Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9743

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-07-2018
Datum publicatie
14-08-2018
Zaaknummer
C/09/554201 / KG ZA 18/563
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Uitleg bepaling koopovereenkomst betreffende een inspanningsverplichting om een omgevingsvergunning te verkrijgen. Rechtsgevolgen. 6:248 BW. Misbruik van bevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/554201 / KG ZA 18/563

Vonnis in kort geding van 13 juli 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOF WEST INVEST B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Naaldwijk, gemeente Westland,

eiseres,

advocaat mr. M.W. Renzen te Rotterdam,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.J. Sterrenburg te Naaldwijk, gemeente Westland.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘HWI’ en ‘ [gedaagde] ’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door [gedaagde] overgelegde producties;

- de op 29 juni 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

HWI drijft een onderneming die gericht is op projectontwikkeling. [gedaagde] is de eigenaar van de onroerende zaak, gelegen aan [adres] (hierna: het pand).

2.2.

HWI heeft in 2016 het plan opgevat om het gebied waar het pand en enkele omliggende panden/percelen zijn gelegen, te herontwikkelen. Zij heeft hiertoe begin 2017 een quickscan ingediend bij de gemeente Westland (hierna: de gemeente). Daarin beschrijft zij, kort gezegd, een plan, waarbij zij 10 eengezinswoningen en negentien parkeerplaatsen realiseert in een bouwstijl, vergelijkbaar met die van een langs hetzelfde water gelegen reeks bestaande woningen. Eind april 2017 heeft HWI een negatief advies daarop ontvangen. Zij is daarna verder in gesprek gegaan met de gemeente over het indienen van een haalbaar plan. HWI heeft [A] (hierna: [A] ) ingeschakeld om haar bij dit traject te begeleiden.

2.3.

HWI heeft op 7 oktober 2017 een schriftelijke koopovereenkomst met [gedaagde] gesloten (hierna: de koopovereenkomst) waarin melding wordt gemaakt van de koop van het pand door HWI van [gedaagde] . Hierin zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

Artikel 1:

“De voor de overdracht vereiste akte van levering zal worden verleden, ten overstaan van een van de notarissen verbonden aan Notariskantoor [Notariskantoor] (…) [plaats] , op 1 juli 2018, met inachtneming van hetgeen is bepaald in artikel 14, of zoveel eerder of later als door partijen nader wordt overeengekomen.”

Artikel 4 lid 1:

“Tot zekerheid voor de nakoming van zijn verplichtingen is koper verplicht binnen 10 dagen nadat deze overeenkomst door beide partijen is ondertekend een waarborg te storten bij de notaris tot een bedrag van: € 59.000,=”

Artikel 12:

“1. Een partij is in verzuim jegens de wederpartij als hij, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig is of blijft aan zijn verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst te voldoen (…)

2. Wanneer een partij in verzuim is, is deze verplicht de schade, die de wederpartij ten gevolge lijdt, te vergoeden. De wederpartij kan deze overeenkomst, zonder rechterlijke tussenkomst, ontbinden.

3. Wanneer het verzuim betrekking heeft op het meewerken aan de feitelijke levering en/of juridische levering dan wel op de voldoening van de koopprijs, zal de nalatige partij daarnaast, ten behoeve van de tegenpartij, een zonder rechtelijk tussenkomst opeisbare boete verbeuren. De hoogte van deze boete is gelijk aan tien procent van de totale koopprijs. (…)

De notaris wordt bij deze onherroepelijk bevoegd verklaart om, na verloop van de genoemde termijn van acht dagen:

- indien koper in verzuim is, het bedrag van de door deze verschuldigde boete, indien verkoper dit wenst, aan verkoper te betalen uit de bij de notaris door koper (…) gestorte bedragen (…)

(…)”

Artikel 14:

“Indien uiterlijk op 15 juni 2018 geen omgevingsvergunning is verleend die onherroepelijk casu quo rechtens onaantastbaar is geworden komen partijen overeen om in afwijking van artikel 1 van deze overeenkomst de leveringsdatum te verplaatsen naar 1 september 2018.

Indien uiterlijk op 15 augustus 2018 geen omgevingsvergunning is verleend die onherroepelijk casu quo rechtens onaantastbaar is geworden komen partijen overeen de leveringsdatum te verplaatsen naar 1 december 2018.

Indien uiterlijk op 1 december 2018 geen omgevingsvergunning is verleend die onherroepelijk casu quo rechtens onaantastbaar is geworden komen partijen overeen de leveringsdatum te verplaatsen naar de dag waarop de omgevingsvergunning onherroepelijk casu quo rechtens onaantastbaar is geworden.

Deze overeenkomst kan, onverlet het bovenstaande, door koper worden ontbonden, indien uiterlijk op 15 november 2018 geen omgevingsvergunning is verleend die onherroepelijk casu quo rechtens onaantastbaar is geworden. De koper dient de ontbinding uiterlijk binnen twee weken na 15 november 2018 schriftelijk in te roepen.”

2.4.

HWI heeft ook de twee omliggende panden/percelen gekocht.

2.5.

Om 20 november 2017 heeft [A] aan HWI bericht dat zij, verkort weergegeven, enkele dagen daarvoor een terugkoppeling van de gemeente heeft ontvangen naar aanleiding van het laatste gesprek op 26 september 2017. In het betreffende e-mailbericht staat voorts onder meer vermeld:

“(…) Op basis van de conclusies in de quickscan hebben wij de gemeente verzocht een afspraak in te plannen, zodat er een haalbaar plan ingediend kon worden. Volgens hebben wij (…) over een lange periode diverse mogelijke haalbare varianten uitgewerkt en zij wij daarover zoals je weet meerdere keren in gesprek geweest met de gemeente Westland.

Er is getracht de wensen van de gemeente Westland zo goed mogelijk in de ontwerpen op te nemen. Het laatste gesprek op 26 september 2017 was bedoeld om de uitgangspunten van de gemeente inzichtelijk te maken, gezien wij te maken hebben gehad met diverse contactpersonen. De verwachting van onze kant was om de laatste uitgangspunten van gemeente door te nemen, waarbij wij echter werden geconfronteerd met een nieuw uitgangspunt, te weten: de vaarnota van de gemeente Westland. Uit de reactie van de gemeente Westland, de mail d.d. 16 november 2017 van mevrouw [x] , is gebleken dat alleen akkoord kon worden gegeven op de massa van de woningen bij een variant met 7 goedkopere rijwoningen en 4 betaalbare appartementen.

Ons advies is om op basis van de nu is uitgekomen wensen van gemeente Westland geen verdere (ontwikkelingsstappen) te ondernemen vanwege de hoge kosten die nog dienen te worden, zoals voorbereidingskosten (à € 15.000,-) en architect kosten voor tekeningen (à € 35.000,-) die voor de aanvraag van de omgevingsvergunning en bouwvergunning benodigd zijn. Daarnaast betwijfelen wij de financiële haalbaarheid van het ontwerp conform de wensen van de gemeente.

(…)”

2.6.

HWI heeft [gedaagde] begin 2018 op de hoogte gesteld van het standpunt van de gemeente, inhoudende dat de gemeente niet bereid is om een omgevingsvergunning af te geven voor de plannen die HWI in 2016 en 2017 heeft gemaakt voor de herontwikkeling van het gebied. HWI heeft verder aan [gedaagde] meegedeeld, verkort weergegeven, dat met het plan waarvoor de gemeente wel akkoord wil geven er geen kostendekkende ontwikkeling mogelijk is en zij geen alternatief plan kan bedenken waar de gemeente mee zal instemmen en waar HWI nog iets aan kan overhouden. HWI heeft daarbij aan [gedaagde] aangeboden een vergoeding te betalen voor de tijd en kosten die de makelaar van [gedaagde] (hierna: [de Makelaar] ) heeft gemaakt. HWI wijst [gedaagde] erop dat en waarom het standpunt dat [de Makelaar] al richting HWI heeft ingenomen, te weten dat [gedaagde] door het vorenstaande aanspraak kan maken op de waarborgsom van € 59.000,- (hierna: de waarborgsom) niet juist is. HWI verzoekt [gedaagde] om ermee in te stemmen dat de koopovereenkomst met wederzijds goedvinden wordt ontbonden, zodat zij de waarborgsom van de notaris terug kan ontvangen en niet hoeft te wachten tot de datum waarop zij volgens de koopovereenkomst een beroep kan doen op de ontbindende voorwaarde.

2.7.

[de Makelaar] heeft daarop namens [gedaagde] aan HWI bericht, verkort weergegeven, dat er kennelijk wel een omgevingsvergunning kan worden verkregen, zodat [gedaagde] zich afvraagt waarom die niet wordt aangevraagd. Hij wijst er daarbij op dat kennelijk al in april 2017 en dus ruim vóór het sluiten van de koopovereenkomst duidelijk was dat het oorspronkelijke plan van HWI geen doorgang kon vinden. Het is volgens [de Makelaar] de eigen keuze van HWI om de bouw niet door te laten gaan – hetgeen ook blijkt uit de omstandigheid dat de andere percelen inmiddels weer doorverkocht zijn – en de omgevingsvergunning niet aan te vragen. Daarmee kan echter niet gesteld worden dat alles is gedaan om tot realisatie te komen en dit maakt volgens hem niet dat HWI de koopovereenkomst niet meer hoeft na te komen.

3 Het geschil

3.1.

HWI vordert – zakelijk weergegeven – [gedaagde] te bevelen om binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis schriftelijk aan notariskantoor [Notariskantoor] te [plaats] te berichten dat de waarborgsom moet worden vrijgegeven aan HWI, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag of gedeelte daarvan, met een maximum van € 60.000,-, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert HWI – samengevat – het volgende aan. Alhoewel HWI daartoe op grond van de koopovereenkomst niet verplicht was, heeft zij zich zeer ingespannen om een omgevingsvergunning te verkrijgen om de door haar beoogde ontwikkeling te kunnen realiseren. Toen duidelijk werd dat dit niet ging lukken, heeft zij ervoor gekozen haar verlies te slikken en geen vergunning aan te vragen. De daaraan verbonden kosten werden geschat op € 50.000,- terwijl inmiddels duidelijk was dat alleen een vergunning kon worden verkregen voor een alternatief – maar verlieslijdend – plan. Redelijkerwijs kan niet van HWI worden verwacht dat zij daarvoor een omgevingsvergunning aanvraagt. Gezien het vorenstaande staat nu al vast dat de koopovereenkomst binnen twee weken na de in die overeenkomst genoemde datum van 15 november 2018 rechtsgeldig zal worden ontbonden, waarna de waarborgsom aan HWI terug zal worden betaald. Er zal immers niet (tijdig) een omgevingsvergunning worden verkregen. [gedaagde] maakt misbruik van recht en handelt onrechtmatig door te weigeren om de waarborgsom nu al vrij te geven dan wel mee te werken aan een ontbinding van de koopovereenkomst. HWI heeft een spoedeisend belang bij vrijgave van de waarborgsom, omdat zij het bedrag heeft geleend bij een derde en daar een aanzienlijke rente over moet betalen, terwijl zij bij terugbetaling het geld weer kan investeren om daarmee een rendement te realiseren.

3.3.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat in dit geding door HWI wordt gevorderd om een voorlopige ordemaatregel te treffen. De vraag of die voorziening kan worden verleend is afhankelijk van de uitkomst van een beoordeling van de voorlopige merites van de zaak en van een afweging van de belangen van partijen. Bij de hiervoor bedoelde beoordeling dienen de vragen te worden beantwoord of (in een bodemprocedure naar alle waarschijnlijkheid zal worden geoordeeld dat):

  1. HWI heeft voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de koopovereenkomst voor het doen van een gerechtvaardigd beroep op ontbinding van de koopovereenkomst, en

  2. HWI daar nu al een beroep op kan doen, met als gevolg dat de waarborgsom aan haar terug moet worden gestort,

een en ander zoals HWI stelt, maar [gedaagde] betwist.

Vraag 1

Uitleg artikel 14

4.2.

Bij de beoordeling van de eerste vraag is het van belang om vast te stellen welke verplichtingen er voor HWI voortvloeien uit artikel 14 van de koopovereenkomst. Partijen verschillen daarover met elkaar van mening. Die vraag naar de inhoud van de door partijen overeengekomen regeling kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van de overeenkomst. Het komt tevens aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.3.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat HWI op grond van dit artikel gehouden is om een omgevingsvergunning aan te vragen voor een (of ieder) plan, waarmee de gemeente akkoord wil gaan. Naar de voorzieningenrechter begrijpt is volgens [gedaagde] redengevend hiervoor dat HWI in dit kader geen voorbehoud heeft gemaakt in de koopovereenkomst, zij meerdere plannen heeft gehad, die zij met [de Makelaar] heeft gedeeld en waarover zij ook overleg heeft gehad met de gemeente. Mocht dit al anders zijn, dan dient zij hoe dan ook een aanvraag in te dienen, aldus (wederom naar de voorzieningenrechter begrijpt) [gedaagde] . HWI meent primair dat er voor haar geen enkele verplichting voortvloeit uit artikel 14. Mocht dit anders zijn dan vloeit volgens HWI uit dat artikel in ieder geval geen verplichting voor haar voort om een aanvraag te doen, maar hoogstens om zich in te spannen om een omgevingsvergunning te verkrijgen. Die verplichting strekt volgens HWI uitdrukkelijk niet zover dat die inspanning betrekking zou moeten hebben op ieder plan waarmee de gemeente akkoord wil gaan. Het zou volgens haar moeten gaan om een plan dat is gebaseerd op de quickscan, met enkele aanpassingen die de gemeente ertoe zouden kunnen bewegen om met het plan in te stemmen, maar die niet zodanig ingrijpend zijn dat daardoor naar de inschatting van HWI geen winst meer op het project kan worden gemaakt.

4.4.

De voorzieningenrechter volgt HWI in die laatste (subsidiaire) uitleg van hetgeen partijen in artikel 14 zijn overeengekomen. Alhoewel de tekst van dat artikel geen melding maakt van enige verplichting van HWI is – gezien het doel van het opnemen van het artikel, hetgeen tussen partijen daarover is besproken en het moment waarop de koopovereenkomst is gesloten – duidelijk dat [gedaagde] in redelijkheid van HWI mocht verwachten dat zij zich zou inspannen om een omgevingsvergunning te krijgen. HWI is op grond van artikel 6:23 van het Burgerlijk Wetboek (BW) overigens ook gehouden om de “niet-vervulling” van de voorwaarde niet te beletten (althans, als zij dat wel zou doen dan geldt de voorwaarde als vervuld, indien de redelijkheid en billijkheid dat verlangen). Het primaire standpunt van HWI wordt dan ook verworpen. Voormelde gehoudenheid van HWI strekt echter niet zover dat zij een aanvraag zou moeten doen, indien op grond van het veelvuldig met de gemeente gevoerde overleg al op voorhand vaststaat dat daarvoor geen vergunning zal worden verleend. Dan dient het doen van een aanvraag immers geen doel, maar brengt dat enkel kosten met zich. Dat partijen dat hebben beoogd blijkt nergens uit. Voor zover [gedaagde] zich subsidiair op dat standpunt heeft gesteld, wordt daaraan dan ook voorbij gegaan.

4.5.

Wat betreft de inhoud van het plan heeft te gelden dat genoegzaam is gebleken dat beide partijen er ten tijde van het tekenen van de koopovereenkomst van uitgingen dat HWI bereid was om aanpassingen door te voeren op het oorspronkelijke plan, zoals omschreven in de quickscan. Op dat moment was immers aan de zijde van HWI al duidelijk dat de gemeente – gezien het afgegeven negatieve advies op de quickscan – aanpassingen noodzakelijk achtte. HWI was daar ook al mee bezig. [de Makelaar] is door HWI ook deelgenoot gemaakt van mogelijke varianten op dat plan. Hij (en daarmee ook [gedaagde] ) mocht er dus vanuit gaan dat HWI daar werk van zou maken. In zoverre wordt [gedaagde] gevolgd in zijn standpunt dat hij niet heeft hoeven begrijpen dat slechts ten aanzien van het ene specifieke plan als omschreven in de quickscan getracht zou worden een omgevingsvergunning te verkrijgen. Aan het standpunt van [gedaagde] dat de ontbindende voorwaarde ongeldig is, omdat al vast stond dat voor dat ene specifieke plan geen omgevingsvergunning kon worden verkregen, wordt gelet op vorenstaande voorbij gegaan.

4.6.

Niet kan worden aangenomen dat partijen met de ontbindende voorwaarde hebben beoogd om HWI als het ware te verplichten om zo nodig zodanig grote aanpassingen op het plan door te voeren, dat daarmee het karakter van het plan geheel zou wijzigen en dat naar de verwachting van HWI geen winstgevend project meer zou kunnen worden gedraaid. Niet alleen biedt de tekst van de koopovereenkomst geen enkel aanknopingspunt daarvoor, maar het ligt ook allerminst voor de hand dat een onderneming met een winstoogmerk zich in een situatie als de onderhavige daartoe zou willen binden. [gedaagde] heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden én die maken dat [gedaagde] dat ook aldus heeft begrepen en mogen begrijpen. De omstandigheid dat dit in de koopovereenkomst niet is gespecificeerd maakt dit, anders dan [gedaagde] meent, juist níet aannemelijk, zoals HWI terecht heeft opgemerkt. Indien partijen hadden beoogd om een zodanig concrete verplichting aan HWI op te leggen, had het voor de hand gelegen om dat nu juist wél in de koopovereenkomst te specificeren. Maar daarin is nu juist geen enkele verplichting van HWI opgenomen. De voorzieningenrechter heeft bij dit een en ander ook acht geslagen op de uitvoerige toelichting van HWI ter zitting dat en hoe zij met haar oorspronkelijke plan een (aanzienlijke) winst verwachtte te kunnen genereren (heel kort gezegd door woningen in het duurdere segment te bouwen aan het water, hetgeen op die plek relatief eenvoudig zou kunnen worden gerealiseerd) en dat en waarom dit met de door de gemeente voorgestane variant (goedkopere/betaalbare starterswoningen en -appartementen) niet mogelijk is.

Voldaan aan artikel 14?

4.7.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting kan genoegzaam worden afgeleid dat HWI aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan. Ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst was zij druk doende was met het (laten) uitwerken van haalbare varianten en in afwachting van het resultaat van het kort daarvoor met de gemeente gevoerde gesprek, zo blijkt genoegzaam uit de brief van [A] als vermeld onder 2.5. Ook heeft HWI aannemelijk gemaakt dat zij daarvoor aanzienlijke kosten heeft gemaakt, hetgeen zij niet zou hebben gedaan als zij geen resultaat beoogde. Uit voormelde brief blijkt evenzeer dat en waarom het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor een dergelijk haalbaar plan niet mogelijk is gebleken. [gedaagde] heeft ook niet geconcretiseerd wat in dit opzicht nog meer van HWI verwacht had mogen worden, anders dan dat zij meent dat hij ook daadwerkelijk een vergunning had moeten aanvragen. Dat dit niet van HWI kan worden verlangd, blijkt echter reeds uit hetgeen hiervoor is overwogen.

Vraag 2

4.8.

Het vorenstaande in aanmerking nemende, kan thans reeds worden vastgesteld dat op 15 november 2018 geen omgevingsvergunning zal zijn verleend die onherroepelijk dan wel rechtens onaantastbaar is geworden en dat HWI de koopovereenkomst zal kunnen ontbinden op grond van artikel 14 van de koopovereenkomst. Dan is vervolgens de vraag wat de gevolgen zijn in die situatie, waarin dit reeds vaststaat ruim voordat op grond van de tekst van de overeenkomst de ontbinding kan worden ingeroepen (binnen twee weken na 15 november 2018) en waarbij HWI al een beroep doet op de ontbinding.

4.9.

In de overeenkomst is hierover niets bepaald en er zijn ook geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die maken dat kan worden aangenomen dat partijen hebben beoogd om voor die situatie een regeling te treffen. Echter, op grond van artikel 6:248 BW heeft een overeenkomst niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vloeit daar uit voort dat de ontbinding al eerder moet kunnen worden ingeroepen in een situatie waarin – zoals hier het geval is – i) vaststaat dat de ontbindende voorwaarde zal intreden, ii) vaststaat dat de overeenkomst dientengevolge niet meer behoeft te worden nagekomen en iii) vaststaat dat de waarborgsom, die zich bevindt onder de notaris, weer toekomt aan degene die deze heeft gestort. Niet terugbetalen van de waarborgsom dient in die situatie immers geen enkel doel. Noch [gedaagde] noch HWI kunnen daar in de tussentijd over beschikken. [gedaagde] heeft ook geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd, waaruit kan worden afgeleid dat dit anders zou zijn.

4.10.

Overigens, ook indien deze rechtsgevolgen niet zouden voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid, dan maken de hiervoor vermelde omstandigheden dat [gedaagde] de bevoegdheid om de waarborgsom niet terug te betalen niet kan inroepen. Hij zou die bevoegdheid dan immers misbruiken. Hiervan is op grond van artikel 3:13 lid 2 BW onder meer sprake indien een bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Dat het in het belang van HWI is om weer over zijn geld te kunnen beschikken staat vast, daargelaten of zij het bedrag al dan niet heeft geleend. [gedaagde] heeft enkel gewezen op zijn belang bij het veiligstellen van zijn vorderingen uit hoofde van de koopovereenkomst, maar van dergelijke vorderingen is nu juist geen sprake in deze situatie waarin nu al duidelijk is dat een gerechtvaardigd beroep kan worden gedaan op ontbinding van de overeenkomst. Enig ander belang van [gedaagde] bij het nog enige maanden in depot laten staan van het bedrag van de waarborgsom bij de notaris is gesteld noch gebleken.

Conclusie

4.11.

Al het vorenstaande leidt tot de conclusie dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten is dat de bodemrechter niet alleen tot het oordeel zal komen dat HWI rechtsgeldig de ontbinding van de koopovereenkomst kan inroepen maar ook dat, als de bodemrechter daarover op dit moment zou oordelen, HWI daar nu al toe kan overgaan en aanspraak kan maken op terugbetaling van de waarborgsom. Een belangenafweging kan niet tot een ander oordeel leiden, zo volgt uit hetgeen onder 4.10 is overwogen. Onder deze omstandigheden kan van HWI niet worden gevergd dat zij nog langer op haar geld wacht. Dit maakt dat zij ook een voldoende spoedeisend belang heeft bij deze ordemaatregel. Daarmee strookt niet het achterwege laten van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zoals [gedaagde] heeft verzocht. Dat verzoek zal dan ook niet worden gehonoreerd.

4.12.

Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen.

4.13.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

beveelt [gedaagde] om binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis schriftelijk aan notariskantoor [Notariskantoor] te [plaats] te berichten dat de waarborgsom moet worden vrijgegeven aan HWI, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag of gedeelte daarvan, met een maximum van € 60.000,-;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van HWI begroot op € 1.688,57, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat, € 626,-- aan griffierecht en € 82,57 aan dagvaardingskosten, in voorkomende gevallen te vermeerderen met btw;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2018.

ts