Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9606

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-07-2018
Datum publicatie
08-08-2018
Zaaknummer
NL 18.5310
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel / herziening / intrekking / d-grond / openbare orde / Kwalificatierichtlijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.5310

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 6 juli 2018 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [eiser] 1990, van Iraakse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. S. Thelosen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot herziening van de beslissing tot intrekking van zijn asielvergunning afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 27 februari 2018 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 15 maart 2018 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser verblijf op dit moment in Irak. Eiser was in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, die voorafgegaan werd door een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van artikel 29, eerste lid, onder d, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 (oud), de zogenaamde d-grond. Eiser kwam hiervoor in aanmerking op grond van het destijds geldende categoriale beschermingsbeleid voor Centraal-Irak.

2. Naar aanleiding van strafrechtelijke veroordelingen ten aanzien van eiser in 2009 en 2011 heeft verweerder in het besluit van 8 augustus 2014 (intrekkingsbesluit) eisers verblijfsvergunning ingetrokken en aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaren opgelegd. Dit besluit staat in rechte vast door de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 november 2015.1 Op 10 februari 2016 is eiser uitgezet naar Irak.

3. Op 2 september 2016 heeft eiser een verzoek tot opheffing van het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod gedaan. Het tegen de afwijzing van dit verzoek ingestelde beroep heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, gegrond verklaard in haar uitspraak van
12 juli 2017.2 Volgens de rechtbank had verweerder onvoldoende gemotiveerd dat van het persoonlijk gedrag van eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging uitgaat die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. In een besluit van 8 augustus 2017 heeft verweerder het inreisverbod opgeheven.

4. Op 29 september 2017 heeft eiser verweerder verzocht om het intrekkingsbesluit te herzien. Volgens eiser moet worden herzien omdat uit recente jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) en de Afdeling blijkt dat verweerder op grond van de Kwalificatierichtlijn3 bij intrekking van zijn asielvergunning had moeten beoordelen of van eisers persoonlijk gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging uitgaat die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.4

5. Verweerder heeft de aanvraag in het primaire besluit afgewezen en de afwijzing in het bestreden besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat eiser geen bescherming had in de zin van de Kwalficatierichtlijn waardoor door eiser genoemde jurisprudentie niet op het intrekkingsbesluit van toepassing was. De oude verblijfsvergunning die aan eiser is verleend op grond van de d-grond is volgens verweerder strikt nationaalrechtelijk van aard.

6. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartegen – zakelijk weergegeven – het volgende aan. Dat een verblijfsvergunning die verleend is onder de d-grond wel onder de Kwalificatierichtlijn valt, vloeit voort uit het uniforme systeem van asielrechtelijke bescherming dat al gold op grond van de oude Kwalificatierichtlijn 2004/83/EG en ook geldt onder de huidige Kwalificatierichtlijn. Zoals blijkt uit het arrest van het HvJEU van 18 december 2014 (M’Bodj)5 mag onder dat systeem alleen asiel worden verleend aan vreemdelingen die erkend moeten worden als vluchteling of in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming. Volgens eiser volgt uit M’bodj verder dat bescherming die niet op een van deze twee gronden is verleend geen ‘asiel’ mag heten. De vergunning onder de d-grond werd verleend als bescherming asiel en bood dezelfde bescherming als andere asielvergunningen op grond van dezelfde ratio: bescherming tegen een gevaarlijke situatie in het land van herkomst. Het beleid voor het invoeren van categoriale bescherming dat verweerder hanteerde op 1 mei 2005 wijkt voorts niet af van de uitleg van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn door het HvJEU.6 De bescherming geboden door vergunningen onder de d-grond moet dan ook worden beschouwd als een vorm van subsidiaire bescherming vanwege de algemene veiligheidssituatie in het land van herkomst (artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn). Dat de d-grond al bestond voor de nieuwe Kwalificatierichtlijn, doet daaraan niet af. Eiser verwijst in dit verband naar het arrest van het HvJEU van

19 september 2013.7 Daarin is overwogen dat een nieuwe regeling, voor zover niet anders is bepaald, onmiddellijk van toepassing is op toekomstige gevolgen van een onder de oude regeling ontstane situatie. Volgens eiser vallen daarom ‘oude’ vergunningen na het invoeren van de Kwalificatierichtlijn ook onder het bereik van het Unierecht. Indien de rechtbank hierover twijfelt, verzoekt eiser de rechtbank om hierover prejudiciële vragen te stellen.

7. In geschil is of verweerder met het intrekkingsbesluit subsidiaire bescherming heeft ingetrokken in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank volgt het betoog van eiser niet en overweegt daartoe als volgt.

8. Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 november 20108 volgt dat de vraag of terugkeer van bijzondere hardheid getuigt (vergunning onder de d-grond) moet worden onderscheiden van de vraag of zich de situatie voordoet, bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn.9 Dat de aard en ratio van beide bepalingen overeenkomen en dat daarom moet worden gesproken van dezelfde bescherming, volgt de rechtbank daarom niet. Dat verweerder in zijn beleid voor het invoeren van categoriale bescherming op enig moment factoren heeft gehanteerd die ook relevant zijn voor het bepalen of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn, is onvoldoende om deze vragen aan elkaar gelijk te stellen.

9. Het arrest M’Bodj biedt verder geen grond voor de stelling dat lidstaten vergunningen die niet onder de Kwalificatierichtlijn vallen geen ‘asiel’ mogen noemen of dat vergunningen die wel met de term ‘asiel’ worden aangeduid automatisch onder het bereik van de Kwalificatierichtlijn vallen. In het arrest heeft het HvJEU geoordeeld dat een lidstaat geen bepalingen mag vaststellen of handhaven op grond waarvan de in de Kwalificatierichtlijn bepaalde subsidiaire-beschermingsstatus wordt toegekend aan een derdelander die niet in aanmerking komt voor dergelijke beschermingsstatus (zoals in het geval van M’bodj op medische gronden). Dat hieruit volgt dat verlening van asiel op de
d-grond onder de Kwalificatierichtlijn valt, dan wel dat intrekking daarvan aan de hand van de Kwalificatierichtlijn moet gebeuren, ziet de rechtbank niet in.

10. De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder met het intrekkingsbesluit subsidiaire bescherming als bedoeld in de Kwalificatierichtlijn heeft ingetrokken. Verweerder heeft dan ook niet hoeven herzien in verband met de eisen die de Kwalificatierichtlijn aan de intrekking van subsidiaire bescherming stelt. Omdat dit vraagstuk naar het oordeel van de rechtbank voldoende is opgehelderd in de hierboven genoemde jurisprudentie, ziet de rechtbank geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

11. Eiser heeft subsidiair aangevoerd dat hij ten tijde van de verlening van zijn vergunning op de d-grond ook in aanmerking kwam voor verlening op de b-grond, omdat sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn in Irak. Verweerder heeft ten onrechte bij de intrekking van de asielvergunning alleen een ex nunc beoordeling naar de toepasselijkheid van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn gemaakt.

12. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling10 kan bij intrekking van een asielvergunning opgekomen worden tegen de motivering van de beslissing van verweerder om de vergunning op een bepaalde grond te verlenen, zonder dat daarbij wordt tegengeworpen dat het besluit in rechte is komen vast te staan. Eiser heeft de kans gehad om dit aan de orde te stellen naar aanleiding van het intrekkingsbesluit, maar heeft dit niet gedaan. Dit besluit staat nu in rechte vast. Nog los van de vraag wat de feiten of omstandigheden zijn die herziening van dit besluit voor wat betreft dit punt rechtvaardigen, biedt de wet noch jurisprudentie grond voor een ambtshalve plicht van verweerder om bij intrekking van een asielvergunning te beoordelen of eiser in aanmerking zou zijn gekomen voor verlening van asiel onder een andere grond ten tijde van het besluit tot verlening. Het is aan eiser om dit aan de orde te stellen en te onderbouwen.11 Eiser heeft zijn stelling dat in Irak destijds sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn niet onderbouwd. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

13. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van mr. B.V.A. Corstens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

1 201505922/1/V2.

2 AWB 16/24176.

3 Richtlijn 2011/95/EU van de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming.

4 Eiser verwijst naar de arresten van het HvJEU van 11 juni 2015, C-554/13 (Z.Zh. en I.O.) en 15 februari 2016, C-601/15 (J.N.) en de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1725).

5 C-542/13.

6 Arrest van 17 februari 2009, C-465/07 (Elgafaji).

7 C-297/12.

8 ECLI:NL:RVS:2010:BO6339.

9 Zie ook uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 december 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:18582 en 17 november 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:16563.

10 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1625.

11 Zie ook de eerder genoemde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 december 2013 (ECLI:NL:RBDHA:2013:18582).