Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:966

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-01-2018
Datum publicatie
31-01-2018
Zaaknummer
NL17.14396
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

asiel Cuba - transseksueel - HIV positief

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de door haar ondervonden problemen een dusdanig ernstige beperking van haar bestaansmogelijkheden opleveren dat het voor haar als homoseksueel/transgender onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied in Cuba te functioneren. Dat eiseres meermalen is aangehouden en gediscrimineerd, hoe belastend dit voor eiseres ook moet zijn geweest, is onvoldoende om te veronderstellen dat de situatie voor haar onhoudbaar is geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.14396

V-nummer: [nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2018 in de zaak tussen

[naam],

geboren op [geboortedatum], van Cubaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. L.M. Weber),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Bouma).

Procesverloop
Bij besluit van 30 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J. Mazor. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft de rechtbank kenbaar gemaakt graag als vrouw te worden aangesproken. Daarom zal de rechtbank hierna spreken over eiseres in plaats van eiser.

Asielrelaas

2. Aan haar asielaanvraag heeft eiseres ten grondslag gelegd dat zij homoseksueel is, zich vrouw voelt en graag in vrouwenkleding loopt. Vanaf haar achttiende tot twee jaar

geleden bezocht eiseres regelmatig discotheken in vrouwenkleding. Eiseres werd regelmatig aangehouden, opgepakt en voor een aantal uren of (maximaal drie) dagen in een gevangeniscel gezet. Tijdens arrestaties werd zij hardhandig aangepakt. In de politiecel werd zij regelmatig geboeid, soms werd er koud water over haar heen gegooid en vaak moest zij, samen met andere homo’s en transgenders, (delen van) het politiebureau schoonmaken als voorwaarde om door de politie te worden vrijgelaten. Vanwege haar seksuele geaardheid en genderidentiteit is eiseres afgewezen door haar familie, heeft zij last van discriminatie van de zijde van burgers en ook neemt de repressie van de Cubaanse politie toe. Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat zij vreest dat HIV-medicatie niet beschikbaar zal zijn in Cuba, terwijl eiseres HIV-positief is.

Het bestreden besluit

3.1

Uit het relaas heeft verweerder de volgende relevante elementen onderscheiden:
a. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres;
b. eiseres is homoseksueel en voelt zich vrouw;
c. de problemen van eiseres ten gevolge van haar seksuele geaardheid en zich vrouw voelen.

3.2

Verweerder heeft alle relevante elementen geloofwaardig geacht. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat eiseres geen redenen heeft om te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Ook heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM1. Verweerder heeft de asielaanvraag dan ook afgewezen op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk en dat aan eiseres geen uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 van de Vw.

Standpunt eiseres

4.1

In beroep heeft eiseres aangevoerd dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de actuele mensenrechtensituatie van LHBTI+ in Cuba. Eiseres verwijst onder meer naar passages uit en artikelen genoemd in het jaarrapport van US Department of State van 3 maart 2017 en het rapport van ACCORD van augustus 2017, waaruit volgens eiseres blijkt dat wel degelijk sprake is van vervolging van LHBTI+. In Cuba kan een patroon van waarschuwingen leiden tot zwaardere beschuldigingen, wat weer leidt tot systematische controle en strafmaatregelen. De landeninformatie waaruit verweerder afleidt dat er verbeteringen zijn van de positie van LHBTI+ in Cuba is een façade. Het is niet mogelijk om beklag te doen bij de autoriteiten. Verder stelt eiseres dat er wel degelijk sprake is van een causaal verband tussen haar geaardheid, haar genderidentiteit en de arrestaties. Eiseres heeft meermalen aangifte gedaan van discriminatie, zonder resultaat. Recent zijn nog vier transgender vriendinnen van eiseres vastgezet en de politie is bij de vader van eiseres langs geweest op zoek naar haar. Verweerder is hier onvoldoende op ingegaan. Transgenders hebben nog altijd te maken met grote problemen op het gebied van onder meer werk en huisvesting. Verder kan van eiseres niet worden verwacht dat zij bij terugkeer naar Cuba terughoudendheid betracht bij het uitkomen voor haar geaardheid.

4.2

Eiseres is verder HIV-positief. De benodigde HIV-medicatie is geregeld niet beschikbaar bij de reguliere verstrekkers waardoor eiseres gedwongen was te kiezen tussen eten of medicatie van de zwarte markt. De kans dat eiseres bij terugkeer naar Cuba geen toegang heeft tot medicatie is groot. Zij is immers een lange tijd weg geweest, waardoor zij misschien niet direct terecht kan bij de reguliere medicijnverstrekkers. Daarbij heeft eiseres geen geld kunnen verdienen en sparen, omdat zij niet heeft kunnen werken. Hierdoor kan eiseres geen medicatie op de zwarte markt kopen, mocht dit nodig zijn. Onder verwijzing naar het arrest Paposhvili2 betekent dit volgens eiseres dat haar uitzetting ook hierom in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM.

Beoordeling door de rechtbank

5.1

De rechtbank overweegt als volgt. Ten eerste is niet gebleken dat de algehele politieke- en mensenrechtensituatie in Cuba zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw, in samenhang met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw moet worden verleend. Ook blijkt niet uit openbare bronnen, zoals het ACCORD-rapport waar eiseres naar heeft verwezen, dat specifiek de LHBTI+-groep wordt vervolgd. Ondanks dat aannemelijk is dat de omstandigheden voor hen in Cuba beduidend slechter zullen zijn dan in Nederland, kan niet gesproken worden van een sociale groep die wordt vervolgd. Daarom zal aannemelijk moeten zijn dat er voor eiseres persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat haar een asielvergunning moet worden verleend.

5.2

Discriminatie door de autoriteiten en/of medeburgers kan leiden tot gegronde vrees voor vervolging indien sprake is van substantiële discriminatie waardoor het leven onhoudbaar is geworden. Volgens het beleid neergelegd in paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), dat niet kennelijk onredelijk is, merkt verweerder discriminatie van de vreemdeling door de autoriteiten en door medeburgers aan als een daad van vervolging, indien de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.

5.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de door haar ondervonden problemen een dusdanig ernstige beperking van haar bestaansmogelijkheden opleveren dat het voor haar als homoseksueel/transgender onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied in Cuba te functioneren. Verweerder heeft erkend dat de situatie van eiseres in Cuba niet makkelijk is en ook de rechtbank twijfelt daar niet aan, maar niet aannemelijk is gemaakt dat de situatie onhoudbaar is geworden. Hierbij heeft verweerder terecht van belang geacht dat niet is gebleken dat eiseres vanwege haar geaardheid en genderidentiteit onderwijs, huisvesting of gezondheidszorg is ontzegd. Ook heeft verweerder aan eiseres mogen tegenwerpen dat zij in haar levensonderhoud heeft kunnen voorzien door als particulier (de rechtbank begrijpt: niet in overheidsdienst) te werken. Eiseres heeft verklaard meermalen te hebben gesolliciteerd voor een overheidsbaan zonder resultaat, maar ze heeft ook verklaard dat zij een voorkeur had om te werken als particulier, omdat zij dan een beetje meer verdiende.

5.4

Verder is van belang dat homoseksualiteit in Cuba niet bij wet strafbaar is gesteld. Uit de algemene landeninformatie, waarnaar verweerder verwijst in het bestreden besluit, blijkt dat de situatie met betrekking tot LHBTI+ in Cuba de laatste tijd is verbeterd. Onder leiding van de dochter van de huidige president, Mariela Castro, vindt een langzame seksuele revolutie plaats. In Havana heeft een conferentie plaatsgevonden met betrekking tot LHBTI+ waaraan verscheidene Latijns-Amerikaanse landen hebben deelgenomen. Bovendien verbiedt de wet discriminatie op grond van seksuele oriëntatie bij werk, huisvesting, staatloosheid en toegang tot onderwijs en gezondheidszorg. De overheid financiert geslachtsveranderingen en pride-marches. Er wordt ook gedemonstreerd voor huwelijken tussen personen van gelijke sekse. Wat eiseres heeft aangevoerd en waar eiseres op heeft gewezen, kan er niet aan af doen dat de ontwikkelingen in Cuba voor de LHBT-gemeenschap positief zijn en dat eiseres een wettelijke basis heeft om bescherming te vragen tegen discriminatie op basis van haar seksuele geaardheid en genderidentiteit. Niet is aannemelijk geworden dat de Cubaanse overheid misbruik maakt van wetgeving (zoals La ley del Vago) om juist homoseksuelen dan wel transgenders te treffen. Eiseres heeft met haar verklaringen onvoldoende geconcretiseerd dat zij op basis van deze wet problemen heeft ondervonden. Eiseres heeft weliswaar verklaard dat de politie na haar vertrek uit Cuba bij haar vader is langs geweest en dat eiseres het vermoeden heeft dat dit in verband met die wet is geweest, maar zij heeft dit niet nader onderbouwd. Dat eiseres dus in de negatieve aandacht van de Cubaanse autoriteiten zou staan, heeft verweerder dan ook niet aannemelijk hoeven achten. Daarbij komt dat eiseres met een nieuw paspoort zonder belemmering is uitgereisd. Indien zij in de specifieke aandacht zou staan van de autoriteiten, zou haar dit niet zijn gelukt. Dat Cubanen die kritiek leveren op de overheidsorganisatie van Mariela Castro of Cubanen die een concurrerende organisatie willen starten in de problemen komen, doet evenmin af aan de positieve ontwikkelingen voor LHBTI+. Die problemen hangen immers niet samen met de geaardheid van die personen, maar met kritiek op de alom vertegenwoordigde overheid.

5.5

Ook de problemen die eiseres zelf van de zijde van de autoriteiten heeft ondervonden, vormen geen reden om anders te oordelen. Eiseres heeft gesteld dat zij in het verleden zo vaak is geconfronteerd met daden van vervolging dat de situatie onhoudbaar is, maar dit is niet gebleken. Dat eiseres meermalen is aangehouden en gediscrimineerd, hoe belastend dit voor eiseres ook moet zijn geweest, is onvoldoende om te veronderstellen dat de situatie voor haar onhoudbaar is geworden. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat eiseres heeft verklaard dat zij voor het laatst één of twee jaar geleden is opgepakt en dat het ongeveer 2014 of 2015 moet zijn geweest dat zij voor de laatste keer aangifte heeft gedaan. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de mate van aanhoudingen te scharen onder daden van vervolging in de zin van artikel 9, eerste lid, onder a, van de Definitierichtlijn.

6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door eiseres omschreven behandeling als homoseksueel/transgender in Cuba als onvoldoende zwaarwegend wordt aangemerkt om vluchtelingschap aan te nemen en tevens dat de specifieke omstandigheden van eiseres niet maken dat zij bij terugkeer een reëel risico loopt op blootstelling aan een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM.

7.1

Eiseres heeft verder nog beroepsgronden aangevoerd ten aanzien van haar medische omstandigheden.

7.2

Uit de verklaringen van eiseres is gebleken dat haar medische situatie al voor vertrek uit Cuba bestond. Tevens is gebleken dat zij in Cuba voor haar HIV-infectie behandeling onderging. Eiseres is vervolgens naar Nederland gereisd. Gesteld noch gebleken is dat eiseres tijdens deze reis medische problemen heeft ondervonden. Met betrekking tot de verklaringen van eiseres dat zij bij terugkeer misschien niet direct terecht kan bij de gebruikelijke medicijnverstrekkers en zij in dat geval niet op de zwarte markt terecht kan om medicijnen te kopen omdat zij niet heeft kunnen werken, heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiseres niet heeft onderbouwd, dan wel aannemelijk heeft gemaakt, dat zij bij terugkeer niet meer terecht zou kunnen bij de gebruikelijke medicijnverstrekkers.

7.3

Ook in die zin bestaat dus geen reden om te oordelen dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden.

8. De aanvraag is daarom terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Vreede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

2 Het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 13 december 2016 inzake Paposhvili v. Belgium (41738/10).