Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9746

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-08-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
NL18.13634 en NL18.13633
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tegen een besluit tot verlenging van de bewaring als bedoeld in artikel 59b, derde lid, staat ingevolge de Vw 2000 geen beroep open. Daarom is de rechtbank onbevoegd om kennis te nemen van het separate beroep tegen dit verlengingsbesluit. Dit laat echter onverlet dat eiser wel op elk gewenst moment op grond van artikel 96, eerste lid, een volgberoep instellen tegen het voortduren van de bewaring, in welk kader tevens kan worden opgekomen tegen de rechtmatigheid van bedoeld verlengingsbesluit. In dat kader overweegt de rechtbank dat eiser ten tijde van het verlengingsbesluit – gelet op de kennelijk ongegrondverklaring van zijn asielaanvraag o.g.v. artikel 30b, eerste lid, onder b, d en g, – geen rechtmatig verblijf had o.g.v. artikel 8, onder h, en dat de bewaring o.g.v.artikel 59b, eerste lid, onder b en c om die reden niet kon worden verlengd met toepassing van artikel 59b, derde lid. De verwijzing van verweerder naar de uitspraken van het HvJEU van 5 juli 2018 (C. J. en S. tegen Nederland) en van 19 juni 2018 (Gnandi tegen België), leidt niet tot een ander oordeel. Het is aan de wetgever om de Vw 2000 in overeenstemming te brengen met voornoemde jurisprudentie van het HvJEU. Niet kan worden bewerkstelligd dat middels het buiten toepassing laten van een wettelijke bepaling de situatie van eiser alsnog kan worden geschaard onder artikel 8, aanhef en onder h. Bovendien had eiser dan nog geen rechtmatig verblijf op die grond gedurende de periode dat beroep kon worden ingesteld. Door de tijdige indiening van een beroep met vovo had eiser ten tijde van het verlengingsbesluit evenmin rechtmatig verblijf op die grond, terwijl dat wel is vereist om de bewaring op grond van het derde lid van artikel 59b te kunnen verlengen. Volgberoep gegrond, opheffing van de bewaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2018/166
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.13634 en NL18.13633


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: drs. J.M.C. Vissers).

Procesverloop

Verweerder heeft op 13 juni 2018 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld (NL18.13634). Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Bij besluit van 16 juli 2018 heeft verweerder de bewaring van eiser op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000 met ten hoogste drie maanden verlengd.

Eiser heeft tegen het verlengingsbesluit van 16 juli 2018 beroep ingesteld (NL18.13633). Ook daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep tegen het verlengingsbesluit (NL18.13633).

1. Dit beroep richt zich tegen het besluit van verweerder van 16 juli 2018, waarbij de bewaring van eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw 2000 met ten hoogste drie maanden is verlengd met toepassing van artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000. Dit besluit is onderdeel van de meeromvattende asielbeschikking, waarbij eisers asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond.

2. Ingevolge artikel 94, zevende lid, van de Vw 2000 staat tegen een besluit tot verlenging van een vrijheidsbenemende maatregel slechts beroep open indien het gaat om een besluit tot verlenging als bedoeld in artikel 59, zesde lid, of artikel 59b, vijfde lid, van de Vw 2000. Nu het onderhavige beroep zich richt tegen een besluit tot verlenging als bedoeld in artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000, is de rechtbank niet bevoegd om kennis te nemen van het separate beroep tegen dit verlengingsbesluit.

3. Het vorenstaande laat echter onverlet dat eiser wel op elk gewenst moment op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000 een volgberoep kan instellen tegen het voortduren van de bewaring, in welk kader tevens kan worden opgekomen tegen de rechtmatigheid van het verlengingsbesluit op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000. De aanwezigheid van een dergelijk verlengingsbesluit is immers een vereiste om de bewaring langer te laten voortduren op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel a, b of c, van de Vw 2000. Gelet hierop zal de rechtbank de beroepsgronden die namens eiser zijn ingediend in het beroep tegen het verlengingsbesluit van 16 juli 2018 betrekken bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting aangevoerd dat daarmee geen sprake is van een effectief rechtsmiddel tegen het verlengingsbesluit, aangezien eiser in een volgberoep niet (standaard) wordt opgeroepen om ter zitting te worden gehoord. De rechtbank volgt dit betoog niet. De Vw 2000 vereist immers enkel bij een beroep ex artikel 94 van de Vw 2000 dat de vreemdeling wordt opgeroepen om in persoon te worden gehoord. De rechtbank wijst in dit verband op het vierde lid van artikel 94 van de Vw 2000. Deze bepaling is hier echter niet van (overeenkomstige) toepassing. Bovendien kan een vreemdeling – indien de rechtbank daartoe aanleiding ziet – ook in het kader van een volgberoep worden opgeroepen om ter zitting te worden gehoord. In het onderhavige geval heeft de rechtbank echter geen aanleiding gezien om eiser op te roepen teneinde hem ter zitting te horen terwijl eiser daar zelf ook niet om heeft verzocht in zijn beroep(en).

Ten aanzien van het volgberoep tegen het voortduren van de bewaring (NL18.13634).

4. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

5. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 28 juni 2018 (in de zaak NL18.11225) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (d.d. 25 juni 2018) de maatregel van bewaring rechtmatig is.

6. Namens eiser is aangevoerd dat eiser – die op 13 juni 2018 in bewaring is gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw 2000 – op 16 juli 2018 een negatieve asielbeschikking heeft ontvangen. Er bevindt zich in het (digitale) dossier echter geen verlengingsbesluit, noch een omzetting van de bewaringsmaatregel. Daarom is de maatregel van bewaring met ingang van 16 juli 2018 onrechtmatig, aldus eiser.

7. De rechtbank volgt deze beroepsgrond niet. Daargelaten dat de enkele omstandigheid dat het verlengingsbesluit zou ontbreken in het digitale dossier nog niet leidt tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is, stelt de rechtbank vast dat het verlengingsbesluit zich wel degelijk bevindt onder de gedingstukken. Dit besluit is immers onderdeel van de meeromvattende asielbeschikking van 16 juli 2018, welke beschikking in het digitale dossier van het onderhavige volgberoep is opgenomen als gedingstuk 0013.

8. Eisers stelling dat een verlengingsbesluit op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000 in een apart besluit dient te worden opgenomen en niet als onderdeel van een meeromvattende beschikking kan worden opgenomen, volgt de rechtbank niet. Een verlenging van de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000 betreft een voortduring van de bewaring op dezelfde wettelijke grondslag en bij of krachtens de Vw 2000 is voorts niet bepaald dat een dergelijke verlengingsbeslissing in een apart besluit dient te worden opgenomen. Nu de bewaring wordt voortgezet op dezelfde wettelijke grondslag hoefde verweerder eiser ook niet voorafgaande aan dit verlengingsbesluit opnieuw te horen.

9. Eiser heeft voorts aangevoerd dat hij ten tijde van het verlengingsbesluit geen rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, onder h, van de Vw 2000 en dat de bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c van de Vw 2000 om die reden niet kon worden verlengd met toepassing van artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000. Deze beroepsgrond slaagt, gelet op het navolgende.

10. Eiser is op 13 juni 2018 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw 2000. Volgens het tweede lid van artikel 59b van de Vw 2000 duurt een dergelijke bewaring niet langer dan vier weken, tenzij -zoals in casu het geval is- toepassing is gegeven aan artikel 39, in welk geval de bewaring niet langer dan zes weken duurt.

11. Ingevolge het derde lid van artikel 59b van de Vw 2000 kan de bewaring krachtens het eerste lid, onderdeel a, b of c worden verlengd met ten hoogste drie maanden indien de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8 onder h, van de Vw 2000.

12. Ingevolge artikel 8 onder h, van de Vw 2000 – voor zover thans van belang – heeft de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf in afwachting van de beslissing op een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het beroepschrift is beslist.

13. De asielaanvraag van eiser is bij meeromvattende asielbeschikking van 16 juli 2018 afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, d en g, van de Vw 2000. De rechtbank begrijpt verweerder aldus dat hij zich op het standpunt stelt dat eiser vanaf dat moment rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8 onder h, van de Vw 2000. De rechtbank kan dit niet volgen. Immers, ingevolge artikel 82, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 wordt de werking van het besluit van 16 juli 2018 niet opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. Voorts is geen sprake van een rechterlijke beslissing waarin is bepaald dat uitzetting van eiser achterwege dient te blijven totdat op het beroepschrift is beslist. Eiser had dus vanaf 16 juli 2018, de datum waarop tevens het verlengingsbesluit is genomen, geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder h, van de Vw 2000, zodat verweerder geen toepassing kon en mocht geven aan artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000.

14. Verweerder heeft weliswaar verwezen naar de beschikking van het Hof van Justitie van de EU (HvJEU) van 5 juli 2018 in de zaak C. J. en S. tegen Nederland, C-269/18 (ECLI:EU:C:2018:544) en het arrest van het HvJEU van 19 juni 2018 in de zaak Gnandi tegen de Belgische Staat, C-181/16 (ECLI:EU:C:2018:465), maar deze verwijzing leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank begrijpt dat verweerder zich op het standpunt stelt dat uit voornoemde uitspraken blijkt dat de werking van een terugkeerbesluit, genomen vóór de indiening van een asielaanvraag – zoals in casu het geval is – dan wel genomen gelijktijdig met een afwijzend asielbesluit, altijd van rechtswege dient te worden opgeschort gedurende de periode dat beroep kan worden ingesteld. Daarom dient, aldus verweerder, artikel 82, tweede lid, van de Vw 2000 deels buiten toepassing te worden gelaten, te weten voor zover daarin mede wordt bepaald dat gedurende de beroepstermijn geen sprake is van opschortende werking. Daarmee zou eiser dan na de afwijzing van zijn asielaanvraag op 16 juli 2018 toch rechtmatig verblijf hebben in de zin van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000, welke bepaling in zoverre richtlijnconform moet worden uitgelegd, aldus verweerder. De rechtbank is echter van oordeel dat het aan de wetgever is om de Vw 2000 in overeenstemming te brengen met voornoemde jurisprudentie van het HvJEU en dat niet middels het buiten toepassing laten van een wettelijke bepaling kan worden bewerkstelligd dat de situatie van eiser alsnog kan worden geschaard onder artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000. Voor zover de rechtbank voornoemd standpunt van verweerder zou volgen, betekent dit overigens nog steeds niet dat eiser daarmee gedurende de termijn voor het instellen van beroep rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000. Rechtmatig verblijf op deze grond heeft een vreemdeling immers pas als hij in afwachting is van een rechterlijke beslissing op zijn ingediend beroepschrift, hetgeen in de door verweerder bedoelde periode (nog) niet het geval was.

15. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat eiser tegen het asielbesluit van 16 juli 2018 tijdig een beroep en een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend geen aanleiding voor een ander oordeel. Weliswaar zou eiser met de indiening van een verzoek om een voorlopige voorziening – gelet op het bepaalde in artikel 7.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) – mogelijk gelet op voornoemde jurisprudentie van het HvJEU rechtmatig verblijf kunnen hebben op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000, maar dit zou dan pas gelden op het moment van indiening van dit verzoek. Voor verlenging van de bewaring krachtens het eerste lid, onderdeel a, b of c, van de Vw 2000 op grond van het derde lid van artikel 59b van de Vw 2000 is echter vereist dat de vreemdeling ten tijde van de verlenging rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000. Daarvan is in het geval van eiser geen sprake, nu eiser pas ná 16 juli 2018 een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend, die hij – zoals ter zitting is gebleken – vervolgens ook weer (per abuis) heeft ingetrokken. Gelet op deze intrekking is ook thans geen sprake van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000, terwijl eiser nog wel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw 2000 in bewaring zit.

16. Uit het voorgaande vloeit voort dat het voortduren van de bewaring van eiser krachtens artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw 2000 onrechtmatig is geworden sedert 16 juli 2018.

17. Het beroep tegen het voortduren van de bewaring is gegrond en de rechtbank zal dan ook de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van heden bevelen.

18. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 22 dagen onrechtmatige bewaring van 22 x € 80,- (verblijf detentiecentrum) =

€ 1.760,-.

19. De rechtbank veroordeelt verweerder voorts in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart zich niet bevoegd kennis te nemen van het beroep tegen het separate verlengingsbesluit;

  • -

    verklaart het beroep tegen het voortduren van de bewaring gegrond;

  • -

    beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van heden;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.760,- (zeventienhonderdenzestig euro);

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.A. Buijs, rechter, in aanwezigheid van
H.J. Renders, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op: 7 augustus 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.