Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9620

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
08-08-2018
Zaaknummer
AWB 18/507 en AWB 18/508
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv-aanvraag uitgezette Congolese vrouw met minderjarige kinderen. Kinderen zijn in Nederland geboren en verzoeken verblijf bij vader (erkenner) in Nederland. Gezinsband met vader niet aangetoond, beroep op 8 EVRM slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 18/507 (beroep)

AWB 18/508 (voorlopige voorziening)

V-nummers: [V-nummer eiseres 1] , [V-nummer eiseres 2] , [V-nummer eiseres 3]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 29 mei 2018 in de zaken tussen

[eiseres 1] ,

geboren op [geboortedatum eiseres 1] 1988, van Congolese nationaliteit, eiseres en verzoekster,

en

[eiseres 2]

geboren op [geboortedatum eiseres 2] 2011, van onbekende nationaliteit, eiseres en verzoekster II,

en

[eiseres 3] ,

geboren op [geboortedatum eiseres 3] 2010, van onbekende nationaliteit, eiseres en verzoekster III,

hierna gezamenlijk te noemen: eiseressen,

(gemachtigde: mr. M. Dorgelo),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Nardelli).

Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvragen van eiseressen om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) onder de beperking “gezinsleven conform artikel 8 EVRM” afgewezen.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 11 januari 2018 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 23 januari 2018 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseressen ontvangen. Tegelijkertijd is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2018. Eiseressen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Voorts zijn ter zitting verschenen [naam] en

[naam] . De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

Inleiding

1.1

Eiseres I was sinds 2004 in Nederland en heeft in 2004 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is onherroepelijk afgewezen. Zij heeft daarna in de loop van de jaren diverse verblijfsaanvragen gedaan, die ook allemaal onherroepelijk zijn afgewezen. Enkel in 2011 heeft eiseres I tijdelijk uitstel van vertrek gekregen tijdens haar zwangerschap. In 2010 en 2011 zijn haar kinderen (eiseres II en eiseres III) geboren. In 2012 is aan eiseres een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. De meest recente afgewezen verblijfsaanvraag van eiseres uit 2015 betrof een beroep op de kinderpardonregeling. Eiseres en haar kinderen zijn daarna op 17 november 2016 naar Congo uitgezet. Eiseres had tegen deze (voorgenomen) uitzetting bezwaar gemaakt en verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend, die zijn afgewezen. Het bezwaar is door verweerder ongegrond verklaard.

1.2

Op 17 november 2016 is namens eiseressen een procedure gestart om afgifte van mvv’s voor verblijf in Nederland, om gezinsleven uit te oefenen met [naam] op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). [naam] (hierna: referent) heeft eiseressen II en III op 18 november 2017 formeel erkend. Niet is eerder punt van discussie geweest, maar ook is niet komen vast te staan dat eiseressen II en III de biologische kinderen zijn van referent.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder de mvv-aanvragen afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd.

Standpunt verweerder

2.1

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres I afgewezen, omdat eiseres I een inreisverbod van twee jaar heeft dat nog voortduurt. Verder voldoet zij niet aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning, zodat het inreisverbod ook niet ambtshalve wordt opgeheven. De aanvragen van eiseressen II en III zijn afgewezen omdat ook zij niet voldoen aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunningen. Niet is aangetoond dat tussen eiseressen II en III en referent sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De verklaringen van een kerkvoorganger ( [naam] ), van [naam] , van ouders van kinderen van de oude school van eiseressen II en III, van een huisarts en van een aantal AZC-bewoners, leiden volgens verweerder niet tot een ander oordeel.

2.2

In het verweerschrift heeft verweerder nader toegelicht dat geen sprake is van een officieel vastgestelde omgangsregeling tussen referent en de kinderen en dat niet is komen vast te staan dat daadwerkelijk invulling werd en wordt gegeven aan het gestelde gezinsleven tussen eiseressen II en III en referent. Niet is gebleken dat referent het gezag heeft over de kinderen, noch in welke mate hij betrokken is geweest bij de zorg en opvoeding en bij belangrijke beslissingen in het leven van de kinderen. In de brief van de gemachtigde van eiseressen van 2 februari 2017 staat dat referent “geen ervaring heeft met het verzorgen en opvoeden van kinderen omdat hij dat nog nooit gedaan heeft”, als reden waarom eiseres I de kinderen naar Nederland zou moeten vergezellen. Dit duidt niet op een intensieve rol van referent. Verweerder heeft verder toegelicht waarom de door eiseressen in beroep overgelegde stukken naar zijn mening niet leiden tot een andere conclusie.

Geschilpunt

3. De rechtbank stelt vast dat eiseressen een beroep doen op artikel 8 van het EVRM in het kader van uitoefening van familie-/gezinsleven met referent, en in het kader van privéleven. In geschil is daarbij of tussen eiseressen II en III en referent gezinsleven bestaat. Daarnaast is in geschil of eiseressen op grond van het door hun opgebouwde privéleven in Nederland recht hebben op verblijf in Nederland. Hoewel eiseressen gedurende de procedure ook documenten hebben overgelegd over hun huidige woonsituatie in Congo en de hulp die zij daarbij (noodgedwongen) van verschillende mensen ontvangen, ziet de rechtbank niet in, hoe vervelend de situatie mogelijk ook is, hoe deze informatie bij de onderhavige procedure kan worden betrokken.

Bespreking beroepsgronden

Familie- of gezinsleven

4.1

Eiseressen voeren aan dat, hoewel eiseres I en referent nooit met elkaar hebben samengewoond, vaststaat dat zij drie kinderen hebben gekregen. Op [geboortedatum] 2017 is een derde kind, een zoon, geboren in Congo. Referent heeft alle drie de kinderen erkend. Tussen referent en de kinderen bestond en bestaat een omgangsregeling en gezinsleven. Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen bij eiseres I is, dient zij met de kinderen mee te reizen om de omgang tussen referent en de kinderen te kunnen laten plaatsvinden. Anders dan verweerder stelt, is wel sprake van feitelijke invulling van het gezinsleven tussen de kinderen en referent. Eiseressen menen dat zij dit voldoende hebben onderbouwd met de volgende stukken en verklaringen:

  • -

    verklaringen van referent tijdens de hoorzitting;

  • -

    foto’s van de muurtekeningen op de kinderkamer die referent voor de kinderen had in zijn huis;

  • -

    een filmpje, waarop referent een koffer met spullen en kleding van de kinderen toont, die in zijn appartement is achtergebleven;

  • -

    andere foto’s van kinderspullen, kleding, melkpoeder, speelgoed, elektronica, knuffelbeesten, dvd’s, tekeningen, een oefenschriftje, een tekenboek, leesboeken;

  • -

    verklaring van de huisarts van referent;

  • -

    de verklaring van kerkvoorganger [naam] , die handtekeningen heeft opgehaald in het AZC van getuigen die zeggen dat referent betrokken is bij zijn kinderen;

  • -

    verklaringen van schoolouders [naam] en [naam] dat referent om de week samen met eiseres I de kinderen van school kwam halen en dat referent een aanwezig vader is;

  • -

    verklaringen van Cordaan en PDC over de psychische toestand van eiseres I (zwakzinning/ verstandelijk beperkt);

  • -

    een rapportage van Defence for Children van 17 november 2016, waarin wordt verklaard dat er om de week omgang was tussen eiseressen II en III en referent.

Anders dan verweerder lijkt te suggereren, heeft de voorzieningenrechter in zijn uitspraak ten aanzien van de uitzetting geen inhoudelijk oordeel gegeven over de verklaringen van de school en AZC-bewoners, maar heeft hij enkel overwogen dat eiseressen deze verklaringen eerder hadden kunnen overleggen.

4.2

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres I geen duurzame, exclusie relatie heeft met referent. Enkel is in geschil of gezinsleven bestaat tussen eiseressen II en III en referent, en of zij op grond daarvan verblijf in Nederland zouden moeten krijgen. In dat geval zou volgens hen ook aan eiseres I verblijf in Nederland moeten worden toegestaan, omdat het noodzakelijk is dat zij haar kinderen vergezelt.

4.3

De rechtbank stelt vast dat referent eiseressen II en III heeft erkend. Op grond van het beleid van verweerder in paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 neemt verweerder familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM aan tussen een minderjarig kind en zijn erkenner, mits aan de relatie voldoende invulling wordt gegeven. In geschil is of eiseressen hebben aangetoond dat aan de relatie tussen referent en eiseressen II en III voldoende invulling werd gegeven.

4.4

De rechtbank volgt verweerder in diens standpunt dat de feitelijke invulling van de gestelde gezinsband tussen eiseressen II en III en referent onvoldoende is aangetoond. De verklaringen van referent tijdens de hoorzitting zijn daartoe op zichzelf onvoldoende. Daarnaast heeft eiseres I tijdens eerdere procedures wisselend verklaard over het contact tussen referent en de kinderen. Zo heeft zij enerzijds verklaard dat referent de kinderen niet wil erkennen en dat er geen contact met hem zou zijn, terwijl zij op een ander moment heeft verklaard dat hij de kinderen wel in het weekend ophaalt en dat de kinderen geregeld het weekend bij hem doorbrengen. Voor deze discrepantie heeft eiseres 1 geen (logische) verklaring gegeven. Verder is, zoals verweerder naar voren heeft gebracht, bij de aanvraag weer anders verklaard, namelijk dat referent geen ervaring heeft met het verzorgen en opvoeden van kinderen omdat hij dat nog nooit gedaan heeft. Ten aanzien van de verklaring van de huisarts van 16 november 2017, die verweerder op zitting samengevat heeft voorgelezen, overweegt de rechtbank dat deze onbetwist geen beschrijving geeft van de invulling van het familieleven. De rechtbank is daarnaast met verweerder van oordeel dat het opvalt dat de huisarts spreekt over getuige zijn van de geboorte van de drie kinderen van eiseres I, terwijl het jongste kind niet in Nederland maar in Congo is geboren. Ook ten aanzien van de verklaring van het [naam] dat zij referent over het afgelopen jaar ongeveer om de week bij school hebben gezien bij het ophalen van de kinderen, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat deze te weinig zegt over de feitelijke invulling van het gezinsleven. De rapportage van Defence for Children verwijst ten aanzien van de invulling van het gezinsleven enkel naar de hiervoor genoemde verklaring van het [naam] en kan dan ook evenmin als onderbouwing van dit criterium worden gezien Ook aan de door de voorganger opgehaalde handtekeningen van onbekende mensen die verblijven in het AZC heeft verweerder niet waarde hoeven hechten die eiseressen daaraan gehecht wilden zien. Uit het document valt immers niet af te leiden waarop de ondertekenaars de door hen gestelde kennis hebben gebaseerd, noch op welke wijze referent daadwerkelijk invulling geeft aan het gezinsleven. De verklaringen ter zitting van [naam] dat zij referent in het AZC heeft ontmoet, en van [naam] dat zij referent ook regelmatig op het schoolplein heeft gezien om de kinderen op te halen, zeggen onvoldoende over de (intensiteit van de) invulling van het gestelde gezinsleven tussen referent en eiseressen II en III. Tot slot kan uit de in beroep overgelegde foto’s van kinderkleding, melkpoeder, speelgoed en dvd’s, tekeningen, een oefenschriftje en teken- en leesboeken evenmin worden afgeleid wat de frequentie was van het contact tussen referent en eiseressen II en III, al aannemende dat deze spullen van eiseressen waren en bij referent in huis lagen. Hoewel uit het voorgaande kan worden afgeleid dat sprake was van enige omgang, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat dit niet voldoende is om gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM aan te nemen tussen referent en eiseressen II en III. Verweerder heeft zich derhalve niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat tussen hen geen sprake is van een gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM en eiseressen daarom niet voldoen aan de voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning.

Privéleven

5.1

Eiseressen hebben ter zitting aangevoerd dat de afwijzing van de aanvraag ook in strijd is met hun recht op privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Eiseres I woonde sinds haar zestiende jaar in Nederland en eiseressen II en III zijn in Nederland geboren en getogen. Eiseressen verwijzen het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 8 november 2016, inzake El Ghatet tegen Zwitserland.1 Eiseressen vinden dat zij het recht hebben om hun privéleven verder in Nederland uit te oefenen en dat daarom aan hen verblijf moet worden toegestaan.

5.2

De rechtbank is van oordeel dat ook dit betoog faalt. De rechtbank is van oordeel dat ook indien wordt aangenomen dat eiseressen privéleven in Nederland hebben opgebouwd, verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de belangenafweging (‘fair balance’) tussen het persoonlijke belang van eiseressen en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid, in het nadeel van eiseressen uitvalt. Verweerder heeft ter zitting terecht gesteld dat een verblijfsvergunning voor het uitoefenen van privéleven op grond van artikel 8 van het EVRM slechts in uitzonderlijke gevallen wordt verleend, zeker als het verblijf in Nederland nooit rechtmatig is geweest. Verweerder heeft onder meer verwezen naar een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 januari 20182, waarin ook wordt verwezen naar het arrest Butt tegen Noorwegen van 4 december 2012 van het EHRM3. Uit dat arrest kan worden afgeleid dat zwaarwegende redenen van migratiebeleid in beginsel aanleiding zijn het gedrag van de ouders van een vreemdeling aan de desbetreffende vreemdeling toe te rekenen, in verband met het risico dat ouders gebruik maken van de positie van hun kinderen om een verblijfsrecht te verkrijgen. Indien de desbetreffende vreemdeling dan wel diens ouders konden - althans hadden moeten - weten dat het verblijfsrecht van die vreemdeling onzeker was, bestaat slechts onder bijzondere omstandigheden reden voor de conclusie dat op grond van artikel 8 van het EVRM een verplichting bestaat tot het laten voortzetten van het privéleven. Eiseressen hebben veel minder lang in Nederland verbleven dan de vreemdelingen in de genoemde zaak bij de Afdeling, die meer dan 23 en 25 jaar in Nederland hadden verbleven en die ook niet in aanmerking kwamen voor een verblijfsvergunning. Gelet hierop, en nu het privéleven van eiseressen in Nederland zich tijdens illegaal verblijf heeft ontwikkeld en eiseressen II en III daarnaast nog relatief jong zijn, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat dat de belangenafweging in het nadeel van eiseressen uitvalt en er geen verplichting bestaat tot het laten voortzetten van het privéleven van eiseressen in Nederland.

6. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

7. De gevraagde voorziening strekt er toe te bepalen dat eiseressen de procedure in Nederland mogen afwachten, tot er een besluit in kracht van gewijsde is. De rechtbank overweegt dat het verzoek connex is aan het onderhavige beroepschrift. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om hangende de beroepsprocedure een voorlopige voorziening te treffen, en ziet ook nu geen aanleiding die te treffen, gelet op het feit dat de rechtbank heden het beroep ongegrond heeft verklaard.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 18/507,

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 18/508,

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Kreb, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

1 publicatienummer ECLI:CE:ECHR:2016:1108JUD005697110

2 publicatienummer ECLI:NL:RVS:2018:73

3 publicatienummer ECLI:CE:ECHR:2012:1204JUD004701709