Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9730

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
NL17.3430
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, Iraans, problemen met Herasat vanwege werkzaamheden als internationaal scheidsrechter en bekering tot het christendom

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.3430


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. T. Thissen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. J.R. Toussaint).


Procesverloop
Bij besluit van 2 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in de verlengde asielprocedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is T. Merian als tolk ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1964 en heeft de Iraanse nationaliteit. Hij heeft op 1 november 2015 de onderhavige aanvraag ingediend.

2. Eiser heeft – samengevat weergegeven – aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in 2001 is opgepakt en na een vals proces is veroordeeld tot veertig zweepslagen. Voorts heeft eiser als gevolg van zijn werkzaamheden als trainer en internationaal scheidsrechter in 2007-2008 en in 2014 incidenten meegemaakt, waarvoor hij tot juni 2015 meermalen is opgeroepen en verhoord door Herasat. Eiser werd verweten dat hij in 2007-2008 als scheidsrechter voor een Israëlische sporter heeft opgetreden en in 2014 in Myanmar de hand van een vrouw heeft geschud. Op 23 oktober 2015 stond een nieuwe afspraak om te verschijnen bij Herasat gepland. Eiser is bovendien bekeerd tot het christendom en staat daardoor in de negatieve aandacht van de inlichtingendienst en de Iraanse autoriteiten.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 afgewezen als ongegrond en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiser als relevant gekwalificeerd:

1) identiteit, nationaliteit en herkomst;

2) incident in 2001;

3) werkzaamheden als trainer en internationale scheidsrechter en de daaruit voortvloeiende incidenten in 2007/2008 en 2014;

4) oproepen door Herasat tot juni 2015;

5) bekering tot het christendom en de daaruit voortvloeiende problemen.

Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Bovendien heeft verweerder het incident in 2001 en de werkzaamheden van eiser als trainer en internationaal scheidsrechter en de daaruit voortvloeiende incidenten in 2007-2008 en 2014 geloofwaardig geacht. Daarentegen heeft verweerder de oproepen door Herasat tot juni 2015 evenals de bekering tot het christendom en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig geacht.

Wat betreft de ondervonden problemen heeft verweerder de daaraan door eiser ontleende vermoedens over wat hem bij terugkeer te wachten staat niet aannemelijk geacht. Eiser kan daarom niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) (het Vluchtelingenverdrag) en heeft ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe in beroep – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de problemen met Herasat ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft ook ten onrechte de bekering tot het christendom ongeloofwaardig geacht. In dit verband heeft eiser een rapport van prof. dr. J.W. van Saane van 29 augustus 2017 (het rapport van Van Saane) overgelegd.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de oproepen door Herasat tot en met juni 2015 niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Zo heeft verweerder kunnen overwegen dat niet valt in te zien dat eiser vanwege de gebeurtenissen in 2007-2008 tot en met juni 2015 is opgeroepen en verhoord. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt wat er precies zou zijn besproken tijdens deze verhoren en met welk doel de Herasat hem heeft verhoord. De verklaring van eiser dat ze hem opriepen omdat zij hem onder druk wilden zetten en misschien informatie over zijn bezigheden wilden, is slechts een niet nader onderbouwd vermoeden. Hoewel eiser na het incident in 2007-2008 niet meer als scheidsrechter voor Kagare en alleen nog als scheidsrechter bij Kata mocht optreden en in 2010 zijn bacheloropleiding in sportzaken niet mocht afronden, heeft verweerder het bevreemdend kunnen vinden dat eiser desondanks als scheidsrechter werkzaam kon blijven en naar het buitenland heeft kunnen afreizen voor toernooien. Tot slot getuigt de omstandigheid dat eiser niet direct met zijn ploeg begin oktober 2015 is afgereisd naar Nederland maar heeft gewacht op de terugkeer van zijn ploeg en pas op 15 oktober 2015 is vertrokken, niet van een acute vrees voor vervolging door de Iraanse autoriteiten. Indien eiser vreesde dat de Iraanse autoriteiten achter zijn bekering tot het christendom waren gekomen, valt niet in te zien dat hij na het ontvangen van een oproep om voor de Herasat te verschijnen nog tweeëneenhalve maand besluit te wachten alvorens het land te verlaten.

8. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), onder meer de uitspraak van 6 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:762), blijkt dat verweerder een vaste gedragslijn toepast bij het onderzoek naar de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging. Deze vaste gedragslijn houdt in dat verweerder een vreemdeling vragen stelt die – voor zover toepasselijk in het concrete geval – grofweg worden onderverdeeld in vragen over de motieven voor en het proces van bekering, waaronder de betekenis en praktische uitvoering van een eventuele doop en doopplechtigheid, en over de persoonlijke betekenis van de bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling. Voorts betreft het vragen die betrekking hebben op algemene, basale kennis van de geloofsleer en geloofspraktijk. Ten slotte verwacht verweerder dat een vreemdeling die stelt dat kerkgang onderdeel is van zijn geloofsovertuiging, daarover vragen weet te beantwoorden, bijvoorbeeld waar de kerk zich bevindt die hij bezoekt, op welk tijdstip de dienst of de mis plaatsvindt, en hoe deze verloopt. Soortgelijke vragen stelt verweerder ook over andere door een vreemdeling genoemde uitingen van zijn gestelde geloofsovertuiging, zoals evangeliseringsactiviteiten.

8.2.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het geval van eiser volgens de voormelde gedragslijn heeft gehandeld en is van oordeel dat verweerder de gestelde bekering van eiser tot het christendom niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Zo heeft verweerder kunnen overwegen dat eiser zijn afkeer van de islam niet aannemelijk heeft gemaakt. Met zijn verklaringen dat hij tegenstrijdigheden in de islam zag en in andere landen, zoals Myanmar en Japan, vriendelijk en gastvrij werd behandeld, heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt waarom hij zich van de islam heeft afgekeerd. Verweerder heeft de voorbeelden die eiser geeft oppervlakkig kunnen vinden. Eiser heeft zijn interesse in het christendom en reden van verdieping in het christelijk geloof ook niet aannemelijk weten te maken. Verweerder heeft het, gelet op de Iraanse context waarin een bekering tot een ander geloof dan de islam de doodstraf tot gevolg kan hebben, opmerkelijk en ongeloofwaardig kunnen vinden dat eiser na een ontmoeting met zijn oom die hem aanraadt kennis te maken met het christendom besluit om een week later een kerk te bezoeken. Dat eiser heeft ervaren dat christenen lieve en rustige mensen zijn en hij deze rust ook wilde bereiken, heeft verweerder een onvoldoende verklaring kunnen vinden. Het is voorts bevreemdend dat eiser pas tijdens zijn kerkbezoek op de hoogte zou zijn geraakt van de gevolgen van een bekering in Iran, nu hij heeft verklaard dat hij zijn hele leven al omgaat met christenen en met zijn oom en vriend Vahik over het christelijk geloof heeft gesproken. Eisers verklaringen over wat hem precies aan heeft getrokken in het christendom, waarbij hij voornamelijk wijst op de rust die hij bij christenen ziet, heeft verweerder ontoereikend kunnen vinden. Eiser heeft hierover slechts summier en oppervlakkig verklaard. Zijn verklaringen getuigen niet van voldoende diepgang of een persoonlijke motivatie voor het christendom. De omstandigheid dat eiser zich aangetrokken voelt tot een groep mensen in Nederland bij wie hij zich prettig voelt, maakt nog niet dat sprake is van een bekering tot het christendom.

8.3.

Hoewel eiser basale kennis heeft over het christendom, maakt dit op zichzelf beschouwd nog niet dat de gestelde bekering geloofwaardig is. Verweerder mag doorslaggevend gewicht toekennen aan de verklaringen van de vreemdeling omtrent de motieven voor en het proces van bekering. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 28 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:4065). Verweerder heeft het voorts bevreemdend kunnen vinden dat eiser niet bij benadering kan aangeven waar zijn lievelingsverhaal in de Bijbel staat, nu hij heeft verklaard dat hij zich actief bezig houdt met het christelijk geloof.

8.4.

Met de overgelegde stukken, te weten de kopie van de doopakte, de video van zijn doop en de verklaringen van geloofsgenoten heeft eiser zijn bekering tot het christendom ook niet aannemelijk gemaakt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, zoals de uitspraak van 6 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:890), volgt dat een doopakte kan dienen ter staving van de gestelde bekering van een vreemdeling, maar onverlet laat dat die vreemdeling (ook) tegenover verweerder overtuigende verklaringen af moet kunnen leggen over zijn bekering en het proces dat daartoe heeft geleid. Hetzelfde geldt voor verklaringen van kerkelijke instanties en anderen. Hiertoe verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Afdeling van 31 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2546) en 30 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3514). Zoals hiervoor reeds is overwogen, is eiser er niet in geslaagd om overtuigende verklaringen af te leggen over zijn bekering en het proces dat daartoe heeft geleid.

8.5.

Wat betreft het overgelegde rapport van Van Saane overweegt de rechtbank dat hieraan door verweerder geen doorslaggevend gewicht hoeft te worden toegekend. Verweerder verricht, anders dan Van Saane, een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling van alle verklaringen van een vreemdeling. In het kader van die beoordeling richt verweerder zich bij zijn onderzoek en beoordeling van de asielaanvraag niet alleen op de verklaringen van een vreemdeling over zijn gestelde bekering, zoals in het rapport van Van Saane, maar verricht verweerder een op de persoon van de vreemdeling toegespitste geloofwaardigheidsbeoordeling. Bij de beoordeling van de verklaringen kent verweerder bijzonder gewicht toe aan de onderlinge samenhang van een asielrelaas en verricht hij een weging van door hem al dan niet geloofwaardig geachte elementen, die bepalend zijn voor zijn standpunt over de geloofwaardigheid van een asielrelaas als geheel. Verweerder doet dit aan de hand van de door die vreemdeling afgelegde verklaringen en eventueel overgelegde documenten, die hij beziet tegen de achtergrond van de verklaringen van een vreemdeling over zijn omgeving en herkomst, zoals de houding van de autoriteiten in het land van herkomst of de maatschappelijke opvattingen over het zich afwenden van de islam en het zich bekeren tot het christendom en wat verweerder overigens bekend is over andere vreemdelingen die bekeerd zijn in vergelijkbare situaties. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 30 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3502).

9. Gelet op het voorgaande, is het asielrelaas van eiser met betrekking tot zijn bekering tot het christendom en de omstandigheid dat hij vanwege de incidenten in 2007-2008 en 2014 tot en met juni 2015 door de Herasat zou zijn opgeroepen niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Om die reden komt eiser dan ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.

10. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.