Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9719

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-08-2018
Datum publicatie
14-08-2018
Zaaknummer
C-09-555314-KG ZA 18-644
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Berekening ‘aftrek voorarrest’, nadat de uitspraken – als gevolg van rechtsmiddelen – niet voor alle (in eerste aanleg in één dagvaarding) ten laste gelegde feiten op hetzelfde moment onherroepelijk zijn geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/555314 / KG ZA 18-644

Vonnis in kort geding van 14 augustus 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] , doch thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [locatie] ,

eiser,

advocaat mr. A. Comans te Amsterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Justitie en Veiligheid),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. T.I. ten Kroode te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ' [eiser] ' en 'de Staat'.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties;

- de brief van de Staat van 25 juli 2018, met producties;

- de brief van [eiser] van 27 juli 2018, met productie;

- de op 31 juli 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Staat pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 17 december 2010 is [eiser] veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar, met aftrek van voorarrest wegens - kort gezegd - , (i) het medeplegen van voorbereiding van een gewapende overval, (ii) doodslag (iii) opzetheling van een motorscooter, (iv) bedreiging van een ziekenhuismedewerker, (v) belediging van een verbalisant, (vi) belediging (2x), (vii) bedreiging, (viii) mishandeling en (ix) opzetheling. Daarbij is [eiser] vrijgesproken van bedreiging van zijn levensgezel.

2.2.

[eiser] en het Openbaar Ministerie ('OM') hebben hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis.

2.3.

In verband met de onder 2.1 sub (i) tot en met (iii), (vii) en (viii) vermelde delicten heeft [eiser] in voorarrest gezeten. Deze is op 9 mei 2012 opgeheven door het gerechtshof Arnhem. In totaal had [eiser] toen 851 dagen in voorarrest doorgebracht, waarvan 844 dagen wegens de in januari 2010 gepleegde delicten sub (i) tot en met (iii).

2.4.

Bij arrest van 29 mei 2012 heeft het gerechtshof Arnhem [eiser] vrijgesproken van de hem ten laste gelegde doodslag en hetgeen hem ter zake van hetzelfde feitencomplex (meer) subsidiair ten laste was gelegd. Voor wat betreft de overige feiten ter zake waarvan [eiser] op 17 december 2010 was veroordeeld, is hij bij dat arrest veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden (720 dagen), met aftrek van voorarrest.

2.5.

Het OM heeft beroep in cassatie ingesteld tegen dat arrest.

2.6.

Bij arrest van 17 december 2013 heeft de Hoge Raad het arrest van 29 mei 2012 vernietigd voor zover [eiser] daarbij was vrijgesproken en de zaak ter verdere afdoening verwezen naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch. In het arrest overweegt de Hoge Raad onder meer dat het cassatieberoep kennelijk uitsluitend is gericht tegen die vrijspraak.

2.7.

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft vervolgens - bij arrest van 20 juni 2016 - [eiser] veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar wegens het Medeplegen van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige geen voorrang heeft verleend, wat hem subsidiair ten laste was gelegd, onder de bepaling dat de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

2.8.

[eiser] heeft beroep in cassatie ingesteld tegen dat arrest.

2.9.

Bij arrest van 20 februari 2018 heeft de Hoge Raad het arrest van 20 juni 2016 uitsluitend vernietigd voor wat betreft de duur van de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf en deze verminderd tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en tien maanden (1395 dagen).

2.10.

Bij brief van 27 februari 2018 is [eiser] opgeroepen zichzelf te melden bij de penitentiaire inrichting [locatie] voor het ondergaan van (het restant van) de gevangenisstraf. [eiser] heeft daaraan voldaan en verblijft sinds 5 maart 2018 in detentie.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - zakelijk weergegeven - de Staat te verbieden na het verstrijken van 559 dagen na de zelfmelding op 5 maart 2018 de executie van de gevangenisstraf voort te zetten en de Staat te bevelen hem vanaf dat moment in vrijheid te stellen, met veroordeling van de Staat in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Daartoe voert [eiser] - samengevat - het volgende aan, althans zo begrijpt de voorzieningenrechter.

De Staat stelt zich op het standpunt dat [eiser] na zijn zelfmelding op 5 maart 2018 nog 799 dagen in detentie moet doorbrengen, als gevolg waarvan hij pas op 12 mei 2020 voorwaardelijk in vrijheid zal worden gesteld. De daaraan ten grondslag gelegde berekening deugt echter niet, in het bijzonder doordat de dagen die [eiser] in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht integraal worden toegerekend aan de door het gerechtshof Arnhem opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden, welke straf nog niet ten uitvoer is gelegd. Op grond van het bepaalde in artikel 15 lid 5 van het Wetboek van strafrecht ('Sr') moeten de door het gerechtshof Arnhem en de Hoge Raad opgelegde gevangenisstraffen bij elkaar worden opgeteld, wat uit komt op een totaal van 2115 dagen gevangenisstraf (1395 +720). Dit brengt mee dat [eiser] na 1410 dagen (2115 x 2/3) voorwaardelijk in vrijheid dient te worden gesteld. Na aftrek van de 851 dagen die [eiser] in voorarrest heeft doorgebracht, resteren na zijn zelfmelding nog 559 dagen gevangenisstraf ter executie vóór de voorwaardelijke invrijheidstelling. Voor het hanteren van die berekeningswijze is reden te meer nu (a) het door [eiser] ondergane voorarrest voor het allergrootste deel betrekking heeft op de verdenking van doodslag en het op hetzelfde feitencomplex betrekking hebbende (meer) subsidiaire ten laste gelegde en dus moet worden toegerekend aan de door de Hoge Raad op 20 februari 2018 opgelegde gevangenisstraf en (b) de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling met betrekking tot de mededader ter zake van de onder 2.1 sub (i) tot en met (iii) genoemde delicten niet is berekend op dezelfde wijze als ten aanzien van [eiser] , zodat sprake is van een ongerechtvaardigde ongelijkheid.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Vooropgesteld wordt dat in het wettelijke stelsel besloten ligt dat het OM een onherroepelijke, veroordelende beslissing van de strafrechter niet alleen mag, maar ook (ongewijzigd) moet ten uitvoer leggen en wel zo spoedig mogelijk.

4.2.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet ervan worden uitgegaan dat het arrest van het gerechtshof Arnhem van 29 mei 2012 voor wat betreft de daarin bewezen verklaarde feiten en de veroordeling van [eiser] tot 24 maanden gevangenisstraf in ieder geval onherroepelijk werd na het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2013. Hierin is het arrest van 29 mei 2012 immers slechts vernietigd voor zover [eiser] daarbij werd vrijgesproken van hem ten laste gelegde feiten en is de zaak enkel voor wat betreft die feiten verwezen naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Het gerechtshof Den Bosch heeft dat ook uitdrukkelijk overwogen in zijn arrest van 20 juni 2016. Overigens lijkt [eiser] dat op zichzelf ook niet te betwisten.

4.3.

Gelet op het voorgaande en op het bepaalde in artikel 561 van het Wetboek van strafvordering was het OM verplicht om het onherroepelijke deel van het arrest van 20 juni 2016 zo spoedig mogelijk ten uitvoer te leggen. Nu [eiser] al 851 dagen in voorarrest had doorgebracht en hij door het gerechtshof Arnhem was veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, ofwel 720 dagen, was deze straf al geëxecuteerd. Daaraan doet niet af dat het allergrootste deel van het door [eiser] ondergane voorarrest voortvloeide uit de tegen hem gerezen verdenking van doodslag, waarvan hij in dat arrest was vrijgesproken. Voorarrest wordt immers in mindering gebracht zonder onderscheid te maken tussen de feiten waarvoor deze is bevolen. Het maken van onderscheid is ook niet mogelijk. Zoals hiervoor onder 2.3 aangegeven heeft [eiser] in voorlopige hechtenis gezeten in verband met verschillende verdenkingen en valt uit de daartoe strekkende beslissingen voor wat betreft de onder 2.1 sub (i) tot en met (iii) bedoelde delicten niet op te maken in hoeverre de 844 dagen, die [eiser] ter zake van die drie verdenkingen in totaal in voorarrest heeft doorgebracht, moeten worden toegerekend aan ieder van die delicten. Het gerechtshof Den Bosch heeft in het arrest waarbij [eiser] is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar ook aangegeven dat daarop slechts voorarrest in mindering moet worden gebracht voor zover deze niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht, welke bepaling niet is vernietigd door de Hoge Raad in het arrest van 20 februari 2018. Mede gelet op de onder 4.2 bedoelde overweging in het arrest van 20 juni 2016 kan niet worden uitgesloten dat daarmee wordt gedoeld op de 720 dagen voorarrest die in mindering zijn gebracht op de door het gerechtshof Arnhem opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden. Voor zover [eiser] op de zitting heeft aangevoerd dat het OM hem nooit op de hoogte heeft gesteld van de tenuitvoerlegging van het arrest van 29 mei 2012 door het in mindering brengen van 720 dagen voorarrest, kan hem dat niet baten. Niet kan worden aangenomen dat het OM daartoe verplicht is. In ieder geval brengt het nalaten daarvan niet mee dat het OM onrechtmatig handelt jegens [eiser] door dat arrest aldus ten uitvoer te leggen. Voorts valt niet in te zien welke formele executiehandeling van het OM had mogen worden verwacht in de hier aan de orde zijnde situatie.

4.4.

De door de Hoge Raad - bij arrest van 20 februari 2018 - aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf van 1395 dagen was direct na de uitspraak onherroepelijk en dus vatbaar voor executie. Op grond van het bepaalde in artikel 15 lid 2 Sr komt [eiser] in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling nadat hij daarvan tweederde deel heeft ondergaan, ofwel na 930 dagen. Daarop brengt het OM op goede gronden in mindering de 131 dagen die nog resteren van de 851 dagen die [eiser] in totaal in voorarrest had doorgebracht en die uitgingen boven de 24 maanden gevangenisstraf waartoe hij door het gerechtshof Arnhem was veroordeeld. Aldus resteren volgens de Staat 799 dagen die [eiser] na zijn zelfmelding nog moet uitzitten voordat hij in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling.

4.5.

Bezien in het licht van al het voorgaande moet die berekeningswijze van het OM als correct worden aangemerkt en slaagt het beroep van [eiser] op artikel 15 lid 5 Sr niet. De hierin vastgelegde regeling is slechts van toepassing indien [eiser] op het moment dat het arrest van de Hoge Raad in februari 2018 onherroepelijk werd en dus voor tenuitvoerlegging vatbaar werd nog meer dan één vrijheidsstraf zou moeten ondergaan. Daarvan is geen sprake, nu - zoals hiervoor overwogen - het arrest van 29 mei 2012 reeds als geëxecuteerd moet worden beschouwd, zodat enkel nog de opgelegde gevangenisstraf van 1395 dagen ten uitvoer moet worden gelegd.

4.6.

Voor zover [eiser] zich heeft beroepen op de - in zijn visie - ongerechtvaardigde ongelijkheid met de mededader ter zake van de onder 2.1 sub (i) tot en met (iii) vermelde delicten, moet daaraan worden voorbijgegaan. De Staat heeft gemotiveerd aangegeven dat de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling ten aanzien van de mededader op exact dezelfde wijze is berekend als met betrekking tot [eiser] , terwijl [eiser] de gedetailleerde berekening van de Staat betreffende de berekening van die datum voor wat betreft de mededader in feite niet heeft bestreden. Aldus heeft [eiser] zijn stelling dat sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen niet voldoende gemotiveerd onderbouwd.

4.7.

Tot slot is van belang dat [eiser] geen verwachtingen c.q. rechten kan ontlenen aan de - onjuiste - vermelding in de oproep tot zelfmelding van 27 februari 2018 dat hij nog 544 dagen gevangenisstraf moet ondergaan. Voor het wekken van een gerechtvaardigd vertrouwen is die enkele mededeling onvoldoende. Verder is van belang dat - zoals hiervoor al overwogen - op het OM een executieplicht rust en niet kan worden aangenomen dat het OM onrechtmatig handelt door een rechtmatig opgelegde gevangenisstraf volgens de bestaande regels te executeren.

4.8.

De slotsom is dat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen.

4.9.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vordering van [eiser] af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.606,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 626,-- aan griffierecht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het uitspreken van dit vonnis;

5.3.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2018.

jvl