Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9773

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-08-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5459
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan eiseres, zijnde de werkgever, een verplichting tot loondoorbetaling opgelegd, omdat de re-integratie-inspanningen van eiseres ten aanzien van de werknemer niet adequaat zijn geweest, zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond aanwezig is. Niet is gebleken dat de re-integratie van de werknemer op medische gronden wordt belemmerd, aldus verweerder.

Eiseres voert, onder meer, aan dat er geen re-integratie-inspanningen zijn vereist indien er bij de werknemer geen benutbare arbeidsmogelijkheden zijn, zoals het geval is. Derhalve is de loonsanctie ten onrechte aan eiseres opgelegd.

De rechtbank ziet in de gedingstukken te weinig aanknopingspunten om de stelling van eiseres te kunnen volgen dat bij de werknemer feitelijk sprake was van het geheel ontbreken van arbeidsvermogen. Ook is de rechtbank niet gebleken dat er concrete en adequate re-integratie-activiteiten zijn ontplooid in het tweede spoor.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op juiste gronden heeft geconcludeerd dat eiseres zonder deugdelijke grond onvoldoende adequate re-integratie-inspanningen gericht op de re-integratie bij een andere werkgever (het zogenoemde tweede spoor) heeft verricht, zodat terecht een loonsanctie is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/5459

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 augustus 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: B. van Megen),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder,

(gemachtigde: M. Alsemgeest).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] te [plaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een verplichting tot loondoorbetaling tot 3 juli 2017 opgelegd wegens het verrichten van onvoldoende re-integratie-activiteiten.

Bij besluit van 22 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Eiseres heeft aanvullende stukken ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-partij is verschenen.

Overwegingen

1.1.

[derde-partij] (hierna: werknemer) is sinds 1 augustus 1968 bij eiseres in dienst als terrazzomedewerker voor veertig uur per week. Op 7 april 2014 heeft hij zich ziek gemeld wegens een toename van longklachten als gevolg van COPD. Op 22 september 2015 heeft werknemer een aanvraag ingediend tot toekenning van een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met verkorte wachttijd. Deze aanvraag is bij besluit van 8 december 2015 door verweerder afgewezen, omdat de werknemer niet als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is aan te merken. Op 4 april 2016 heeft de werknemer, wederom, een uitkering aangevraagd op grond van de Wet WIA.

1.2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder, naar aanleiding van het rapport van de arbeidsdeskundige van 29 juni 2016, aan eiseres een verplichting tot loondoorbetaling tot

3 juli 2017 opgelegd wegens het verrichten van onvoldoende re-integratie-activiteiten.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en zich op het standpunt gesteld dat de re-integratie-inspanningen van eiseres ten aanzien van de werknemer niet adequaat zijn geweest, zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond aanwezig is. Niet is gebleken dat de re-integratie van de werknemer op medische gronden wordt belemmerd. Verweerder onderbouwt voornoemd standpunt met de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) en de arbeidsdeskundige b&b van

28 november 2016 respectievelijk 29 mei 2017.

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – aan dat werknemer met ingang van 4 juli 2016 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en zodoende per die datum recht heeft op een IVA-uitkering (Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten). Nu de medische situatie vanaf het opleggen van de loonsanctie niet is veranderd, heeft verweerder hiermee bevestigd dat de werknemer duurzaam arbeidsongeschikt is en ook toen geen benutbare arbeidsmogelijkheden had. Aangezien er geen re-integratie-inspanningen zijn vereist indien er bij de werknemer geen benutbare arbeidsmogelijkheden zijn, zoals hier het geval is, is de loonsanctie ten onrechte aan eiseres opgelegd. Verweerder heeft in dat licht ten onrechte geen volledige arbeidsdeskundige beoordeling, waaronder het duiden van functies, verricht. Indien verweerder dat wel zou hebben gedaan, zou dat tot gevolg hebben gehad dat de arbeidsdeskundige geen passende functies voor de werknemer had kunnen duiden. Verder voert eiseres aan dat actuele medische informatie bij de behandelaars van de werknemer had moeten worden opgevraagd.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Aan de orde is de vraag of terecht en op juiste gronden is besloten de loondoorbetalingsverplichting van 104 weken te verlengen met 52 weken in verband met onvoldoende re-integratie-inspanningen.

4.2.

Voor werknemers die na twee jaren ziekte een aanvraag op grond van de Wet WIA indienen, wordt voorafgaand aan de beoordeling van het recht op uitkering door verweerder eerst de zogenoemde Poortwachterstoets uitgevoerd. De grondslag voor deze toets is onder meer te vinden in artikel 7:658a en 7:660a van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de artikelen 25 en 65 van de Wet WIA.

4.3.

Ingevolge artikel 7:658a, eerste lid, van het BW bevordert de werkgever ten aanzien van de werknemer die in verband met de ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf. Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en in het bedrijf van de werkgever geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert de werkgever, gedurende het tijdvak waarin de werknemer jegens hem recht op loon heeft, de inschakeling van de werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever.

4.4.

Ingevolge artikel 65 van de Wet WIA beoordeelt het Uwv of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.

Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 van de Wet WIA en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 van de Wet WIA, blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het Uwv op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 7:629 van het BW, opdat de werkgever zijn tekortkoming in de re-integratie-inspanningen kan herstellen. De verlenging is ten hoogste 52 weken.

4.5.

In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224) (Beleidsregels) heeft het Uwv een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of de werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Blijkens de Beleidsregels staat bij de beoordeling het bereikte resultaat voorop. Als een bevredigend resultaat is bereikt, is volgens het beoordelingskader voldaan aan de wettelijke eis dat de werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Van een bevredigend resultaat is sprake als is gekomen tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer en de hervatting een structureel karakter heeft. Indien het Uwv het resultaat niet bevredigend acht, zal volgens de Beleidsregels bij de beoordeling worden ingezoomd op datgene wat door de werkgever en werknemer daadwerkelijk is ondernomen. Als het Uwv de inspanningen van de werknemer op basis van dit beoordelingskader wel voldoende acht, wordt geen loonsanctie opgelegd. Dat is evenmin het geval als het Uwv de re-integratie-inspanningen weliswaar onvoldoende acht, maar tot het oordeel komt dat de werkgever daarvoor een deugdelijke grond heeft.

In de uitspraken van 28 oktober en 18 november 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK1570 en ECLI:NL:CRVB:2009:BK3717) heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dit beleid als niet kennelijk onredelijk beoordeeld.

5.1.

Het besluit tot oplegging van de in geding zijnde loonsanctie is een door verweerder ambtshalve genomen besluit met een voor werkgevers als eiseres belastend karakter. Op grond van vaste rechtspraak van de CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van

7 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3343, dient verweerder aannemelijk te maken dat de betrokken werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en daarbij te beoordelen of dit zonder deugdelijke grond is geschied. Verweerder dient zijn besluit in dit verband deugdelijk te motiveren.

5.2.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de werknemer ten tijde van de beoordeling van de re-integratie-inspanningen niet in arbeid is hervat. Verweerder heeft derhalve terecht aangenomen dat in dit geval geen sprake is van een bevredigend resultaat als bedoeld in de Beleidsregels. Dit brengt mee dat verweerder kon toekomen aan een beoordeling van de re-integratie-inspanningen. Vast staat dat er door eiseres geen re-integratie-inspanningen in het zogenoemde eerste spoor zijn verricht en dat dit nalaten door verweerder niet aan eiseres wordt tegengeworpen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen gericht op de re-integratie bij een andere werkgever (het zogenoemde tweede spoor) zonder dat eiseres daarvoor een deugdelijke grond had.

6.1.

Verweerder heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat eiseres ten onrechte ervan is uitgegaan dat haar werknemer geen benutbare mogelijkheden voor het verrichten van arbeid had, waardoor re-integratiekansen zijn gemist.

Dit standpunt heeft verweerder gebaseerd op de conclusies in de rapporten van de verzekeringsarts b&b en de arbeidsdeskundige b&b.

6.2.

Blijkens het dossier is de externe arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] in het rapport van 7 september 2015, met betrekking tot het tweede spoor, tot de conclusie gekomen dat de werknemer langdurig ongeschikt is voor reguliere arbeid. Op basis van de huidige belastbaarheid en de onzekere prognose zijn er volgens [arbeidsdeskundige] derhalve geen re-integratiemogelijkheden. Eiseres kan daardoor geen re-integratie-inspanningen ondernemen.

6.3.

De primaire verzekeringsarts is in haar rapport van 13 juni 2016 tot de conclusie gekomen dat bij de werknemer, alles overziend, geen sprake is van medisch volledige arbeidsongeschiktheid. Werknemer heeft (duurzaam) benutbare mogelijkheden met beperkingen op grond van medisch geobjectiveerde longklachten. Deze beperkingen komen volgens de primaire verzekeringsarts grotendeels, op drie items na, overeen met de belastbaarheid die bedrijfsarts [bedrijfsarts] heeft neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 juli 2015. De primaire verzekeringsarts overweegt dat er medisch gezien geen reden is voor het niet inzetten van het tweede spoor.

6.4.

De primaire arbeidsdeskundige concludeert in haar rapport van 29 juni 2016 dat de re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende zijn. Eiseres geeft aan een traject in het tweede spoor te hebben gestart. Dit traject is echter niet adequaat, omdat er geen documentatie is van de ingezette acties. Daarbij komt dat die acties zich enkel hebben gericht op het telefonisch raadplegen van het netwerk van de werkgever, bestaande uit circa tien bedrijven in dezelfde branche, terwijl werknemer ongeschikt is voor zijn eigen werk. De primaire arbeidsdeskundige acht voor deze onvoldoende re-integratie-inspanningen geen deugdelijke grond aanwezig. Eiseres dient derhalve, alsnog, een adequaat traject in het tweede spoor in te zetten.

6.5.

Loopbaanadviseur [loopbaanadviseur] van Pre-sense heeft, in opdracht van eiseres en na het opleggen van de loonsanctie, door middel van een haalbaarheidsonderzoek bepaald of en in hoeverre het inzetten van een tweede spoor re-integratietraject haalbaar en realistisch is voor werknemer. Bij dit onderzoek heeft zij gebruik gemaakt van de door bedrijfsarts [bedrijfsarts] op 8 juli 2015 vastgestelde FML. Haar bevindingen heeft zij neergelegd in een rapport van

2 augustus 2016. In dat rapport komt zij tot de conclusie dat de kans op herstel voor het eigen werk dan wel passend werk als nihil kan worden beschouwd door de beperkingen van de werknemer. Het arbeidsmarktperspectief is voor de werknemer ongunstig. Het uitvoeren van passend werk zal heel moeizaam gaan en naar alle waarschijnlijkheid ook niet duurzaam zijn, aldus [loopbaanadviseur].

6.6.

De verzekeringsarts b&b heeft in zijn rapport van 28 november 2016 gereageerd op de in bezwaar aangevoerde gronden. Die gronden hadden betrekking op (de zorgvuldigheid van) de door de primaire verzekeringsarts in deze gevolgde procedure. In dat kader heeft de verzekeringsarts b&b aangegeven dat de door de primair beoordelend arts opgestelde FML past bij een betere energetische belastbaarheid dan door de bedrijfsarts is aangenomen en dat in het geval van een COPD Gold stadium II ook geen sprake is van een ernstig of zeer ernstig COPD, maar enkel van een matig COPD. De bezwaarverzekeringsarts zag geen reden om af te wijken van het primaire oordeel.

6.7.

De arbeidsdeskundige b&b heeft in haar rapport van 29 mei 2017 het standpunt van de primaire arbeidsdeskundige onderschreven. In haar rapport heeft de arbeidsdeskundige b&b aangegeven dat het niet opstarten van adequate feitelijke activiteiten in het tweede spoor voor risico en verantwoording van een werkgever komt. Eiseres heeft zich in dit kader gebaseerd op het oordeel van externe arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] en loopbaanadviseur [loopbaanadviseur]. De arbeidsdeskundige b&b stelt met betrekking tot het voorgaande dat de verantwoordelijkheid van de werkgever voor re-integratie, verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de geleverde diensten door ingeschakelde deskundigen impliceert. De arbeidsdeskundige b&b is van mening dat de primaire arbeidsdeskundige terecht tot de conclusie is gekomen dat de re-integratie-activiteiten van eiseres niet adequaat zijn geweest. Daarom is er op terechte gronden de verplichting tot doorbetaling van loon opgelegd tot 3 juli 2017. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan eiseres een rechtvaardigingsgrond heeft.

6.8.

De rechtbank ziet in de gedingstukken – waaronder de medische informatie van de behandelend sector – te weinig aanknopingspunten om de stelling van eiseres te kunnen volgen dat bij de werknemer feitelijk sprake was van het geheel ontbreken van arbeidsmogelijkheden. Hetgeen eiseres aanvoert biedt onvoldoende onderbouwing om de door de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundigen verrichte onderzoeken niet zorgvuldig te achten en de daarop gebaseerde conclusies, met betrekking tot de re-integratie-inspanningen van eiseres, in twijfel te trekken. Ook is de rechtbank niet gebleken dat er concrete en adequate re-integratie-activiteiten zijn ontplooid in het tweede spoor. Dat er meer activiteiten zouden zijn ontplooid dan de telefonische contacten zoals beschreven onder 6.4, is ook niet aangevoerd. Met de rapporten van de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundigen heeft verweerder voldoende inzichtelijk gemaakt dat eiseres ten onrechte is afgegaan op de opvattingen van [arbeidsdeskundige] en [loopbaanadviseur]. Voorts overweegt de rechtbank dat, zoals niet in geschil is, er geen sprake was van een GBM-situatie. Dit betekent dat re-integratie-inspanningen niet achterwege gelaten konden worden. Uitgaande van de situatie dat de werknemer nog belastbaar was, heeft de arbeidsdeskundige b&b derhalve terecht geconcludeerd dat eiseres zonder deugdelijke grond geen adequate re-integratie-inspanningen heeft verricht door de mogelijkheden in het tweede spoor niet voldoende te onderzoeken (zie in dit kader ook de uitspraak van de CRvB van 11 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX1211).

6.9.

Daarbij verdient voorts nog opmerking dat, anders dan eiseres kennelijk voorstaat, het in een loonsanctiezaak als hier aan de orde gaat om de vraag of een werkgever in redelijkheid heeft kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht, niet of er voor de werknemer theoretische functies kunnen worden geduid zoals dat gebeurt in het kader van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. In het verlengde daarvan geldt dat de opvatting van eiseres dat uit het gegeven dat inmiddels in 2017 een IVA-uitkering aan werknemer is toegekend moet worden afgeleid dat ten onrechte een loonsanctie is opgelegd, niet juist is. Het is vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraken van

28 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:907 en van 10 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1940), dat het enkele feit dat aan de werknemer een IVA-uitkering is toegekend, nog niet zonder meer kan leiden tot de conclusie dat eiseres een deugdelijke grond had om geen re-integratie-inspanningen in het tweede spoor te starten. De toekenning van de IVA-uitkering heeft achteraf plaatsgevonden op basis van andere beoordelingsmaatstaven dan hier aan de orde zijn in het kader van de beoordeling van de re-integratie-inspanningen van een werkgever.

6.10.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op juiste gronden heeft geconcludeerd dat eiseres zonder deugdelijke grond onvoldoende adequate re-integratie-inspanningen in het tweede spoor heeft verricht, zodat terecht een loonsanctie is opgelegd.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, voorzitter, en mr. O.M. Harms en

mr. F.X. Cozijn, leden, in aanwezigheid van mr. C.A.W. Zijlstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.