van

€ 2.000,-- bruto per maand gedurende de eerste twee jaar en van € 1.500,-- bruto per maand gedurende de daarop volgende zes jaren, met dien verstande dat de bijdrage

€ 1.200,-- per maand zou bedragen totdat de verkoop van de voormalige echtelijke woning zou zijn gerealiseerd.

- De gemeente verleent met ingang van 30 januari 2016 bijstand aan de vrouw.

- Bij brief van 14 oktober 2016 is de man in kennis gesteld van het vorderen van een verhaalsbijdrage van € 977,15 per maand, ingaande op 1 oktober 2016.

- De bijstandsuitkering van de vrouw is per 1 november 2017 beëindigd.

Beoordeling

In geschil is of de man de verzochte bijstandsverhaalsbijdrage aan de gemeente dient te betalen.

Wettelijk kader

In artikel 62, aanhef en onder b, van de Participatiewet (Pw) is bepaald dat kosten van bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen worden verhaald op degene die zijn onderhoudsplicht na echtscheiding niet of niet behoorlijk nakomt.

Volgens artikel 1:159a BW staat een alimentatieovereenkomst als bedoeld in de artikelen 1:158 en 1:159 BW niet in de weg aan verhaal op grond van artikel 62 Pw en laat een dergelijke overeenkomst de vaststelling van het te verhalen bedrag onverlet.

Volgens artikel 62a Pw moet bij de beoordeling van het bestaan van een verhaalsrecht als bedoeld in artikel 1:159a BW of artikel 62 Pw, en bij de vaststelling van de omvang van het te verhalen bedrag, rekening worden gehouden met de maatstaven die gelden en de omstandigheden die van belang zijn in het geval dat de rechter dient te beslissen over de vraag of en, zo ja tot welk bedrag, een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding zou moeten worden toegekend.

Uit artikel 62h Pw volgt dat verzoeken tot verhaal op grond van artikel 62 Pw moeten worden ingediend bij de rechtbank.

Bevoegdheid rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de stelling van de man dat de gemeente geen verzoek tot vaststelling van bijstandsverhaal had mogen indienen zolang er tegen het besluit van 14 oktober 2016 nog bezwaar aanhangig was, geen doel treft. Uit artikel 62h Pw – te lezen in samenhang met artikel 8:5 van de Algemene wet bestuursrecht en de bij die wet behorende bijlage 2, artikel 1 – blijkt immers dat de uitvoering van het bijstandsverhaal buiten het bestuursrecht valt: verzoeken tot bijstandsverhaal moeten worden ingediend bij de rechtbank.

Causaal verband

Gelet op de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting, is de rechtbank van oordeel dat de gemeente voldoende heeft aangetoond dat er tussen de gestelde behoefte aan alimentatie en het ontbonden huwelijk van de man en de vrouw voldoende causaal verband bestaat. Voor dit oordeel is van belang dat de vrouw direct na beëindiging van de partneralimentatie (op 30 januari 2016) een bijstandsuitkering heeft aangevraagd. Dat er geen of minder behoefte bestaat bij de vrouw is de rechtbank niet gebleken en heeft de man ook niet kunnen aantonen.

Alimentatieovereenkomst onaanvaardbaar?

Kern van het geschil tussen partijen is de vraag of de gemeente ingevolge artikel 1:159a BW bevoegd was over te gaan tot bijstandsverhaal, omdat de alimentatieovereenkomst die partijen hebben gesloten naar maatschappelijke opvattingen onaanvaardbaar was.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. Uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 14134, 3) blijkt dat artikel 1:159a BW in de wet is opgenomen om te kunnen tegengaan dat alimentatieplichtigen op eenvoudige wijze – namelijk door het sluiten van een nihilbeding – hun onderhoudsverplichting op de gemeenschap kunnen afwentelen. Het artikel heeft evenwel niet de strekking om de mogelijkheid van het sluiten van een nihilbeding, of een beding waarbij de alimentatie tot een bepaald bedrag of een bepaalde periode beperkt wordt, in zijn geheel te elimineren. Een nihilbeding is dus zeker niet altijd maatschappelijk onaanvaardbaar. Een dergelijk beding kan aanvaardbaar zijn, als het bijvoorbeeld onderdeel vormt van een regeling tussen partijen, waarbij – in het kader van de boedelscheiding – aan de alimentatiegerechtigde een hoge uitkering ineens of waardevolle vermogensbestanddelen wordt/worden toegedeeld, die de onderhoudsgerechtigde een redelijk inkomen verzekeren en die de onderhoudsplichtige de zekerheid verschaffen dat hij geen alimentatie meer hoeft te betalen, zodat hij zijn verdere leven in financieel opzicht hierop kan inrichten. Bij de vraag of een beding al dan niet onaanvaardbaar is, kunnen daarnaast tal van andere omstandigheden een rol spelen, en is bovendien van belang de mate van evenwicht in de tussen partijen getroffen regelingen. De rechter heeft in dit type geschillen een zekere mate van beslisvrijheid.

Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank als volgt. De man en de vrouw zijn in 2007 overeengekomen dat de man gedurende acht jaar alimentatie aan de vrouw zou betalen: eerst € 2.000,-- per maand en daarna € 1.500,-- per maand. Uit de correspondentie die in het kader van onderhandelingen over de financiële gevolgen van de echtscheiding door de toenmalige advocaten van de man en de vrouw zijn opgesteld, blijkt dat de achtergrond van deze afspraak meerledig was. De man en de vrouw wilden beiden op enig moment weer (financieel) onafhankelijk van elkaar zijn, en hadden over en weer de verwachting dat zij op termijn weer beiden hun eigen inkomen zouden kunnen genereren—een intentie die ook zijn weerklank vindt in het feit dat de overeengekomen alimentatie stapsgewijs minder werd. Daarnaast volgt uit de overgelegde correspondentie dat de man en de vrouw in hun overeenkomst rekening hebben willen houden met het feit dat de vrouw bij de boedelverdeling een bedrag van ruim € 33.000,-- toebedeeld had gekregen, en met de omstandigheid dat haar nog de helft van de overwaarde van de echtelijke woning zou toekomen. Daarnaast zou de vrouw in de acht jaren waarin zij partneralimentatie zou ontvangen het volledige inkomen dat zij zelf zou genereren zonder verdere verrekening met de man mogen behouden. Totdat de vrouw op enig moment ziek werd, heeft zij ook daadwerkelijk inkomen gegenereerd als zelfstandig ondernemer, zo leidt de rechtbank af uit de overgelegde stukken.

Onder deze omstandigheden – de relatief ruime duur en hoogte van de alimentatie die niet verrekend zou hoeven worden met het eigen inkomen van de vrouw, het vermogen van de vrouw uit boedelscheiding (ruim € 33.000,-- uit de verdeling en bijna € 9.000,-- aan overwaarde) dat afgezet tegen de hoogte van het verhaal niet onaanzienlijk is, en de legitieme wens van partijen om hun leven in financieel opzicht na acht jaar weer zelf te kunnen inrichten – is de rechtbank van oordeel dat de man zijn onderhoudsverplichting naar behoren is nagekomen, dat de alimentatieovereenkomst die partijen zijn aangegaan nooit de bedoeling heeft gehad de gemeenschap te benadelen en dat die overeenkomst naar maatschappelijke normen aanvaardbaar moet worden geacht. De rechtbank zal het verzoek van de gemeente daarom afwijzen. Ook zal zij – volgens het niet weersproken verzoek van de man – bepalen dat de betalingen die de man al heeft gedaan zonder rechtsgrond zijn gedaan en aan hem moeten worden terugbetaald.

Proceskosten

De rechtbank zal het verzoek van de man om de gemeente in de kosten van de procedure te veroordelen afwijzen. In procedures van familierechtelijke aard is het immers – óók als in dergelijke procedures niet twee gewezen echtelieden tegenover elkaar staan, maar één van hen door een derde in rechte wordt betrokken – gebruikelijk de proceskosten te compenseren.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van de gemeente af;

bepaalt dat de betalingen die de man al aan de gemeente heeft gedaan, onverschuldigd zijn gedaan en moeten worden terugbetaald;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.T.W. van Ravenstein, mr. K.M. Braun en mr. M.P. Verloop, rechters, in tegenwoordigheid van B.D. Muntz als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 augustus 2018.