Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9665

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
V.I. 99-001015-31
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Vordering afstel/uitstel voorwaardelijke invrijheidstelling. Ontvankelijkheid OM, in situatie waar al meer dan twee derde van de straf gedurende de voorlopige hechtenis is uitgezeten. Een redelijke toepassing van art. 15d lid 6 Sr brengt mee dat van het OM niet kan worden gevergd de vordering tot afstel/uitstel in te dienen als de veroordeling nog niet onherroepelijk is. De opsomming van de ernstige misdragingen in artikel 15d lid 1 Sr is niet limitatief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/197
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Strafrecht

Meervoudige kamer

VI-zaaknummer : 99-001015-31
Rolnummer : 22-004568-14

Datum uitspraak : 3 augustus 2018 (bij vervroeging)

Tussenbeslissing op de vordering tot achterwege laten dan wel uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling in de zaak van:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [PI] ,

(hierna: de veroordeelde).

De veroordeelde en de opgelegde straf

De veroordeelde is bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Den Haag, rechtdoende in strafzaken, op 7 maart 2017 (rolnummer 22-004568-14) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) jaar en 6 (zes) maanden. Bij arrest van 12 juni 2018 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen, waardoor het arrest van het gerechtshof op 12 juni 2018 onherroepelijk is geworden.

De vordering

De schriftelijke vordering van de officier van justitie van 13 juni 2018 strekt ertoe dat de rechtbank de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde (primair) achterwege laat dan wel (subsidiair) deze met een periode van 300 dagen uitstelt.

De behandeling ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden ter openbare terechtzitting van 26 juli 2018.

De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. N. Bertrand, is ter terechtzitting verschenen. Daarnaast is officier van justitie mr. J. Hoekman ter terechtzitting verschenen.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vordering. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De datum van de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna ook: v.i.-datum) moet gesteld worden op 12 juni 2018, de datum waarop het arrest van het gerechtshof onherroepelijk is geworden. De tenuitvoerlegging van de opgelegde straf is eerst op 12 juni 2018 aangevangen, met dien verstande dat de veroordeelde op dat moment in voorlopige hechtenis al (meer dan) tweederde van de hem opgelegde straf had ondergaan. Het openbaar ministerie kon niet voldoen aan het bepaalde in artikel 15d, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), omdat de v.i.-datum pas op 12 juni 2018 door het arrest van de Hoge Raad bekend is geworden. Nu de vordering op het vroegst mogelijke moment na het onherroepelijk worden van het arrest is ingediend, moet het openbaar ministerie in de vordering worden ontvangen.

Het standpunt van veroordeelde

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet in de vordering kan worden ontvangen, omdat niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 15d, zesde lid, Sr. De vordering had in ieder geval uiterlijk 30 dagen vóór 12 juni 2018 moeten zijn ingediend, omdat het openbaar ministerie wist dat de Hoge Raad op die dag arrest zou wijzen. Met de behandeling van die vordering had dan kunnen worden gewacht tot het moment dat zekerheid bestond over de werkelijke v.i.-datum. Dat die zekerheid nog niet bestond, maakt niet dat de overschrijding van deze termijn verschoonbaar kan worden geacht. Blijkens de tweede volzin van artikel 15d, zesde lid, Sr kan een latere vordering ontvankelijk zijn, indien de grond voor de vordering pas nadien ontstaat. Deze uitzondering is niet van toepassing, nu de meest recente omstandigheid waar het openbaar ministerie zich ter onderbouwing van de vordering tot het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling op beroept dateert van meer dan drie maanden geleden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de v.i.-datum moet worden gesteld op 12 juni 2018, de datum waarop het arrest van het gerechtshof onherroepelijk is geworden. Eerst op die datum is de tenuitvoerlegging van de aan de veroordeelde opgelegde straf aangevangen; voordien was sprake van voorlopige hechtenis. De regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling (neergelegd in artikel 15 t/m 15l Sr) was daarmee ook eerst vanaf die datum op de veroordeelde van toepassing. Waar in die regeling wordt gesproken over een veroordeelde, wordt immers bedoeld: een onherroepelijk veroordeelde. In artikel 15d, zesde lid, Sr is bepaald dat een vordering als de onderhavige uiterlijk dertig dagen vóór de v.i.-datum dient te zijn ontvangen door de rechtbank. Een redelijke toepassing van deze bepaling brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat in dit geval niet van het openbaar ministerie kon worden gevergd de vordering vóór 12 juni 2018 in te dienen. Een andere opvatting zou immers betekenen dat het openbaar ministerie de vordering reeds had moeten indienen op het moment dat de v.i.-regeling nog niet van toepassing was en de uitkomst van het cassatieberoep nog ongewis, hetgeen de rechtbank niet logisch voorkomt. Wel kon van het openbaar ministerie worden gevergd de vordering onverwijld in te dienen. Nu de vordering één dag na de v.i.-datum - op 13 juni 2018 - is ingediend en op diezelfde dag ter griffie van deze rechtbank is ingekomen, is de rechtbank van oordeel dat het openbaar ministerie onverwijld heeft gehandeld en dus ontvankelijk is in de vordering.

De beoordeling van de vordering

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de schriftelijke vordering tot achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling dan wel tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling met een periode van 300 dagen. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat sprake is van ernstige misdragingen, als bedoeld in artikel 15d, eerste lid, sub b, Sr. Volgens de officier van justitie zijn er namelijk ernstige bezwaren dat de veroordeelde zich heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van een bedrag van
€ 15.000,00, gepleegd tijdens een schorsing van de voorlopige hechtenis. Het gerechtshof Den Haag heeft bij beslissingen van 12 april 2018 (opheffing schorsing) en 31 mei 2018 (afwijzing verzoek schorsing) die ernstige bezwaren al aangenomen. Daarnaast is volgens de officier van justitie sprake van andere ernstige misdragingen: op 19 mei 2017 heeft een derde op verzoek van de veroordeelde een bericht gestuurd naar de telefoon van een selectiefunctionaris van DJI, welk bericht als bedreigend en intimiderend werd ervaren door die selectiefunctionaris; op 17 april 2017 heeft de veroordeelde twee maal het gebiedsverbod overtreden; op 13 april 2017 was sprake van een als intimiderend, dwingend en bedreigend ervaren telefonisch contact met de reclassering; op 9 maart 2017 heeft de veroordeelde de moeder van zijn ex-vriendin gebeld met de mededeling dat hij binnenkort vrij komt en voor de deur staat; verder heeft de veroordeelde zich meermalen claimend en intimiderend gedragen tegenover de reclassering, waardoor een goede werkwijze niet mogelijk was. Uit het gegeven dat de schorsing van de voorlopige hechtenis op 12 april 2018 is opgeheven omdat de veroordeelde zich niet aan de voorwaarden hield, kan worden afgeleid dat het stellen van stringente voorwaarden niet kan leiden tot beperking van het recidiverisico, aldus de officier van justitie.

Het standpunt van de veroordeelde

De verdediging heeft ter terechtzitting volledige afwijzing van de vordering bepleit. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de aantijgingen met betrekking tot de verdenking van witwassen al op 9 mei 2018 uitgebreid onderbouwd zijn weersproken in een verzoek om schorsing van de voorlopige hechtenis. De twee processen-verbaal waarop de ernstige bezwaren zijn gestoeld, bestaan uit de auditu verklaringen, terwijl de eigenlijke bron heeft ontkend dat zij de betreffende informatie heeft gedeeld. De veroordeelde heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan witwassen en hij heeft, onderbouwd met stukken, een verklaring over de herkomst van het aangetroffen geld afgelegd. Deze informatie is sinds 9 mei 2018 bekend bij politie en justitie, maar van enige falsificatie daarvan is niet gebleken. Bij die stand van zaken kan niet (langer) worden gesproken van ernstige bezwaren ter zake van witwassen. Wat betreft de andere ernstige misdragingen heeft de verdediging erop gewezen dat de door het openbaar ministerie genoemde omstandigheden dateren uit de periode maart tot mei 2017, dat die omstandigheden al op eerdere zittingen zijn weersproken en dat zij niet in de weg hebben gestaan aan de schorsing van de voorlopige hechtenis van de veroordeelde. Gezien het voorgaande heeft het openbaar ministerie ook niet afdoende onderbouwd dat het recidiverisico niet voldoende kan worden ingeperkt, aldus de verdediging.

De veroordeelde heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat hij reeds tegenover de raadkamer van het gerechtshof een verklaring heeft afgelegd over de herkomst van het geld, waaruit blijkt dat de herkomst legaal is. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat inmiddels getuigen zijn gehoord in de witwaszaak, die zijn verklaring bevestigen. In dat verband heeft de veroordeelde (subsidiair) verzocht om aanhouding van de behandeling van de vordering, opdat de officier van justitie die stukken in deze zaak kan voegen.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het bepaalde in artikel 15d Sr kan de voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege blijven of worden uitgesteld indien – voor zover hier relevant – gebleken is dat de veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf ernstig heeft misdragen. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of daarvan sprake is geweest.

Ernstig misdragen?

De officier van justitie heeft aangevoerd dat sprake is van ernstige bezwaren ten aanzien van de verdenking van witwassen en dat sprake is geweest van andere ernstige misdragingen. De rechtbank zal eerst de tweede grondslag beoordelen.

Andere ernstige misdragingen?

Blijkens de wettekst gaat het om misdragingen die tijdens de tenuitvoerlegging van de straf meermalen hebben geleid tot disciplinaire maatregelen. Uit de stukken blijkt niet dat daarvan sprake is geweest. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het hierbij echter niet gaat om een limitatieve opsomming. Uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2005-06, 30 513, nrs. 3 en 7) blijkt namelijk dat met deze wettekst geen verandering ten opzichte van de oude wettekst van artikel 15, eerste lid, onder c Sr (oud) beoogd is. In dat artikel stond dat de vervroegde invrijheidsstelling achterwege kon blijven indien de veroordeelde zich “anderszins zeer ernstig” had misdragen.

De rechtbank stelt voorop dat de door het openbaar ministerie genoemde misdragingen op zichzelf aanleiding zouden kunnen zijn de vordering van de officier van justitie toe te wijzen. De rechtbank stelt echter vast dat de genoemde misdragingen dateren van het voorjaar 2017, dat er geen nader onderzoek naar is gedaan en dat ze niet hebben geleid tot enige sanctie voor de verdachte/veroordeelde. De misdragingen hebben voorts niet in de weg gestaan aan de schorsing van de voorlopige hechtenis op 3 november 2017. Daarnaast constateert de rechtbank dat in het “voortgangsverslag toezicht aan opdrachtgever” van 9 april 2018 geen melding meer wordt gemaakt van dit soort misdragingen. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om op basis van deze misdragingen de vordering toe te wijzen.

Ernstige bezwaren?

Vast staat dat het gerechtshof Den Haag bij beslissingen van 12 april 2018 en 31 mei 2018 heeft beslist dat er ernstige bezwaren zijn dat de veroordeelde zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen. Uit hetgeen de veroordeelde ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, leidt de rechtbank echter af dat nadien aanvullend onderzoek is verricht in de witwaszaak. De rechtbank acht het noodzakelijk om nader geïnformeerd te worden over de stand van het onderzoek in die zaak, teneinde de vraag te kunnen beantwoorden of nog steeds sprake is van ernstige bezwaren. De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen en schorsen, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen binnen twee weken na heden de aanvullende stukken aan de verdediging en de rechtbank te verstrekken.

De rechtbank zal het onderzoek voor onbepaalde tijd, maar voor maximaal een maand, schorsen.

Beslissing
De rechtbank:

verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in zijn vordering;

heropent en schorst het onderzoek en beveelt dat het onderzoek zal worden hervat op een nader te bepalen terechtzitting binnen één maand na heden;

stelt de stukken in handen van de officier van justitie teneinde uitvoering te geven aan hetgeen in deze tussenbeslissing is aangegeven;

beveelt de oproeping van de veroordeelde, tegen het tijdstip van een nader te bepalen terechtzitting, met verstrekking van een afschrift van die oproeping aan de raadsman van de veroordeelde.

Deze tussenbeslissing is gegeven door
mr. E.A.G.M. van Rens, voorzitter,

mr. M. Rootring, rechter,

mr. B.W. Mulder, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. R. Moese, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 augustus 2018.