Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9648

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-08-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 7091
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2019:1185, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres, Amerikaanse en in Nederland woonachtig, ontvangt als gevolg van tijdens de eerste Golfoorlog opgelopen verwondingen een disability compensation van de United States Department of Veterans Affairs. De disability compensation is door verweerder terecht tot het premie-inkomen gerekend. De vrijstellingen van artikel 3.104, aanhef en onderdeel q juncto onderdelen a, l, o dan wel artikel 3.104, aanhef en onderdeel r, Wet IB 2001 zijn niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-08-2018
V-N Vandaag 2018/1762
FutD 2018-2269
NTFR 2018/2245 met annotatie van TH.J.M. VAN SCHENDEL
V-N 2018/65.2.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 17/7091

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 augustus 2018 in de zaak tussen

[eiseres], wonende te [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. S.J.M Olierook),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 oktober 2017 de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting een pleitnota ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2018.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en haar echtgenoot [echtgenoot]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. in ‘t Veld,

mr. M.M.R. Richardson en mr. K. van Roon.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres, gehuwd en geboren op [geboortedatum] 1969, heeft de Amerikaanse nationaliteit en is sinds 2004 in Nederland woonachtig.

2. Eiseres heeft als vrachtwagenchauffeuse gewerkt bij de Amerikaanse luchtmacht. Eiseres is in de eerste Golfoorlog gewond geraakt, waardoor zij last heeft gekregen van migraine, lage rugpijn en problemen met het kaakgewricht. Eiseres ontvangt als gevolg hiervan vanaf 1 augustus 1993 maandelijks een “disability compensation” van de United States Department of Veterans Affairs. Eiseres heeft daarbij voorts recht op nagenoeg volledige medische zorg bij een instelling van de Veterans Affairs, waarvan de dichtstbijzijnde instelling in Duitsland is gelegen. In 2015 heeft eiseres een disability compensation ten bedrage van € 8.293 ontvangen.

3. Eiseres heeft voor het jaar 2015 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.293 en heeft daarbij verzocht om een aftrek ter voorkoming dubbele belasting. Voorts heeft zij verzocht om een bedrag van € 8.293 niet tot het premie- en het bijdrage-inkomen voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) te rekenen.

4. Bij de aanslagregeling heeft verweerder het belastbare inkomen uit werk en woning en het premie-inkomen op € 8.293 vastgesteld. Verweerder heeft voor het gehele bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting (€ 692) een aftrek ter voorkoming van dubbele belastingheffing verleend. Voorts heeft verweerder - in verband met een brief van verweerder van 20 juni 2008, waarin hij heeft aangegeven dat de disabality compensation niet tot het bijdrage-inkomen wordt gerekend - een aanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage inkomen van nihil.

Geschil
5. In geschil is of over het ontvangen bedrag aan disability compensation terecht premie volksverzekeringen is geheven. Meer specifiek is in geschil of de disability compensation onder één van de vrijstellingen van artikel 3.104, aanhef en onderdeel q juncto onderdelen, a, l, o, dan wel artikel 3.104, aanhef en onderdeel r, van de Wet IB 2001 (de Wet) vallen, en zo nee, of de premieheffing in strijd is met de goede verdragstrouw dan wel het vertrouwensbeginsel.

Beoordeling van het geschil

6. Niet in geschil is dat eiseres, die in Nederland woont en derhalve in Nederland ingezetene is, als verzekerde voor de premie volksverzekeringen moet worden aangemerkt.

7. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) wordt onder het premie-inkomen verstaan het belastbare inkomen uit werk en woning, bepaald volgens de regels van hoofdstuk 3 van de Wet.

8. Op grond van artikel 3.100, eerste lid, onderdeel a, van de Wet, in samenhang bezien met artikel 3.101, eerste lid, onderdeel a, van de Wet wordt een uitkering die wordt ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling tot het belastbare inkomen uit werk en woning gerekend. In artikel 3.104 van de Wet is een limitatieve opsomming gegeven van publiekrechtelijke uitkeringen en verstrekkingen die zijn vrijgesteld.

9. Naar het oordeel van de rechtbank dient de disability compensation te worden aangemerkt als een door de Verenigde Staten (VS) uitbetaalde periodieke uitkering van publiekrechtelijke aard, welke op grond van artikel 3.101, eerste lid, onderdeel a, van de Wet tot het belastbare inkomen uit werk en woning dient te worden gerekend. Het beroep van eiseres op de in artikel 3.104, aanhef en onderdeel q juncto onderdelen a, l en o, opgenomen vrijstellingen faalt. Naar het oordeel van de rechtbank ziet de disability compensation op een algemene arbeidsongeschiktheidsuitkering en is deze daarom naar aard en strekking niet vergelijkbaar met een uitkering op grond van de Wet langdurige zorg of een uitkering op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Voorts is de rechtbank van oordeel dat ook de disability compensation naar aard en strekking niet vergelijkbaar is met de in artikel 3.104, aanhef en onderdeel o, van de Wet opgenomen vergoedingen en de daarbij in artikel 17, derde lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 aangewezen voorzieningen in de zin van de Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers (Voorzieningenregeling). Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de disability compensation dient te worden aangemerkt als een financiële tegemoetkoming dan wel financiële vergoeding van de kosten in een bijzondere voorziening die bij het niet toekennen van die voorziening tot ernstige bestaansverschraling of psychische decompensatie van eiseres zou leiden dan wel als één van de andere in artikel 2 van de Voorzieningregeling limitatief opgenomen voorzieningen, zoals de verplaatsing per taxi of auto of de verplaatsing per fiets.

10. Ook het beroep van eiseres op de vrijstelling van artikel 3.104, aanhef en onderdeel r, van de Wet faalt. Voormelde vrijstelling mist in het onderhavige belastingjaar 2015 toepassing, aangezien deze vrijstelling, hoewel met terugwerkende kracht, pas vanaf 1 januari 2016 in werking is getreden. Bovendien blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever zich rekenschap heeft gegeven van de verschillende publiekrechtelijke uitkeringen met al dan niet een soortgelijk karakter als de uitkeringen uit het Artikel 2-Fonds aan joodse vervolgingsslachtoffers en daarbij bewust heeft gekozen om alleen deze laatste uitkeringen vrij te stellen (vgl. MvT, Kamerstukken II 2015/2016, 34303, nr. 3, blz. 1-6). De wetgever is met deze regeling dan ook niet buiten de hem toekomende ruime beoordelingsmarge getreden.

11. Gelet op het vorenstaande is de disability compensation terecht tot het premie-inkomen gerekend.

12. Nu het sociale zekerheidsverdrag tussen Nederland en de VS geen aanwijsregels bevat die van toepassing zijn op personen die uitsluitend uitkeringen ontvangen, zoals eiseres, mag Nederland derhalve, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, premie volksverzekeringen heffen over de disability compensation.

13. Eiseres heeft voorts gesteld dat de bedoeling van de VS is dat de disability compensation belastingvrij is en niet in aanmerking komt voor beslag of enige claim van derden. Nederland, schendt volgens eiseres, de goede verdragstrouw door premie volksverzekeringen over de disability compensation te heffen. De rechtbank stelt voorop dat het sociale zekerheidsverdrag tussen Nederland en de VS niet van toepassing is op de onderhavige heffing van premie volksverzekeringen, althans het sociale zekerheidsverdrag kent geen aanwijzingsregels voor een dergelijke uitkering. Nu de situatie van premieheffing sinds de totstandkoming van het verdrag in 1987 niet wezenlijk is gewijzigd, moet worden aangenomen dat Nederland en de VS destijds volledig op de hoogte waren van elkaars toen geldende regelingen en kennelijk hebben gemeend niet in een situatie als die van eiseres te hoeven voorzien. Dat de VS de disability compensation geheel van iedere heffing heeft vrijgesteld, laat dan ook onverlet dat Nederland de disability compensation in de premieheffing mag betrekken. Van schending van de goede verdragstrouw door Nederland is dan ook geen sprake.

14. Voor zover eiseres heeft bedoeld te stellen dat de wettelijke bepalingen in haar geval onredelijk en financieel nadelig uitvalt, kan haar dit niet baten, aangezien het de rechtbank ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet is toegestaan de innerlijke waarde en billijkheid van de wet te toetsen.

15. Het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel faalt eveneens. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres aan de inhoud van de brief van verweerder van 20 juni 2008 niet het vertrouwen ontlenen dat de heffing van premie volksverzekeringen over de disability compensation achterwege zou blijven, nu in die brief juist nadrukkelijk is vermeld dat eiseres verzekerd is voor de premie volksverzekeringen. De omstandigheid dat verweerder in die brief heeft aangegeven dat de disability compensation niet tot het bijdrage-inkomen voor de zorgverzekeringswet behoort, maakt dit niet anders. Verweerder heeft zich blijkens die brief op het standpunt gesteld dat de disability compensation op grond van artikel 5.6, onderdeel a, van de Regeling zorgverzekering niet tot het bijdrage-inkomen behoort. Hieruit volgt niet, anders dan eiseres kennelijk heeft betoogd, dat de disabiltiy compensation ook op grond van artikel 3.104 van de Wet is vrijgesteld van premieheffing.

16. Aan de beoordeling van de vraag op welk moment verweerder het vertrouwen betreffende de heffing voor de Zvw heeft opgezegd, komt de rechtbank niet toe, nu in de onderhavige procedure slechts de aan eiseres opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor ligt en niet de aan eiseres opgelegde aanslag Zvw.

17. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, voorzitter, en mr. D.M. Drok en

mr. A.J.M. Arends, leden, in aanwezigheid van mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.