Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9608

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-08-2018
Datum publicatie
09-08-2018
Zaaknummer
SGR 18/4729
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Kappen van 130 bomen en verplanten van 30 bomen langs de Scheveningseweg (traject tramlijn 1) te Den Haag. Voorzieningenrechter vindt dat B&W op basis van de verrichte onderzoeken voldoende hebben aangetoond dat het noodzakelijk is om de meeste van de 130 bomen op het traject te kappen. Langs het traject staan 25 bijzondere bomen, waarvan er volgens de verleende vergunning 12 behouden kunnen blijven. Vergunning wordt geschorst voor nog eens negen bijzondere bomen. Voor iedere bijzondere boom moet een afzonderlijke beoordeling plaatsvinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2018/7923
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/4729

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 augustus 2018 op het verzoek om een voorlopige voorziening tussen

Actiegroep Behoud Scheveningse Bosjes, Waterpartij en Westbroekpark, Stichting Bomenstichting Den Haag, stichting Bewonersorganisatie Archipel & Willemspark, stichting SOS Den Haag en de vereniging Wijkoverleg Zorgvliet, te Den Haag, verzoekers

(gemachtigde: mr. R.B. van Heijningen),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M.C. van der Helm).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Gemeente Den Haag, vergunninghouder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de gemeente Den Haag een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 130 bomen en het verplanten van 30 bomen (stamomtrekken 30-287 cm), staande langs de openbare weg ter hoogte van Scheveningseweg 21 tot en met 235 en het Carnegieplein 5 (traject tramlijn 1) te Den Haag.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2018. Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, [gemachtigde] en [gemachtigde 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, en [medewerker A] , [medewerker B] en [medewerker C] en [medewerker D] , werkzaam bij HTM Personenvervoer N.V.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Spoedeisend belang

2. Ter zitting is gebleken dat vergunninghouder op 13 augustus 2018 met de kap van de bomen wil beginnen. Nu het kappen van de bomen onomkeerbaar is, is daarmee het spoedeisend belang gegeven.

Procedure voorafgaand aan besluitvorming

3. Tussen partijen staat vast dat de Scheveningseweg grote cultuurhistorische waarde heeft en karakteristiek is; dit in het bijzonder door de bomenrijen. Vanwege de impact die de vervanging van de spoorconstructie op de Scheveningseweg op de omgeving - méér dan alleen de spoorzone - heeft, is door de toenmalige wethouder in april 2016 een Denktank van vertegenwoordigers van wijk- en maatschappelijke organisaties, waaronder verzoekers, geïnstalleerd om te adviseren over hoe de spoorconstructie tussen de Burgemeester Van Karnebeeklaan en de Duinstraat kan worden vervangen met behoud van zoveel mogelijk bomen. Nadat diverse onderzoeken en inventarisaties hebben plaatsgevonden, onder andere een bewortelingsonderzoek, een onderzoek naar de kastanjebloedingsziekte van de Wageningen Universiteit van 2006 tot en met 2015, een Inpasbaarheidsonderzoek 22 bomen 2016 door Cobra boomadviseurs en een Onderzoek van de bomen II door New York Boomadvies B.V., zijn verricht, heeft de Denktank een advies uitgebracht.

Zeven van de twaalf Denktankleden hebben geadviseerd om de sporen te verleggen met 1,0 meter richting boszijde en om middenmasten toe te passen. Het verschuiven van het spoor zal, blijkens het meerderheidsadvies, inhouden dat de groenstrook langs de rijbaan in oppervlakte wordt vergroot, er meer ruimte voor de bomen komt om zich te ontwikkelen en dat het mogelijk is een constructie aan te brengen die geen negatieve invloed heeft (op langere termijn) op de toekomstverwachting van de bomen. Op 13 april 2017 is de rapportage met het advies van de Denktank aangeboden aan de toenmalige wethouder. Verweerder heeft het meerderheidsadvies van de Denktank gevolgd en gebruikt als uitgangspunt voor het verder uitwerken van en het realiseren van het project (aanleg van het tramspoor).

Bestreden besluit

4.1

Op 26 januari 2018 heeft de gemeente Den Haag een omgevingsvergunning aangevraagd voor het kappen van 128 bomen en het verplanten van 30 bomen (stamomtrekken 30-287 cm), staande in de openbare ruimte nabij de Scheveningseweg ter hoogte van de huisnummers 21 tot en met 235 en het Carnegieplein ter hoogte van huisnummer 5. Op 18 april 2018 is per e-mail het aantal te kappen bomen gewijzigd naar 130 bomen. Het kappen en het verplanten van de bomen is nodig in verband met het vervangen van de tramspoorconstructie van tramlijn 1 aan de Scheveningseweg, waarbij zowel de sporen als de onderliggende constructie zullen worden vernieuwd. Het tramtracé maakt onderdeel uit van een Rijksbeschermd stadsgezicht.

4.2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend. De omgevingsvergunning ziet op het kappen van 41 gezonde bomen, 13 bijzondere bomen en 76 bomen met de kastanjebloedingsziekte en het verplanten van 30 bomen (lindes). Aan het besluit is ten grondslag gelegd dat de noodzaak voor het kappen en verplanten voor het vernieuwen van de spoorconstructie ten behoeve van de exploitatie van tramlijn 1 door de aanvrager voldoende aannemelijk is gemaakt. Het belang van de aanvrager om 130 bomen te kappen en 30 bomen te verplanten weegt volgens verweerder zwaarder dan de waarden die de bomen vertegenwoordigen. Aan het bestreden besluit zijn voorschriften verbonden.

Standpunten van partijen

5. Verzoekers hebben -samengevat- aangevoerd dat het besluit tot kappen niet zorgvuldig is voorbereid. De door hen voorgestelde variant ‘paal naast poer’ is door verweerder in de standpuntenbrief niet opgenomen noch voorgelegd aan de gemeenteraad ten behoeve van de besluitvorming. Met die variant blijven meer bomen staan dan bij de gekozen variant van de verschoven ligging van het spoor. Bij de verschoven ligging van het spoor moet een cunet gegraven worden van 1,2 meter diepte om een zandpakket aan te leggen. Alle wortels van bomen ter plaatse van het cunet en een deel van wortels van bomen naast het cunet moeten volgens verzoekers verwijderd worden. Er wordt volgens verzoekers niet voldaan aan de Provinciale verordening, voortvloeiend uit de Wet Natuurbescherming. De ‘verschoven ligging’ komt namelijk te liggen in de Stedelijke Groen Hoofdstructuur, waarvan het college zich verplicht heeft deze duurzaam in stand te houden en te versterken. Er moet compensatie worden geboden voor de teloorgang van deze oude bosstrook op grond van de Provinciale verordening. Verzoekers betogen verder dat de aanvraag voor de vergunning ten behoeve van de spoorvervanging van de Scheveningseweg afwijkt van het advies van de Denktank en het door de gemeenteraad vastgestelde geamendeerde raadsvoorstel. De afwijkingen betreffen het schrappen van wortelbeschermingsfuncties (zoals bomenviaducten) en een bredere verschuiving van de ‘verschoven ligging. Tussen spoor en een deel van de rijbaan komt ook een keerwand, die niet is besproken in de Denktank, waardoor er minder wortelruimte ontstaat. Volgens verzoekers zal van een aantal andere bomen de wortels worden aangetast door het graven van het cunet en het plaatsen van meer keerwanden langs het gehele traject, in plaats van een deel van het traject. Verder voeren verzoekers aan dat er nog veel gegevens ontbreken, dat er geen compensatie van de bomen is toegepast, dat de groenbestemmingen gewijzigd dienen te worden en dat er grote onzekerheid bestaat over de mogelijkheden om de schade aan het Tolhuis te voorkomen. De voorgenomen activiteiten leiden tot aantasting van het historisch karakter van de weg. De veranderingen leiden in ieder geval tot het kappen van een extra aantal waardevolle beeldbepalende oude bomen aan de boszijde van het spoor. Voorts hebben verzoekers zich op het standpunt gesteld dat verweerder alsnog een Bomen effect analyse (BEA) dient te verrichten.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat het voor de vervanging van het tramspoor op de Scheveningseweg onvermijdelijk is dat er bomen moeten worden gekapt. De boomwortels zijn op vele plekken zodanig met de tramfundering vergroeid dat bij het verwijderen van de poerenconstructie de boomwortels beschadigd zullen worden. Partijen zijn verdeeld over de vraag hoeveel bomen gekapt moeten worden.

Wettelijk kader

7.1.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geldt, voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om houtopstand te vellen of te doen vellen, een zodanige bepaling als een verbod om een project uit te voeren zonder omgevingsvergunning, voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat.

7.2.

Ingevolge artikel 2.18 van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.

7.3

De verordening is de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Den Haag (APV).

7.4.

Ingevolge artikel 2:87, eerste lid, van de APV is het verboden een houtopstand zonder vergunning of, indien de houtopstand is vermeld op de lijst van monumentale bomen zonder ontheffing, van het bevoegd gezag te vellen of te doen vellen.

7.5.

Ingevolge artikel 2:88, eerste lid, van de APV, kan het bevoegd gezag de vergunning of ontheffing, als bedoeld in artikel 2:87, eerste lid, weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van:

  • -

    natuur-, educatieve en milieuwaarden;

  • -

    belevings- en gebruikswaarden.

Toetsingskader

8.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR4883) een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand moet worden getoetst aan het beoordelingskader van de lokale van toepassing zijnde verordening. Dat beoordelingskader staat los van het beoordelingskader voor bijvoorbeeld bouwen, aanleggen of planologische voorschriften van de Wet ruimtelijke ordening of de Wabo.

8.2

Uit artikel 2:88, eerste lid, van de APV volgt dat verweerder een vergunning alleen kan weigeren als een of meer van de daar genoemde weigeringsgronden zich voordoen. Bij die beslissing moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden die voor en tegen het vellen van de houtopstand pleiten. Verweerder moet in dit verband en toegespitst op de voorliggende vergunningaanvraag een belangenafweging verrichten tussen de noodzaak van de vervanging van de trambaan op de Scheveningseweg ten behoeve van tramlijn 1 tegen het behoud van de waarden van de bomen. Bij deze beoordeling komt verweerder beslissingsruimte toe. De toetsing door de voorzieningenrechter is daarom terughoudend.

8.3.

De voorzieningenrechter zal, gelet op dit toetsingskader, de gronden van het verzoek die zien op de gekozen variant van de vervanging van de tramspoorconstructie en de daarbij behorende technische en bouwkundige voorzieningen, alsmede eventuele schade aan het Tolhuis, onbesproken laten. Deze gronden hebben immers betrekking op de aanleg van de tramsporen en overige voorzieningen en zien niet op de vraag of een van de waarden van artikel 2:88 van de APV zich tegen de onderhavige vergunningverlening verzet.

Wat betreft de door verzoekers specifiek aangedragen ‘paal naast poer’-variant overweegt de voorzieningenrechter in dit verband dat slechts een minderheid van de Denktank hierover positief heeft geadviseerd; de (politieke) keuze van het college om het meerderheidsadvies met betrekking tot het vervangen van de trambaan op het traject Scheveningseweg/-Carnegieplein te volgen ligt niet ter toetsing aan de voorzieningenrechter voor.

Inmiddels zijn de vervanging van de tramspoorconstructie en de daarbij behorende technische en bouwkundige voorzieningen door verweerder vergund; tegen die omgevingsvergunning - zo is de voorzieningenrechter ambtshalve bekend - hebben verzoekers inmiddels een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Tracé tussen de Duinstraat en de Prof. B.M. Teldersweg

9.1.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat verweerder voldoende, op basis van de verrichte onderzoeken en inventarisaties naar de bomen aan de Scheveningseweg, heeft aangetoond dat het noodzakelijk is om de bomen (behoudens een aantal bijzondere bomen, zie hierna onder het kopje Bijzondere bomen) die staan op het tracé tussen de Duinstraat en de Prof. B.M. Teldersweg, te kappen. Voorshands is niet gebleken dat een van de waarden als genoemd in artikel artikel 2:88, eerste lid, van de APV zich tegen het verlenen van de vergunning verzet. Uit de voorhanden zijnde stukken komt namelijk naar voren dat er op dit tracé voor is gekozen om de grote lindes, die in een goede gezondheid verkeren, zo veel mogelijk te handhaven. Het huidige tramspoor op dit tracé is aangelegd als een zogeheten poerenconstructie, waarbij de boomwortels zijn vergroeid met deze constructie. Het is niet mogelijk de constructie te vervangen zonder het wortelpakket dusdanig te beschadigen dat de bomen zullen sterven. Hierdoor is het niet mogelijk om de volledige poerenspoorconstructie te verwijderen. Vanaf de Scheveningseweg gezien blijft de eerste rij poeren in de grond, wordt de verbindingsstang bij de tweede rij poeren doorgezaagd en worden de tweede, derde en vierde rij poeren verwijderd. De schade aan het wortelpakket van de bomen langs de weg wordt hierdoor geminimaliseerd. Door de verschuiving van het spoor krijgen de bomen in de toekomst zelfs extra ruimte. De bomen die te dicht op het spoor staan of door de verschuiving van het spoor te dicht op het spoor komen te staan, kunnen niet worden gehandhaafd. Enkele bomen blijken goed verplantbaar, deze worden dan ook verplant, maar de meeste bomen zijn niet verplantbaar en moeten worden gekapt. Daar waar toch bomen moeten worden gekapt omdat ze te dicht op het spoor staan en/of niet vitaal zijn, worden de ontstane gaten gevuld met aanplant van nieuwe bomen. Op dit deel van het traject worden (aan de wegzijde) voor de te kappen bomen nieuwe bomen terug geplant; 30 bomen worden in het najaar verplant.

Tracé tussen de Prof. B.M. Teldersweg en het Carnegieplein/Burgemeester van Karnebeeklaan

9.2.

De voorzieningenrechter is ook ten aanzien van het tracé tussen de Professor B.M. Teldersweg en het Carnegieplein/Burgemeester van Karnebeeklaan van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom het noodzakelijk is dat de bomen, behoudens een aantal bijzondere bomen, die op dit tracé staan, gekapt dienen te worden. Op dit tracé staan overwegend kastanjes die aangetast zijn door de paardenkastanjebloedingsziekte. De verwachting is dat deze bomen binnen nu en 10 jaar dood gaan. Bovendien bestaat de kans dat de zieke bomen bij een zware storm op de trambaan of tram terecht komen. Ter voorkoming hiervan en om de veiligheid van personen te waarborgen, is de kap van deze bomen ook aangewezen.

Verweerder heeft de keuze om de zieke bomen te kappen nader onderbouwd door te stellen dat voor de nieuw te planten bomen een toekomstbestendige en duurzame situatie zal ontstaan. De te kappen bomen worden vervangen door een meer gevarieerd assortiment. Dit maakt het groen minder kwetsbaar voor ziektes en aantastingen. Door de verschuiving van het spoor in combinatie met het toepassen van keerwanden aan weerszijden van de berm, is deze volledig beschikbaar voor de bomen. Door in deze berm een mengsel van teelgrond en bomenvoedingsgrond aan te brengen en voedingspijlers toe te passen zullen de nieuwe bomen in zeer goede omstandigheden komen te staan. Mede gezien de keuze in boomsoorten is het de verwachting dat deze snel zullen groeien waardoor binnen 10 jaar weer een mooi laanprofiel wordt bereikt. De kastanjebomen aan de boszijde van de trambaan, die niet gekapt hoeven te worden voor de werkzaamheden, worden zo lang mogelijk gehandhaafd. Hier wordt een uitstervingsbeleid gehanteerd.

De voorzieningenrechter acht, terughoudend toetsend, de keuze van verweerder om de 76 bomen die ziek zijn te kappen, niet onbegrijpelijk en oordeelt dat voorshands niet is gebleken dat een van de waarden als genoemd in artikel artikel 2:88, eerste lid, van de APV zich tegen het verlenen van de vergunning verzet.

BEA?

9.3.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om het verzoek van verzoekers om verweerder op te dragen om een BEA te verrichten, in te willigen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat er door deskundigen diverse onderzoeken namens vergunninghouder en verweerder zijn verricht, waaruit onder meer gebleken is dat het behoud van de betreffende bomen onverenigbaar is met alle uit te voeren noodzakelijke werkzaamheden en met de gemaakte keuzes voor een duurzame spoorconstructie. Niet gebleken is dat aan de verrichte onderzoeken en adviezen gebreken kleven, behoudens – zoals hierna zal worden overwogen – ten aanzien van een aantal bijzondere bomen. Er wordt daarom vooralsnog uitgegaan van de juistheid daarvan. Verweerder heeft de resultaten van die onderzoeken aan de kap van de betreffende bomen ten grondslag mogen leggen. Verder kan er niet zonder meer aan worden voorbijgegaan dat het project tot de vervanging van de tramspoorconstructie is besproken met diverse vertegenwoordigers van wijk- en maatschappelijke organisaties in de al genoemde Denktank. Daarnaast acht de voorzieningenrechter van bijzonder belang dat verweerder om de nadelige gevolgen van het vellen van de bomen zoveel mogelijk te beperken een herplant- en verplantplicht van bomen heeft opgelegd. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat uit de voorhanden zijnde stukken genoegzaam blijkt dat met het herplanten van 164 bomen met minimale stamomtrekken van 20-25 cm, die als verplichting aan de verleende omgevingsvergunning is verbonden, het groene beeld van het gebied ook in de toekomst behouden zal worden en dat de herplant van deze bomen de gevolgen van de te kappen bomen voor het straatbeeld en de leefbaarheid voldoende compenseert. De voorzieningenrechter twijfelt er voorshands niet aan dat door de herplant ook de cultuurhistorische waarde en zodoende de bijzondere karakteristiek van de Scheveningseweg behouden kan blijven. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter het uitgebrachte positieve advies van de Groenbeheerder ten aanzien van de te kappen bomen, die in zijn advies concludeert dat, in verband met de voorgenomen tramtracévernieuwing en exploitatie van tramlijn 1, er zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden waarbij zoveel mogelijk bomen duurzaam gehandhaafd kunnen blijven.

Provinciale verordening

9.4.

Anders dan door verzoekers wordt betoogd, zal naar voorlopig oordeel wel worden voldaan aan de Provinciale verordening, nu aan de verleende omgevingsvergunning een herplantplicht is verbonden, zodat daarmee de te kappen bomen worden gecompenseerd. Daarnaast wordt, zo blijkt uit de stukken, het totale groene beeld door de combinatie van bomen langs het spoor, gras-/kruidenmengsel in de bermen en tussen het spoor in de nieuwe situatie even groen als het huidige beeld. Doordat in de nieuwe situatie meer bomen geplant zullen worden dan er nu gekapt worden, wordt het aanwezige groen - op den duur - niet verminderd. Het betoog van verzoekers slaagt niet.

Bijzondere bomen

9.5.

Uit de stukken komt naar voren dat de Denktank unaniem 25 van de bomen aan de Scheveningseweg heeft aangewezen als bijzonder waardevol. Verder blijkt uit de rapportage van de Denktank dat, ongeacht welke variant gekozen zou worden ten behoeve van de vervanging van het tramspoor, één bijzondere boom niet gehandhaafd kon worden. Dat van het begin af aan duidelijk is geweest dat de meeste bijzondere bomen gekapt moesten worden, zoals ter zitting namens verweerder is gesteld, blijkt dus niet uit het Denktank-rapport.

9.6.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat voor iedere bijzondere boom, gelet op het juridische kader van artikel 2.88 van de APV, een afzonderlijke beoordeling dient plaats te vinden. Elk van de unaniem door de Denktank aangewezen bijzondere bomen vertegenwoordigt afzonderlijk de door de APV beschermde belangen van natuur- en milieuwaarden alsmede belevings- en gebruikswaarden. Per bijzondere boom dient dan ook een afweging van die belangen plaats te vinden, afgezet tegen het belang van de aanleg van het tramspoor.

9.7.

In de loop van de besluitvormingsprocedure is onderzoek verricht naar de 25 bijzondere bomen. Cobra boomadviseurs (Cobra) heeft in 2016 een inpasbaarheidsonderzoek uitgevoerd naar 22 van de bijzondere bomen. Van drie van de bijzondere bomen was op dat moment zeker dat deze gehandhaafd kunnen worden. In de rapportage ‘Inpasbaarheidsonderzoek’ van Cobra van 14 november 2016 is gerapporteerd dat voor 12 van de overige bomen onduidelijk was of ze wel inpasbaar waren, 6 bomen waren wel inpasbaar en 4 bomen waren niet inpasbaar. Op 24 januari 2018 is van de zijde van verweerder wederom onderzoek gedaan. Naar aanleiding van dit onderzoek is door New York Boomadvies en Prohold B.V. op 20 februari 2018 een extra onderzoek gedaan, middels onder andere het graven van proefsleuven naar de 12 bijzondere bomen om te kijken of handhaven toch mogelijk is, bijvoorbeeld met behulp van voorbereidende maatregelen of met behulp van alternatieve constructies voor de trambaanfundering (bijvoorbeeld een boomwortelviaduct), waardoor onnodige wortelschade kan worden voorkomen.

9.8.

In de rapportage van New York Boomadvies van maart-april 2018 is gerapporteerd dat van zes bomen reeds is bepaald dat handhaven bij de aanleg van de tramfundering niet haalbaar is. Het gaat om de op de bij het bestreden besluit behorende tekening met kenmerk 95019094-DELFT-CUL-VG-002 CUL1/2 (met daarop handgeschreven: 18/4 rectificatie bijlage 11) als bijzondere boom aangeduide bomen met de nummers 26, 53, 68, 73, 86 en 87. Ten aanzien van de boom met nummer 68 is in het rapport vermeld dat deze boom gehandhaafd kan blijven, waarbij het aanbrengen van verticale grondkolommen noodzakelijk is. De voorzieningenrechter moet echter vaststellen dat op genoemde tekening - in afwijking van het rapport van New York Boomadvies - is aangegeven dat deze boom gekapt zal worden. In de voorhanden zijnde stukken is niet terug te vinden waarom het noodzakelijk is dat deze boom wordt gekapt. De overige bomen met de nummers 55, 64, 76, 77, 79 en 88 kunnen volgens New York Boomadvies gehandhaafd worden; uit het bestreden besluit blijkt dat deze ook daadwerkelijk behouden blijven.

9.9

De voorzieningenrechter moet aan de hand van de zich in het dossier bevindende stukken verder vaststellen dat met betrekking tot de bijzondere bomen met de nummers 27, 33, 34 en 43 na het onderzoek door Cobra geen nader onderzoek is verricht. Uit het door Cobra verrichte onderzoek komt naar voren dat Cobra ten aanzien van een aantal bijzondere bomen, die mogelijk inpasbaar zouden zijn, heeft geadviseerd om maatregelen, zoals 20-25% of 30% kroonreductie in verband met duurmeting en het aanbrengen van kroonverankering, te nemen alsmede om een deel van de oude fundering van de railconstructie ter hoogte van te bomen te laten liggen. Uit de voorhanden zijnde stukken blijkt evenmin dat hiernaar onderzoek is verricht.

9.10.

De voorzieningenrechter oordeelt voorshands dat ten aanzien van 9 te kappen bijzondere bomen in het dossier onvoldoende blijkt van een individuele afweging per boom naar de ingevolge artikel 2.88 van de APV beschermde belangen tegen het belang van de verleende vergunning. Dit wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevestigd in het advies van de Groenbeheerder, waarin geen afweging per bijzondere boom is terug te vinden, maar waarin van het geheel van de 130 te kappen bomen wordt uitgegaan. Tegen de achtergrond van het in juni 2017 aan de zijde van verweerder ingenomen standpunt dat één bijzondere boom gekapt diende te worden en dat voor de overige bijzondere bomen in beginsel een oplossing gezocht zou worden, had het op de weg van verweerder gelegen om per boom een inzichtelijke individuele beoordeling op grond van artikel 2.88 van de APV van de noodzaak voor de kap te maken.

9.11

De voorzieningenechter is van oordeel dat, nu een inzichtelijke beoordeling van elk van 9 te kappen afzonderlijke bijzondere bomen vooralsnog ontbreekt, de bezwaarprocedure het aangewezen moment is om die beoordeling alsnog uit te voeren. De voorzieningenrechter realiseert zich dat - gelet op het standpunt van verweerder ter zitting dat geen tijd meer verloren mag gaan en dat alle bomen direct gekapt dienen te worden - hierdoor mogelijk een vertraging van het project zal kunnen ontstaan. De voorzieningenrechter vermag echter niet in te zien dat er voor het nadere onderzoek naar de 9 bijzondere bomen geen tijd meer beschikbaar zou zijn. Immers, verweerder heeft ook een oplossing gevonden voor de functie van een aantal bomen aan de Scheveningseweg als zogenoemde hop-over voor vleermuizen, en heeft besloten dat in verband hiermee 21 bomen na 1 november 2018 gekapt kunnen worden. Als een dergelijke (tijdelijke) oplossing voor een beschermde diersoort mogelijk is, zou er naar voorlopig oordeel ook een oplossing gevonden moeten kunnen worden voor nader onderzoek naar de 9 bijzondere bomen en het daarmee gepaard gaande tijdsverloop. Niet uit te sluiten valt immers dat, als in bezwaar per bijzondere boom een nadere individuele afweging over de kap wordt gemaakt, er een andere uitkomst mogelijk is. Dit zou dan mogelijk kunnen betekenen dat in ieder geval meer dan 12 bijzondere bomen behouden kunnen blijven. Daarbij komt dat verweerder de voortgang van de bezwaarprocedure (grotendeels) zelf in de hand heeft.

Conclusies

10.1

Behoudens de vergunning voor de kap van 9 bijzondere bomen, heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid kunnen besluiten om de gevraagde vergunning te verlenen.

10.2

Ten aanzien van de 9 te kappen bijzondere bomen dient het bezwaar afgewacht te worden. Gelet hierop en gezien het belang van verzoekers om de onomkeerbare kap van deze bomen te voorkomen, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen toewijzen en de verleende omgevingsvergunning schorsen, voor zover deze ziet op de 9 te kappen bijzondere bomen, op de bij de vergunning behorende tekening met kenmerk 95019094-DELFT-CUL-VG-002 CUL 1/2 (met daarop handgeschreven: 18/4 rectificatie bijlage 11) aangeduid met de nummers 26, 27, 33, 34, 53, 68, 73, 86 en 87.

Griffierecht en proceskosten

11. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek gedeeltelijk toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

12. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,-, (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, voor zover daarbij een omgevingsvergunning is verleend voor het kappen van de bijzondere bomen, door verweerder op de bij het bestreden besluit behorende tekening met kenmerk 95019094-DELFT-CUL-VG-002 CUL 1/2 (met daarop handgeschreven: 18/4 rectificatie bijlage 11) aangeduid en genummerd als 26, 27, 33, 34, 53, 68, 73, 86 en 87 en schorst het bestreden besluit van 31 mei 2018 in zoverre, en wel tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening voor het overige af;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 338,- aan verzoekers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.P. Jadoenathmisier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.