Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9549

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2018
Datum publicatie
31-10-2018
Zaaknummer
09/857063-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gewapende overval. DNA-materiaal op een sigarettenpeuk. Daderspoor. Gevangenisstraf van drie jaren.

De rechtbank overweegt dat het op zichzelf juist is dat het op de sigarettenpeuk aangetroffen DNA-materiaal een spoor betreft op een verplaatsbaar object, wat betekent dat met dit gegeven uit een oogpunt van bewijswaardering voorzichtigheid dient te worden betracht. Dat is in deze zaak echter niet doorslaggevend. Het gaat er om of het spoor dat is aangetroffen, kan worden aangemerkt als daderspoor. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Daarvoor is met name redengevend de inhoud van de verklaringen van de aangevers. Nu zij eensluidend verklaren dat één van de daders van de woningoverval een sigaret heeft gerookt - waarmee niets anders kan zijn bedoeld dan dat die dader die sigaret in zijn mond heeft gehad - en vervolgens die sigaret heeft uitgedrukt in de asbak op de salontafel, kan dit spoor niet anders dan een daderspoor betreffen.

Gezien de inhoud van de verklaringen van de aangevers is daar tegenover geen alternatief scenario aannemelijk gemaakt of geworden door de verdediging.

Verdachtes uiterlijk wijkt niet zodanig af van het door de aangevers gegeven signalement, dat dit duidelijk in een totaal andere richting wijst dan die van de verdachte. De verdachte past wel degelijk in grote lijnen in het signalement en dit sluit hem zeker niet uit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/857063-18

Datum uitspraak: 3 augustus 2018

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1982 te Paramaribo (Suriname),

postadres: [adres] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [P.I.] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 20 juli 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. van Diemen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M. van Stratum naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 9 november 2017 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- een of meer geldbedrag(en) (ter hoogte van in totaal 4550 euro) en/of

- twee, althans een, mobiele telefoon(s) en/of

- twee, althans een, horloge(s) (merk: Shubar) en/of

- een paspoort op naam van [slachtoffer 1] ,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit:

- het aanbellen bij de woning van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en zich hierbij voordoen als medewerker(s) van Eneco, althans een energiemaatschappij en/of

- ( vervolgens) tegen de zin van die [slachtoffer 1] en ongevraagd de woning van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] binnen te gaan en/of

- ( vervolgens) een of meer vuurwapen(s), althans (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en) te trekken en deze op die [slachtoffer 1] te richten en/of

- ( vervolgens) een stroomstootwapen tegen de nek/hals van die [slachtoffer 1] te zetten/drukken en die [slachtoffer 1] een stroomstoot/schok te geven en/of

- ( vervolgens) [slachtoffer 1] mee te voeren naar de woonkamer en hem in een stoel te plaatsen naast de aldaar aanwezige [slachtoffer 2] en/of

- ( vervolgens) gedurende enige tijd voornoemde vuurwapen(s), althans op vuurwapen(s) gelijkende voorwerp(en), op [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gericht te houden, terwijl de woning van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] werd doorzocht en/of

- ( vervolgens) de mobiele telefoon(s) van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] af te nemen/pakken en/of

- ( vervolgens) tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te zeggen dat zij/hij hen dood zou(den) maken als ze achter verdachte en/of zijn mededader(s) aan zouden komen.

3. Bewijsoverwegingen 1

3.1

Inleiding

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen en omdat deze door de verdediging niet zijn betwist, als vaststaand worden aangemerkt en kunnen zonder nadere motivering als vertrekpunt voor de bewijsvraag dienen.

Gewapende overval

De rechtbank stelt vast dat 9 november 2017 een gewapende overval heeft plaatsgevonden in een woning, gelegen aan de [adres] te Zoetermeer. Hierbij zijn een vader en zijn zoon bedreigd en zijn spullen weggenomen. Nadat de daders vertrokken waren, is de politie gebeld en is de politie naar de woning gekomen. In de woning heeft de politie met de vader en de zoon gesproken; ook heeft de politie onderzoek gedaan in de woning.

De verklaringen van de aangevers

Op 9 en 15 november 2017 heeft [slachtoffer 1] een verklaring afgelegd en aangifte gedaan van de overval. Hij heeft onder meer verklaard dat hij op 9 november 2017 samen met zijn zoon in de woning was en dat rond 16:45 uur beneden bij de ingang van de flat werd aangebeld door twee mannen. De personen zeiden dat ze van een elektriciteitsbedrijf waren. Toen ze aan de voordeur van de woning stonden, gaf de aangever aan dat ze moesten vertrekken, omdat hij een andere energiemaatschappij had. De mannen leken op Surinamers. Eén van hen stond tussen de deur en kwam zonder zijn toestemming de woning binnen. De aangever riep naar zijn zoon dat hij de politie moest bellen. De mannen trokken beiden een pistool en richtten dat op hem. Eén van de mannen had een apparaat dat hij in de nek van de aangever zette. Vervolgens kreeg hij een stroomstoot in zijn nek. De mannen gingen naar binnen en hij werd meegenomen en naast zijn zoon op een stoel gezet in de woonkamer. Er kwamen toen ook twee vrouwen binnen. Eén man bleef bij de aangever en zijn zoon staan. Deze man hield hen onder schot. De man die bij hen bleef staan, heeft een sigaret gerookt. Hij heeft de sigaret uitgemaakt in hun asbak op de salontafel. De aangever heeft het volgende signalement van deze man gegeven: donkerbruine huidskleur, 1.70 tot 1.75 meter lang, 28-30 jaar oud, mager postuur en kort, grijsachtig haar. De andere drie personen doorzochten de woning. De daders hebben € 150,-- uit de portemonnee van de zoon gehaald en € 4200,-- van de aangever meegenomen. Daarnaast zijn twee horloges en aangevers paspoort weggenomen. De daders gingen ongeveer te 17:30 uur weer weg en zeiden tegen hen dat als ze achter ze aan zouden komen, ze hen zouden dood maken. Ze namen hun mobiele telefoons mee. Die mochten ze na tien minuten beneden uit de brievenbus pakken.2

Op 9 en 10 november 2017 heeft [slachtoffer 2] (de zoon van [slachtoffer 1] ) een verklaring afgelegd en aangifte gedaan van de overval. Hij heeft onder meer verklaard dat hij op 9 november 2017 met zijn vader thuis was en dat twee zwarte mannen hebben aangebeld bij de voordeur. Zij deden zich voor als mensen van een verzekerings- of energiemaatschappij. Zijn vader zei dat ze naar buiten moesten, omdat zij een contract hadden bij Eneco. Zijn vader kreeg een schok. De mannen hadden beiden een klein pistool. De twee mannen kwamen binnen en achter hen kwamen ook twee vrouwen binnen. Eén man bleef als een bewaker bij hem en zijn vader. De man die hen bewaakte, rookte een sigaret. Hij drukte hem uit in de asbak op de salontafel in de woonkamer. De aangever heeft het volgende signalement van deze man gegeven: vermoedelijk Hindoestaanse afkomst, donkere huidskleur (maar niet zwart), 1.70 tot 1.75 meter lang, ongeveer 30 jaar oud, normaal postuur en donker haar met een grijze gloed. De andere man en de vrouwen gingen in het huis zoeken. De aangever hoorde één van de mannen zeggen: ‘we gaan je vermoorden’. Ze hebben € 150,-- uit zijn portemonnee weggenomen en iets van € 4500,-- van zijn vader. Daarnaast hebben ze nog twee horloges en het paspoort van zijn vader weggenomen. Ze zijn 45 minuten tot een uur binnen geweest.3

Forensisch onderzoek

Op 9 november 2017 is in de woning aan de [adres] te Zoetermeer door het team forensische opsporing van de politie eenheid Den Haag forensisch onderzoek verricht. De vijf sigarettenpeuken uit de asbak op de salontafel waarin één van de mannen zijn sigaret zou hebben uitgedrukt, zijn veiliggesteld. De sigarettenpeuken zijn ten behoeve van een DNA-onderzoek ingestuurd naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) op de mogelijke aanwezigheid van DNA-materiaal. De bemonstering van één van de sigarettenpeuken is als spoor veiliggesteld en genummerd als SIN nummer [nummer] .4

Uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut kan worden afgeleid dat genoemd spoor een match had met DNA-profielcluster [nummer] . Het aangetroffen DNA-profiel was enkelvoudig en de DNA-matchkans was kleiner dan één op één miljard. Het referentiemonster wangslijmvlies van de verdachte, zijnde een enkelvoudig DNA-profiel, matcht ook met DNA-profielcluster [nummer] .5

Onderzoek aan de overige in de woning van de aangevers veiliggestelde sporen (zowel humaan biologisch celmateriaal als dactyloscopisch) heeft geleid tot een match met DNA-materiaal van de aangevers: het heeft geen resultaten opgeleverd die wijzen in de richting van andere personen.

De belangrijkste vraag die de rechtbank thans dient te beantwoorden is, of de verdachte de man is die de sigaret heeft gerookt in de woning van de aangevers en die sigaret daar heeft achtergelaten. In dat geval valt het DNA-spoor op de sigaret immers aan te merken als een daderspoor.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte deze man is en heeft daarom gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Zij heeft hiertoe - kort gezegd - aangevoerd dat het DNA-spoor op de sigarettenpeuk een evident daderspoor betreft en dat de verdachte degene moet zijn geweest die ter plaatse een sigaret heeft gerookt en uitgemaakt in de asbak. Bovendien past de verdachte in grote lijnen in het signalement dat de aangevers hebben gegeven. Daartegenover staat dat de verdachte geen concrete en min of meer verifieerbare alternatieve verklaring heeft gegeven voor het aantreffen van zijn DNA-materiaal.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft hiertoe - kort gezegd - aangevoerd dat het forensisch bewijs op zichzelf staat en niet, dan wel onvoldoende, wordt bevestigd door andere bewijsmiddelen met zelfstandige betekenis. Het enkel aantreffen van DNA-materiaal van de verdachte op een verplaatsbare sigarettenpeuk kan niet buiten redelijke twijfel het bewijs vormen dat het daadwerkelijk de verdachte is geweest die het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De sigaret zou na het uitdrukken in de asbak kunnen zijn verwisseld door één van de daders van de overval om als desinformatie te fungeren. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat de verdachte vóór de tenlastegelegde datum shag heeft gedraaid en het vloeitje/filter heeft gelikt en uitgeleend aan de echte, onbekend gebleven dader. Deze alternatieve mogelijkheden worden niet uitgesloten door de summiere bewijsmiddelen.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Voorop staat dat de uitkomst van het onderzoek van het NFI voldoende overtuigend is om daarmee vast te stellen dat het DNA-materiaal op de onderzochte sigarettenpeuk van de verdachte afkomstig is. De verdachte en zijn raadsman hebben dit ook niet betwist.

De rechtbank overweegt vervolgens dat het op zichzelf juist is dat het op de sigarettenpeuk aangetroffen DNA-materiaal een spoor betreft op een verplaatsbaar object, wat betekent dat met dit gegeven uit een oogpunt van bewijswaardering voorzichtigheid dient te worden betracht. Dat is in deze zaak echter niet doorslaggevend. Het gaat er om of het spoor dat is aangetroffen, kan worden aangemerkt als daderspoor. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Daarvoor is met name redengevend de inhoud van de verklaringen van de aangevers. Nu zij eensluidend verklaren dat één van de daders van de woningoverval een sigaret heeft gerookt - waarmee niets anders kan zijn bedoeld dan dat die dader die sigaret in zijn mond heeft gehad - en vervolgens die sigaret heeft uitgedrukt in de asbak op de salontafel, kan dit spoor niet anders dan een daderspoor betreffen.

De rechtbank stelt vast dat deze situatie niet te vergelijken is met die waarin op een plaats delict een sigarettenpeuk of een ander verplaatsbaar object of spoor wordt aangetroffen dat niet direct aan een handeling van een dader of betrokkene kan worden gerelateerd. In zoverre zijn de voorbeelden uit de jurisprudentie, die door de verdediging zijn genoemd en op dergelijke - andere - situaties betrekking hebben, niet relevant.

De verdachte heeft - desgevraagd naar een verklaring voor het aantreffen van zijn DNA-materiaal - betoogd dat hij er van uit gaat dat hij er “is ingeluisd” en dat mensen hem “al langer proberen te naaien”. Zo zouden er meldingen zijn gedaan dat hij thuis een vuurwapen zou hebben liggen. De politie heeft, aldus de verdachte, al meermalen een inval bij hem gedaan, maar nooit iets gevonden. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij zowel sigaretten als shag, maar niet van één bepaald merk, rookt. Hij komt geregeld in Den Haag en hij komt op veel plaatsen, zoals cafés. Het zou dus kunnen dat iemand een sigaret van hem heeft meegenomen of dat hij voor iemand een vloeitje heeft gedraaid.

Gezien de inhoud van de verklaringen van de aangevers is daar tegenover niet aannemelijk gemaakt of geworden dat deze sigaret op een later moment door de daders nog zou zijn omgewisseld voor een peuk waarop zich DNA-materiaal van de verdachte bevindt, die dan bewust in de asbak zou zijn geplaatst terwijl de daadwerkelijk ter plekke gerookte sigaret is weggenomen door de daders. Ook acht de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de verdachte de bewuste peuk eerder heeft gedraaid of gelikt - het betreft immers geen shag of een vloeitje maar een sigaret. Ook de bewering van de verdachte dat het zou gaan om een op een eerder moment door de verdachte gemaakte sigaret (van shag en een huls), berust op speculatie en is op geen enkele wijze aannemelijk geworden.

De rechtbank overweegt ten slotte nog dat verdachtes uiterlijk niet zodanig afwijkt van het door de aangevers gegeven signalement, dat dit duidelijk in een totaal andere richting wijst dan die van de verdachte. De rechtbank stelt daarentegen vast dat de verdachte wel degelijk in grote lijnen past in het signalement en dat dit hem zeker niet uitsluit.

Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte tijdens de woningoverval de bewuste sigaret heeft gerookt en daarmee tot de daders behoort die de woningoverval hebben gepleegd. Dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de daders van de overval blijkt uit de vastgestelde feiten en heeft ook overigens ter zitting niet ter discussie gestaan. Dat voert tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen van de woningoverval.

Voorwaardelijk verzoek tot nader onderzoek door het NFI

De raadsman heeft ter terechtzitting een voorwaardelijk verzoek gedaan om, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring zou neigen, de behandeling van de zaak te heropenen voor het doen van nader onderzoek door het NFI. Het NFI zou in dat geval moeten onderzoeken of de door de verdediging aangedragen alternatieve scenario’s mogelijk zijn. De rechtbank acht dit verzoek onvoldoende onderbouwd en ziet geen noodzaak het onderzoek te heropenen. De rechtbank acht zich voldoende geïnformeerd en ziet niet in wat het NFI zou kunnen relateren over de waarschijnlijkheid of de mogelijkheid van de door de verdachte geschetste alternatieve scenario’s, te meer nu de aanwezigheid van verdachtes DNA-materiaal op de sigarettenpeuk op zichzelf niet is betwist. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

hij op 9 november 2017 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- geldbedragen en

- twee mobiele telefoons en

- twee horloges en

- een paspoort op naam van [slachtoffer 1] ,

toebehorende aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen [slachtoffer 1] en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestond uit:

- het aanbellen bij de woning van voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en zich hierbij voordoen als medewerkers van een energiemaatschappij en

- vervolgens tegen de zin van die [slachtoffer 1] en ongevraagd de woning van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] binnen te gaan en

- vervolgens op vuurwapens gelijkende voorwerpen te trekken en deze op die [slachtoffer 1] te richten en

- vervolgens een stroomstootwapen tegen de nek van die [slachtoffer 1] te zetten/drukken en die [slachtoffer 1] een schok te geven en

- vervolgens [slachtoffer 1] mee te voeren naar de woonkamer en hem in een stoel te plaatsen naast de aldaar aanwezige [slachtoffer 2] en

- vervolgens gedurende enige tijd een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gericht te houden, terwijl de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] werd doorzocht en

- vervolgens de mobiele telefoons van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] af te pakken en

- vervolgens tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te zeggen dat zij hen dood zouden maken als ze achter verdachte en/of zijn mededaders aan zouden komen.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich, gelet op de bepleite vrijspraak, niet uitgelaten over de strafmaat. De verdediging heeft verzocht het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gewapende woningoverval. Samen met anderen heeft de verdachte zich voorgedaan als medewerker van een energiemaatschappij en is hij samen met de anderen de woning binnengegaan. De bewoners zijn bedreigd met een op een pistool gelijkend wapen en werden onder schot gehouden door de verdachte, terwijl de andere daders de woning hebben doorzocht. De daders hebben een geldbedrag, twee horloges, twee telefoons en een paspoort meegenomen. De verdachte heeft hiermee een zeer ernstige inbreuk gemaakt op het gevoel van veiligheid dat mensen in hun eigen woning en in hun eigen omgeving zouden moeten hebben. De rechtbank gaat er zonder meer van uit dat de slachtoffers in grote angst hebben verkeerd gezien de bedreigende sfeer die de verdachte en zijn mededaders hebben gecreëerd. Met zijn handelen heeft de verdachte er bovendien blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van anderen.

Uit het strafblad van de verdachte van 17 april 2018 blijkt dat de verdachte al eerder - maar wel langer dan vijf jaar geleden - voor soortgelijke feiten is veroordeeld tot langdurige gevangenisstraffen.

De rechtbank heeft verder kennis genomen van het reclasseringsadvies van 18 april 2018.

De rechtbank stelt voorop dat gelet op de ernst van het feit slechts kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de hoogte van de straf neemt de rechtbank de LOVS-oriëntatiepunten als uitgangspunt. Als oriëntatiepunt voor de op te leggen straf in geval van een woningoverval met licht geweld, te weten een enkele ruk/duw zonder noemenswaardig letsel, wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaren gehanteerd en in geval van een woningoverval met ander geweld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren.

Nu het verschil zit in de mate van geweld, dient allereerst dit aspect te worden beoordeeld.

De rechtbank overweegt dat bij dit feit sprake was van een lichte stroomschok (zonder letsel) en van continue dreiging met geweld door de aanwezigheid van een op een pistool gelijkend voorwerp. In dit verband is verder relevant dat de daders hebben gedreigd met het doodschieten van de bewoners als ze achter hen aan zouden komen. Dit alles werkt zeer intimiderend en vergroot de impact van het gebeuren in aanzienlijke mate.

Alles bij elkaar genomen is de rechtbank van oordeel dat de mate van geweld kan worden gekwalificeerd als ‘licht geweld’. Dat betekent dat het uitgangspunt voor de op te leggen straf een gevangenisstraf van drie jaren is.

De rechtbank ziet geen aanleiding hiervan af te wijken en acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van drie jaren passend en geboden.

Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte af.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vorderingen

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 7.050,--, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering strekt tot vergoeding van materiële schade (bestaande uit het weggenomen geld ad € 4.550,--) en immateriële schade (€ 2.500,--).

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 2.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering strekt tot vergoeding van immateriële schade.

7.2

De conclusie van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de twee vorderingen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair, gelet op de bepleite vrijspraak, op het standpunt gesteld dat de vorderingen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] heeft de verdediging zich subsidiair op het standpunt gesteld dat het weggenomen geldbedrag onvoldoende is onderbouwd.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Het door [slachtoffer 1] gevorderde bedrag is door de verdediging betwist. De rechtbank is van oordeel dat de hoogte van het weggenomen bedrag niet eenvoudig is vast te stellen. Aanhouding van de zaak voor nader onderzoek en een nadere onderbouwing levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde materiële schade niet‑ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Immateriële schade

De door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gevorderde bedragen (€ 2.500,-- respectievelijk € 2.000,--) zijn door de verdediging niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen voor wat betreft de gevorderde immateriële schade voldoende zijn onderbouwd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partijen schade hebben geleden als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank acht de gevorderde bedragen naar billijkheid toewijsbaar.

Conclusie

Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank de volgende bedragen toewijzen als vergoeding van de immateriële schade:

- [slachtoffer 1] : € 2.500,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2017;

- [slachtoffer 2] : € 2.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2017.

Kosten

Aangezien de vorderingen (gedeeltelijk) worden toegewezen, zal de verdachte tevens worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Omdat de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van de hiervoor genoemde toegewezen bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van de hiervoor genoemde data, ten behoeve van de desbetreffende slachtoffers.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 24c, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

diefstal, voorafgegaan van geweld en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Benadeelde partijen

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (gedeeltelijk) toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

  • -

    [slachtoffer 1] : een bedrag van € 2.500,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2017;

  • -

    [slachtoffer 2] : een bedrag van € 2.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2017;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] ten aanzien van de gevorderde materiële schade niet ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van:

  • -

    € 2.500,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2017, ten behoeve van [slachtoffer 1] ;

  • -

    € 2.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2017, ten behoeve van [slachtoffer 2] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 35 respectievelijk 30 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partijen de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.M.A. Keulen, voorzitter,

mr. J.W. du Pon, rechter,

mr. L.C. Bannink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.A. Schaap, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 augustus 2018.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2017320269 (Onderzoek Hydra (DH4R017061)), van de politie eenheid Den Haag, Districtsrecherche District D, Zoetermeer, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 179).

2 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1] , p. 36 t/m 40; proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1] , p. 45 t/m 53; proces-verbaal van bevindingen, p. 30; proces-verbaal van bevindingen, p. 34.

3 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 2] , p. 54 t/m 58.

4 Proces-verbaal Sporenonderzoek, p. 87 t/m 92, met fotobijlagen (p. 93 t/m 127).

5 Een geschrift, te weten een ‘DNA-onderzoek naar aanleiding van een overval gepleegd in Zoetermeer op 9 november 2017’ van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 3 januari 2018, opgesteld door ing. [naam] , p. 144 t/m 147.