Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9595

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-08-2018
Datum publicatie
08-08-2018
Zaaknummer
C-09-554803-KG ZA 18-611
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Rechter wijst vordering handhaving fietsverkeersregels Amsterdam af

De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft vandaag de vordering afgewezen van een bewoner van de Amsterdamse binnenstad. De bewoner stelt zich op het standpunt dat de Minister van Justitie en Veiligheid onrechtmatig handelt omdat er te weinig wordt gehandhaafd op verkeersovertredingen door Amsterdamse fietsers. Volgens hem zouden zij vaker aangesproken moeten worden op hun gedrag en beboet moeten worden, maar schiet de politie hierbij tekort.

Beleidsvrijheid lokale driehoek

De Staat betwist niet dat de verkeersregels in Amsterdam geregeld worden overtreden door fietsers. De voorzieningenrechter vindt het ook aannemelijk dat dit tot hinder leidt. De frustratie van de bewoner is dus begrijpelijk. Het is echter de taak van de burgemeester, de hoofdofficier van justitie en de hoofdcommissaris van politie om afspraken te maken over de inzet van politie, de handhaving van de regels en het kiezen van prioriteiten. De rechter kan dit beleid slechts marginaal toetsen.

Conclusie: vordering wordt afgewezen

Omdat de capaciteit van de politie niet onbeperkt is, moeten er keuzes gemaakt worden voor wat betreft handhaving. De handhaving op verkeersdelicten van fietsers heeft een lagere prioriteit gekregen dan de bewoner wenst. Die keuze hangt samen met het niveau van handhaving op andere delicten. De Staat – als medeverantwoordelijk orgaan voor de regionale verkeershandhaving – handelt niet onrechtmatig tegenover de bewoner. De vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2018/131
NJF 2018/511
JWR 2018/NaN met annotatie van Regterschot, W.H.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/554803 / KG ZA 18/611

Vonnis in kort geding van 8 augustus 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.S.J. Supicic te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden,

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. S. Heeroma te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door de Staat overgelegde productie;

- de bij de mondelinge behandeling door beide partijen overgelegde pleitnotities.

1.2.

De mondeling behandeling heeft plaatsgevonden op 25 juli 2018. Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] woont in het centrum van [woonplaats] .

2.2.

Bij brief van 23 november 2017 heeft [eiser] de burgemeester van Amsterdam gesommeerd opdracht te geven aan de Regio Politie Amstelland, in het bijzonder voor wat betreft de overtredingen van fietsers. [eiser] heeft geen reactie op deze brief ontvangen, waarna hij een kort geding procedure is gestart tegen de burgemeester van Amsterdam.

2.3.

Op 7 februari 2018 heeft de gemeente Amsterdam het verzoek van [eiser] ingebracht in het lokale driehoeksoverleg van de burgemeester, de hoofdofficier van justitie en de hoofdcommissaris van de politie. Bij brief van 26 februari 2018 heeft de gemeente aan [eiser] bericht dat in het driehoeksoverleg niet is besloten tot een andere handhavingsaanpak over te gaan.

2.4.

Bij vonnis van 21 maart 2018 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tegen de burgemeester van Amsterdam.

2.5.

Bij brief van 30 april 2018 heeft [eiser] de minister van Justitie en Veiligheid gevraagd opdracht te geven aan de hoofdofficier van justitie om maatregelen te treffen voor vervolging van de verkeersovertredingen van fietsers. In die brief schrijft [eiser] onder meer:

“Het is een feit van algemene bekendheid, dat fietsers in Amsterdam zich aan geen enkele regel houden. Niet alleen houden zij zich niet aan de verkeersregels: de Wegenverkeerswet en Het Reglement Verkeerstekens en Verkeersregels, maar ook niet aan de regels van fatsoen. (...)

Enkele voorbeelden:

- het per definitie negeren van ieder verkeerslicht,

- het rijden over de stoep en/of het zebrapad terwijl daar voetgangers oversteken.

- het, diagonaal een kruispunt oversteken met de mobiele telefoon in de hand.

zijn veelvuldig voorkomende gedragingen.

De politie staat erbij en kijkt ernaar. Ook dat ziet men dagelijks in Amsterdam.

Niemand, die ingrijpt en niemand, die de wet handhaaft.

(...)

Het uitblijven van handhaving is de oorzaak dat er voor fietsers een totale vrijstaat in Amsterdam is.

(...)

De overheid, B&W, de Hoofdofficier van Justitie van het parket Amsterdam weet dit al lang. Alleen, die doet er niets aan.

De burgemeester heeft in deze de wettelijke taak zijn bewoners te beschermen tegen geweld door derden. Het gezag schiet in deze ernstig te kort. Ik voel mij onveilig. Sterker, het is onveilig.”

2.6.

Op 8 mei 2018 heeft de minister van Justitie en Veiligheid schriftelijk aan [eiser] bericht dat er geen rol voor hem is weggelegd in deze kwestie.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de minister van Justitie en Veiligheid, althans de minister van Rechtsbescherming, te veroordelen :

I. opdracht te geven aan de hoofdofficier van het Parket Amsterdam om de Regio Politie Amstelland directieven te geven om die maatregelen te treffen die tot doel hebben de verkeersregels te handhaven, in het bijzonder de overtredingen van fietsers, althans dat hij maatregelen treft die nodig zijn om de veiligheid van [eiser] en anderen te waarborgen;

II. deze uitspraak te publiceren in een landelijk dagblad en in een lokaal Amsterdams dagblad.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. De Staat handelt onrechtmatig tegenover [eiser] (en duizenden andere voetgangers). Fietsers in Amsterdam houden zich aan geen enkele regel. [eiser] wordt voortdurend op de stoep en op zebrapaden gehinderd door fietsers en is ook geregeld gewond geraakt door aanrijdingen met fietsers op die plaatsen. De politie grijpt niet in. [eiser] en anderen voelen zich onveilig op straat en lijden daardoor schade. Zij missen de zekerheid dat het bevoegde gezag hen zal beschermen en vrezen ernstig letsel.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Vooropgesteld wordt dat kan worden aangenomen dat verkeersregels in Amsterdam geregeld worden overtreden door fietsers en dat die overtredingen in veel gevallen onbestraft blijven. Dat is op zichzelf ook niet door de Staat betwist. Het is ook aannemelijk dat dit in sommige gevallen tot hinder kan en zal leiden. De bij [eiser] hierover bestaande frustratie is dan ook alleszins begrijpelijk. Echter, dit is onvoldoende om tot toewijzing van de vordering te komen. Beoordeeld moet worden of de Staat onrechtmatig handelt jegens [eiser] en gehouden is de verkeersregels ten aanzien van fietsers in Amsterdam te (doen) handhaven of strikter te (doen) handhaven.

4.2.

Voor zover [eiser] zich op het standpunt stelt dat de Staat onrechtmatig handelt doordat in het geheel niet wordt gehandhaafd op overtredingen begaan door fietsers in Amsterdam, kan dat standpunt niet worden gevolgd. De Staat heeft dat standpunt immers gemotiveerd betwist, onder verwijzing naar een tabel waarin het aantal uitgevaardigde beschikkingen tegen fietsers over 2016 en 2017 per overtreding is gespecificeerd. Uit die tabel volgt dat er in 2017 in totaal 5.943 beschikkingen aan fietsers zijn uitgevaardigd.

4.3.

Voor zover [eiser] zich op het standpunt stelt dat de Staat onrechtmatig handelt doordat te weinig wordt gehandhaafd op overtredingen begaan door fietsers in Amsterdam, geldt het volgende. De burgemeester, de hoofdofficier van justitie en de hoofdcommissaris van de politie maken in de zogenoemde “lokale driehoek” afspraken over de taakuitvoering, inzet en lokale prioriteiten van de politie en over de criminaliteitsbeheersing in een bepaalde regio. Dat is vastgelegd in artikel 13 van de Politiewet. Nog afgezien van de vraag of de gevorderde veroordeling van de Staat zich verhoudt met dit stelsel waarbij op lokaal niveau en door drie partijen gezamenlijk afspraken worden gemaakt over handhaving, geldt dat beleid over de inzet van de Amsterdamse politie hoe dan ook slechts marginaal door de (voorzieningen)rechter kan worden getoetst. Het is immers – conform de wens van de wetgever – bij uitstek de taak van de lokale driehoek om alle in het geding zijnde argumenten en belangen tegen elkaar af te wegen. Daarbij komt aan de driehoek een grote mate van beleidsvrijheid toe.

4.4.

Het door de Staat overgelegde Regionaal Verkeershandhavingsplan 2018 bevat de prioriteiten van de Amsterdamse politie, als resultaat van het driehoeksoverleg. De vordering van [eiser] richt zich in feite tegen dat plan, nu hij vindt dat de handhaving van verkeersovertredingen door fietsers onvoldoende prioriteit krijgt. [eiser] heeft echter niet gesteld dat en waarom het in voornoemd plan opgenomen beleid onrechtmatig is jegens hem. Zijn enkele stelling dat onvoldoende wordt gehandhaafd als het gaat om verkeersovertredingen van fietsers, ziet eraan voorbij dat het Regionaal Verkeershandhavingsplan het resultaat is van een afweging aan de hand van de beschikbare capaciteit en de prioritering van een scala aan delicten. Het gegeven dat de inzet en capaciteit van de politie niet onbeperkt is, noopt tot die prioritering van delicten. De keuze om een bepaald niveau van handhaving te verwezenlijken bij verkeersovertredingen van fietsers hangt dan ook samen met het niveau van handhaving op andere delicten en kan niet op zichzelf worden beschouwd. [eiser] heeft niet betoogd dat en waarom de gekozen prioritering als geheel niet deugt.

4.5.

[eiser] heeft aangevoerd dat handhaving van verkeersregels ten aanzien van fietsers tot een aanzienlijk bedrag aan inkomsten van boetes zal leiden. Voor zover [eiser] daarmee betoogt dat met de boete-inkomsten eventuele capaciteitsproblemen zullen worden ondervangen, kan dat betoog niet worden gevolgd. Het aantal inzetbare agenten is immers niet enkel afhankelijk van het daarvoor beschikbare budget, maar ook van andere factoren, zoals het aantal mensen dat zich aanmeldt voor de politieopleiding en die opleiding succesvol afrondt. Daarbij komt nog dat [eiser] zijn berekening heeft gebaseerd op het gemiddeld aantal overtredingen bij de huidige stand van zaken, terwijl valt te verwachten dat een voortdurende strengere handhavingsaanpak het aantal overtredingen zal doen verminderen.

4.6.

Het voorgaande leidt ertoe dat niet kan worden geconcludeerd dat de Staat – als medeverantwoordelijk orgaan voor de regionale verkeershandhaving – onrechtmatig handelt jegens [eiser] . De vordering die ertoe strekt de Staat te veroordelen de verkeersregels ten aanzien van fietsers in Amsterdam te (doen) handhaven of strikter te (doen) handhaven zal dan ook worden afgewezen. Datzelfde geldt voor de vordering om de Staat te veroordelen tot publicatie van deze uitspraak over te gaan. Die vordering is immers in het geheel niet onderbouwd. Daarbij komt dat het belang van [eiser] bij die vordering hoe dan ook niet valt in te zien nu zijn eerste vordering is afgewezen.

4.7.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.606,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 626,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2018.

hvd