Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9593

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-08-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
NL17.14408 & NL17.14412 & NL17.14413
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden, onderscheidend samenstel van (schrijnende) factoren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: NL17.14408 & NL17.14412 & NL17.14413


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2018 in de zaken tussen

[eiser 1], eiser 1, V-nummer [V-nummer]

[eiser 2] , eiser 2, V-nummer [V-nummer]

[eiseres 1] , eiseres, V-nummer [V-nummer]

mede namens haar minderjarig kind,

[eiseres 2], V-nummer [V-nummer]

gezamenlijk te noemen eisers

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K.M.A. van der Heijden).


Procesverloop
Bij besluiten van 14 november 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen als ongegrond.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2018. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser 1 is geboren op [geboortedatum] 1986. Eiser 2 is geboren op [geboortedatum] 1991. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1995. Eiser 1 is de echtgenoot van eiseres en de broer van eiser 2. Allen hebben de Iraakse nationaliteit. Zij hebben op 18 februari 2016 de onderhavige aanvragen ingediend.

2. Bij besluiten 1 mei 2017 heeft verweerder de aanvragen van eisers afgewezen als ongegrond, omdat niet geloofwaardig wordt geacht dat eiser 1 en eiser 2 lid zijn geweest van een verboden politieke groep en als gevolg van hun lidmaatschap problemen hebben ondervonden. Ook heeft verweerder niet geloofwaardig geacht dat eiser 2 problemen heeft met zijn schoonfamilie vanwege het overlijden van zijn echtgenote waarvoor zij hem verantwoordelijk houden. Verder maken de gestelde psychische klachten van eiseres niet dat bij de uitzetting sprake is van een schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3. Bij uitspraak van 31 oktober 2017 heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld dat niet is gebleken dat eisers kunnen worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) (het Vluchtelingenverdrag) dan wel bij terugkeer een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Daarentegen is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft nagelaten de door eisers naar voren gebrachte omstandigheden te betrekken bij de belangenafweging in het kader van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Op grond hiervan heeft de rechtbank de beroepen van eisers gegrond verklaard en de besluiten van 1 mei 2017 vernietigd.

4. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de aanvragen van eisers afgewezen als ongegrond en overwogen dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden omdat van een onderscheidend samenstel van (schrijnende) factoren geen sprake is.

5. Eisers kunnen zich niet verenigen met de bestreden besluiten en hebben daartoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte niet eerst een voornemen heeft uitgebracht alvorens een besluit te nemen. Voorts is het criterium dat sprake dient te zijn van een onderscheidend samenstel van (schrijnende) factoren niet terug te vinden in beleid. Dat dit een discretionaire bevoegdheid betreft, betekent niet dat verweerder geen kenbaar beleid aan de bevoegdheidstoepassing ten grondslag dient te leggen. Daarnaast zijn eisers van mening dat zij wel degelijk voldoen aan dit criterium. In hun voordeel dient mee te wegen dat zij hier vanaf binnenkomst rechtmatig verblijf hebben gehad, dat twee familieleden onderweg zijn overleden en dat dit voor hen ernstige psychologische gevolgen heeft. Dat eiseres thans niet medisch behandeld wordt, maakt niet dat geen sprake is van medische klachten. Deze medische problemen heeft zij reeds in de eerdere beroepsprocedure met stukken van haar behandelaars onderbouwd. In die stukken wordt gesproken over een posttraumatische stressstoornis en een ernstige depressieve stoornis. Tot slot is ook de geboorte van de zoon van eiser 1 en eiseres een positieve factor die mee dient te wegen.

6. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet gehouden was om eerst een voornemen uit te brengen alvorens ambtshalve een beslissing te nemen op de vraag of eisers in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden. Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Vw 2000 dient verweerder eerst een voornemen uit te brengen in het geval een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning wordt afgewezen. In het geval van het niet ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd laat artikel 39, eerste lid, van de Vw 2000 het al dan niet uitbrengen van een voornemen over aan het oordeel van verweerder. Aangezien eisers in de eerder ingediende zienswijze en gronden van beroep reeds afdoende de gelegenheid hebben gehad om hun bijzondere omstandigheden naar voren te brengen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank kunnen afzien van het uitbrengen van een voornemen.

8. De rechtbank stelt voorop dat in rechte vast staat dat eisers niet kunnen worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag dan wel bij terugkeer een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. In geschil is enkel nog de vraag of aan eisers ten onrechte geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14 van de Vw 2000 onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden is verleend.

8.1.

Ingevolge artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden voorts worden verleend aan andere vreemdelingen dan bedoeld in het eerste lid.

8.2.

De rechtbank stelt voorop dat de bevoegdheid om op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 een verblijfsvergunning te verlenen een discretionaire bevoegdheid van verweerder betreft waarvan verweerder alleen in zeer bijzondere omstandigheden gebruik maakt in individuele gevallen vanwege klemmende redenen van humanitaire aard. De weigering van verweerder om in een bepaald geval gebruik te maken van die bevoegdheid zal de toetsing in rechte slechts dan niet kunnen doorstaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid daartoe heeft kunnen besluiten.

8.3.

In de asielprocedure hebben eisers als bijzondere omstandigheden naar voren gebracht dat de echtgenote van eiser 2 en het kind van eiser 1 en eiseres 2 tijdens de overtocht per boot van Turkije naar Griekenland zijn overleden, dat eisers, in het bijzonder eiseres, hiervan psychische klachten ondervinden en dat eisers ondersteund worden door de oom van eiseres die in Nederland woont. Deze omstandigheden zijn door verweerder in de belangenafweging in het kader van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 betrokken.

8.4.

Volgens verweerder is het vaste praktijk dat sprake dient te zijn van een onderscheidend samenstel van (schrijnende) factoren om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op deze grond. De rechtbank acht deze vaste praktijk waardoor invulling wordt gegeven aan de beleidsruimte die verweerder op grond van deze bepaling toekomt niet onredelijk. Dat verweerder verplicht is om beleid op te stellen om uitvoering te kunnen geven aan de bevoegdheid om op deze grond een verblijfsvergunning te verlenen, volgt de rechtbank niet.

8.5.

In de bestreden besluiten heeft verweerder overwogen dat de omstandigheid dat de echtgenote van eiser 2 en de zoon van eiser 1 en eiseres zijn overleden tijdens de reis naar Nederland en dat dit tot psychische problemen heeft geleid, in de beoordeling kan worden meegenomen als één mogelijke factor. Dit maakt echter, zoals verweerder terecht heeft overwogen, nog niet dat sprake is van een onderscheidend samenstel van factoren.

8.6.

Wat betreft de psychische problemen van eiseres heeft verweerder terecht overwogen dat eisers niet hebben onderbouwd dat eiseres op dit moment medisch behandeld wordt. Hoewel eisers diverse medische stukken als bijlage bij de gronden van beroep van 18 juni 2017 in de eerdere beroepsprocedure hebben gevoegd, komt uit die stukken naar voren dat eiseres van 10 juni 2016 tot en met 29 juli 2016 in behandeling is geweest bij Zorgbedrijf i-psy Leiden, maar dat zij deze behandeling na die periode zelf heeft stopgezet. Van medische behandeling na de genoemde periode is niet gebleken, nu hieromtrent geen stukken zijn overgelegd. Ook is niet gebleken dat eiseres nog steeds ernstige psychische klachten heeft, nu eisers ook hiertoe geen stukken hebben overgelegd.

8.7.

De omstandigheid dat eisers ondersteund worden door de oom van eiseres die in Nederland woont, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet dermate bijzonder hoeven achten dat eisers op grond hiervan in aanmerking dienen te komen voor een verblijfsvergunning op humanitaire gronden. Hierbij heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat veel familieleden van eisers in hun oorspronkelijke woonplaats in Irak wonen en dat zij, indien zij dit wensen, (telefonisch) contact kunnen onderhouden met de oom van eiseres.

8.8.

In het verweerschrift heeft verweerder in aanvulling op de bestreden besluiten overwogen dat de omstandigheid dat eiser 1 en eiseres een zoon hebben gekregen op 9 september 2017 een factor is die positief in de belangenafweging meeweegt, maar dat op zichzelf nog niet maakt dat het niet verlenen van een verblijfsvergunning dermate schrijnend is dat een vergunning zou moeten worden verleend. Verweerder heeft van belang geacht dat eisers slechts relatief kort in Nederland zijn en dat de zoon van eiser 1 en eiseres nog niet geworteld is in de Nederlandse samenleving. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid tot deze afweging kunnen komen.

8.9.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op het voorgaande, in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden.

9. De beroepen zijn ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

6 augustus 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.