Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9667

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-08-2018
Datum publicatie
10-08-2018
Zaaknummer
C/09/557292 / KG ZA 18-774
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. 'Specialiteitsbeginsel' in het kader van de Overleveringswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/557292 / KG ZA 18-774

Vonnis in kort geding van 2 augustus 2018

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats 1] , België ,

eiser,

advocaat mr. C.A.D. Oomes te Son,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Justitie en Veiligheid),

te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. T.I. ten Kroode te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ' [eiser] ' en 'de Staat'.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties;

- de brief van de Staat van 30 juli 2018, met producties;

- de op 1 augustus 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Staat pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Op 2 augustus 2018 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 9 augustus 2018.

2 De toepasselijke regelgeving

2.1.

Artikel 14 van de Overleveringswet luidt:

"1. Overlevering wordt niet toegestaan dan onder het algemene beding, dat de opgeëiste persoon niet zal worden vervolgd, gestraft of op enige andere wijze in zijn persoonlijke vrijheid beperkt, ter zake van feiten die vóór het tijdstip van zijn overlevering zijn begaan en waarvoor hij niet is overgeleverd, tenzij:

a. de opgeëiste persoon, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, niet binnen 45 dagen na zijn definitieve invrijheidstelling het grondgebied van de lidstaat waaraan hij is overgeleverd, heeft verlaten of indien hij na dit gebied verlaten te hebben daarnaar is teruggekeerd;"

2.2.

Artikel 27 van het zogenoemde 'Kaderbesluit EAB' luidt:

"Eventuele vervolging wegens andere strafbare feiten

1. Elke lidstaat kan het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie ervan in kennis stellen dat, in zijn betrekking met andere lidstaten die dezelfde kennisgeving hebben verricht, de toestemming geacht kan worden te zijn gegeven voor de vervolging, berechting of detentie met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, van de persoon wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, tenzij de uitvoerende rechterlijke autoriteit in een specifiek geval in haar beslissing tot overlevering anders heeft beschikt.

2. Behoudens in de in lid 1 en lid 3 bedoelde gevallen wordt een overgeleverd persoon niet vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest.

3. Lid 2 is niet van toepassing in gevallen waarin:

a) de gezochte persoon, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, niet binnen 45 dagen na zijn definitieve invrijheidstelling het grondgebied van de lidstaat waaraan hij was overgeleverd, heeft verlaten, of indien hij na dit gebied verlaten te hebben daarnaar is teruggekeerd;"

3 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

3.1.

[eiser] heeft de Nederlandse nationaliteit en is woonachtig te [woonplaats 1] in België .

3.2.

Wegens verdenking van overtreding van de Opiumwet in de loop van 2014 heeft de Officier van Justitie ('OvJ') op 1 september 2014 door middel van een Europees aanhoudingsbevel ('EAB') aan de Belgische autoriteiten de overlevering van [eiser] verzocht, teneinde hem in Nederland te kunnen vervolgen voor de betreffende opiumfeiten.

3.3.

Op grond van het EAB is [eiser] op 1 september 2014 aangehouden door de Belgische politie.

3.4.

Bij uitspraak van 2 oktober 2014 heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de overlevering van [eiser] toegestaan.

3.5.

Vervolgens is [eiser] - krachtens het EAB - op 10 oktober 2014 overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten en is hij diezelfde dag nog in verzekering en bewaring gesteld.

3.6.

Bij beschikking van de rechtbank Limburg van 23 oktober 2014 werd de gevorderde gevangenhouding van [eiser] afgewezen en de voorlopige hechtenis onmiddellijk opgeheven. Direct aansluitend werd [eiser] gedetineerd in verband met de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis wegens het niet uitvoeren van een eerder - in 2011 - opgelegde taakstraf. In verband met de werking van het zogenoemde 'specialiteitsbeginsel' ten aanzien van zijn overlevering werd [eiser] op 29 oktober 2014 weer in vrijheid gesteld.

3.7.

Nadat de OvJ hoger beroep had ingesteld tegen de beschikking van 23 oktober 2014, heeft het gerechtshof Den Bosch - bij beschikking van 20 november 2014 - alsnog de gevangenhouding van [eiser] bevolen voor de duur van 90 dagen, ter zake waarvan [eiser] per 25 februari 2015 werd gedetineerd.

3.8.

Bij beschikking van 17 april 2015 heeft de rechtbank Limburg de voorlopige hechtenis van [eiser] geschorst per 20 april 2015 - voor zover hier van belang - onder de voorwaarden dat hij Nederland niet mag verlaten en zich wekelijks dient melden bij het politiebureau te [plaats] in Nederland. Bij beschikking van 16 juli 2015 zijn deze voorwaarden gewijzigd, in die zin dat het verbod om Nederland te verlaten kwam te vervallen en dat [eiser] zich nog maar één keer per maand moet melden bij het politiebureau in [plaats].

3.9.

Op 11 juni 2018 is door de ex-vriendin van [eiser] , die te [woonplaats 2] in Nederland woont althans woonde, aangifte gedaan van mishandeling en stalking door [eiser] .

3.10.

Op 12 juli 2018 is [eiser] in Nederland, kort nadat hij zich bij de woning van zijn ex-vriendin had bevonden, aangehouden en in verzekering gesteld wegens mishandeling, bedreiging met misdrijf tegen leven/zware mishandeling en belaging van zijn ex-vriendin.

3.11.

Op 18 juli 2018 is de bewaring van [eiser] bevolen, die vervolgens meteen is geschorst.

3.12.

Onmiddellijk na die schorsing is [eiser] gedetineerd teneinde de resterende vervangende hechtenis te ondergaan in verband met het niet-uitvoeren van de onder 3.6 bedoelde taakstraf. Aansluitend daarop zal de aan een schadevergoedingsmaatregel verbonden vervangende hechtenis ten uitvoer worden gelegd. De einddatum van de detentie staat gepland op 30 augustus 2018.

3.13.

[eiser] heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen zijn detentie met een beroep op het specialiteitsbeginsel, waarbij hij kennelijk verwijst naar de hiervoor onder 3.6 vermelde gang van zaken. De OvJ heeft dat beroep op 19 juli 2018 afgewezen. Voor zover hier van belang schrijft hij:

"In de zaak waar u naar verwijst, was sprake van een overlevering. Dat maakte dat een OM-medewerker destijds het specialiteitsbeginsel heeft geacht op die aanhouding. In de huidige zaak is verdachte op 12 juli 2018 in Nederland aangehouden op verdenking van een nieuw strafbaar feit. Van toepassing van het specialiteitsbeginsel is nu geen sprake, omdat verdachte na zijn vrijlating destijds de tijd heeft gehad Nederland te verlaten (en dit ook heeft gedaan zo begrijp ik) en zich wederom vrijwillig in Nederland heeft bevonden."

4 Het geschil

4.1.

[eiser] vordert de Staat - op straffe van verbeurte van een dwangsom - te veroordelen hem binnen één uur na het te wijzen vonnis in vrijheid te stellen, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

4.2.

Daartoe voert [eiser] - samengevat - het volgende aan.

De Staat (lees: de OvJ) handelt onrechtmatig door [eiser] van zijn vrijheid te beroven door over te gaan tot de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis wegens het niet-uitvoeren van een taakstraf en het niet-voldoen aan een schadevergoedingsmaatregel. Het toepasselijke 'specialiteitsbeginsel' staat daaraan in de weg, nu [eiser] zich ten tijde van aanhouding op 12 juli 2018 niet vrijwillig in Nederland bevond. Op dat moment was hij namelijk de grens met Nederland overgestoken om te voldoen aan zijn maandelijkse plicht zich te melden op het politiebureau te [plaats].

4.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

5 De beoordeling van het geschil

5.1.

Kern van het onderhavige geschil betreft de vraag of [eiser] op grond van het 'specialiteitsbeginsel' op dit moment ten onrechte van zijn vrijheid is beroofd in verband met de tenuitvoerlegging van hem vóór de overlevering opgelegde vervangende hechtenis.

5.2.

Het hier aan de orde zijnde specialiteitsbeginsel houdt in dat een overgeleverd persoon niet mag worden vervolgd, berecht of van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander - vóór de overlevering - begaan feit dan het feit c.q. de feiten dat/die de reden is/zijn geweest voor de overlevering. Dat beginsel mist echter toepassing indien de betreffende persoon - hoewel hij daartoe de mogelijkheid had - niet binnen 45 dagen na zijn definitieve invrijheidstelling het grondgebied van de lidstaat waaraan hij was overgeleverd heeft verlaten, of indien hij, na dat gebied te hebben verlaten, daarnaar is teruggekeerd. Een en ander is vastgelegd in de hiervoor onder 2 vermelde regelgeving.

5.3.

Niet ter discussie staat dat [eiser] binnen 45 dagen na zijn definitieve vrijlating op 20 april 2015 is teruggekeerd naar zijn woonplaats in België . Dat ligt anders met betrekking tot de vraag of hij vervolgens - vrijwillig - is teruggekeerd naar Nederland. Indien deze vraag positief moet worden beantwoord, komt [eiser] geen bescherming toe op grond van het specialiteitsbeginsel. Dit laatste lijkt [eiser] op zichzelf ook niet te betwisten.

5.4.

Volgens [eiser] was hij op 12 juli 2018 vanuit zijn woonplaats in België vertrokken om zich te melden op het politiebureau in [plaats], teneinde te voldoen aan de voorwaarde die hem was opgelegd bij de schorsing van zijn voorlopige hechtenis in het kader van de overlevering. Aangekomen bij het politiebureau kwam hij er achter dat hij zijn paspoort thuis had laten liggen, waarna hij is teruggereden richting zijn woonplaats in België , aldus [eiser] . Vervolgens is hij gestopt bij zijn ex-vriendin, die op de route die hij volgde woont, om iets met haar te bespreken, waarna hij zijn terugreis heeft hervat en vóór de grens met België is aangehouden, zo stelt [eiser] . Naar de mening van [eiser] kan in die situatie zijn verblijf in Nederland niet als 'vrijwillig' worden aangemerkt, zoals de Staat stelt.

5.5.

Op zichzelf is tussen partijen niet in geschil dat een verblijf van [eiser] in Nederland (enkel) in verband met zijn maandelijkse meldplicht op het politiebureau te [plaats] niet kan worden beschouwd als een vrijwillig verblijf in Nederland. Gelet op de gebleken omstandigheden op 12 juli 2018 moet echter worden aangenomen dat [eiser] zich in ieder geval op enig moment vrijwillig in Nederland bevond, ook indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat [eiser] zich die dag wilde melden op het politiebureau in [plaats], wat de Staat gemotiveerd betwist. Dat moment deed zich namelijk voor toen hij langsging bij (de woning van) zijn ex-vriendin, welk bezoek als volledig losstaand van de meldplicht van [eiser] moet worden aangemerkt en op welk moment is besloten tot de aanhouding van [eiser] . Hoe dan ook valt enig verband tussen dat bezoek en de meldplicht niet in te zien, ongeacht of de woning van de ex-vriendin op de route van het politiebureau [plaats] naar de woonplaats van [eiser] in België ligt.

5.6.

Voormelde conclusie dat [eiser] zich op 12 juli 2018 vrijwillig in Nederland vindt steun in het feit dat uit de processtukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat hij daarvóór wel vaker vrijwillig in Nederland was. In dat verband wordt onder andere gewezen op een uitstapje naar "Burgers Zoo" en het bezoek aan de ex-vriendin op 11 juli 2018.

5.7.

Het voorgaande betekent dat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen.

5.8.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vordering van [eiser] af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.606,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 626,-- aan griffierecht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het uitspreken van dit vonnis;

- verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2018.

jvl