Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9548

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-08-2018
Datum publicatie
09-08-2018
Zaaknummer
18.7216
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: Iran, ongeloofwaardig asielrelaas, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.7216


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. A.A. Vermeij),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).

Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 22 maart 2018 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Madjlessi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser is van Iraanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] . Op 19 oktober 2015 heeft hij een asielaanvraag ingediend.

  2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. In navolging van zijn moeder is eiser lid geworden van de ‘campagne van 1.000.000 handtekeningen’. Het doel van deze campagne is om door het verzamelen van 1.000.000 handtekeningen druk uit te oefenen op de autoriteiten om bepaalde doelen te bereiken, waaronder rechtsgelijkheid tussen mannen en vrouwen. Op 14 februari 2011 heeft eiser deelgenomen aan een mars die werd georganiseerd om de onschuldige bevolking van Egypte en Tunesië te ondersteunen. Tijdens de mars deelde hij pamfletten uit voor de campagne van 1.000.000 handtekeningen. Eiser is tijdens de mars opgepakt en heeft uiteindelijk een voorwaardelijke straf gekregen, bestaande uit een gevangenisstraf en 74 zweepslagen, met een proeftijd van 5 jaar.
    Later is eiser bevriend geraakt met [naam1] en zij vertelde hem over een ayatollah, die als een soort vader voor haar is en die in de gevangenis zat. [naam1] wilde zijn woorden, zijn artikelen verspreiden om te helpen hem vrij te krijgen. Eiser heeft haar hierbij geholpen. In augustus 2015 is [naam1] opgepakt, werd er een inval gedaan in eisers café en zijn er agenten bij hem thuis langs geweest. Eiser is toen een paar dagen ondergedoken en heeft daarna op illegale wijze Iran verlaten.
    Tot slot heeft eiser aangevoerd dat hij in Nederland is bekeerd tot het christendom.

  3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Eiser wordt niet gevolgd in zijn verklaringen over zijn lidmaatschap van en activiteiten voor de ‘campagne van 1.000.000 handtekeningen’. Ook eisers gestelde problemen vanwege zijn activiteiten voor de ayatollah acht verweerder niet geloofwaardig. Ten slotte acht verweerder de gestelde bekering tot het christendom ongeloofwaardig.

  4. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
    De rechtbank oordeelt als volgt.

  5. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers relaas over zijn lidmaatschap van en activiteiten voor de ‘campagne van 1.000.000 handtekeningen’ niet geloofwaardig is. Daartoe heeft verweerder terecht overwogen dat eiser zeer weinig informatie heeft kunnen verschaffen over deze beweging en zijn activiteiten daarvoor. Zo kan hij niet verklaren wie de beweging heeft opgericht of hoe de organisatiestructuur eruit ziet. Ook over de demonstratie waaraan hij zou hebben deelgenomen, kan eiser weinig vertellen. Hij heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom hij aan de demonstratie meedeed en weet heel weinig over de organisatie daarvan. Verweerder heeft terecht overwogen dat van eiser verwacht mag worden dat hij zich van voldoende informatie had voorzien om de risico’s van deelname aan een demonstratie in te kunnen schatten. In het bestreden besluit heeft verweerder erkend dat de gehoormedewerker ten onrechte heeft gesproken over een ‘politieke partij’ in plaats van over een ‘campagne’ of ‘beweging’. De rechtbank is echter met verweerder van oordeel dat niet is gebleken dat eiser hierdoor is benadeeld, zodat hier geen consequenties aan verbonden hoeven te worden.

  6. Ook heeft verweerder bij zijn standpunt kunnen betrekken dat het door eiser overgelegde vonnis (waarbij hij is veroordeeld tot de eerdergenoemde voorwaardelijke straf) door Bureau Documenten als ‘mogelijk niet echt’ is aangemerkt.
    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) zijn adviezen van Bureau Documenten, deskundigenadviezen aan verweerder ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden.1 Indien verweerder een dergelijk advies aan een besluit ten grondslag legt, moet hij zich ervan vergewissen dat dit naar de wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Indien dat het geval is, kan de uitkomst van het advies slechts met succes worden bestreden door een andersluidende contra-expertise van een deskundige in te brengen.2 Anders dan eiser heeft betoogd, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om te concluderen dat verweerder niet aan deze vergewisplicht heeft voldaan. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat uit het rapport van Bureau Documenten van 9 januari 2017 duidelijk blijkt dat er aan de hand van referentiemateriaal is geconcludeerd dat het vonnis mogelijk niet echt is. Verder heeft eiser geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het rapport naar voren gebracht en ook geen contra-expertise ingebracht. De brief van eisers Iraanse advocaat van 23 oktober 2017, die uitlegt dat het gaat om een kopie van het vonnis dat is voorzien van originele stempels, kan niet als deskundigenbericht worden aangemerkt.

7. Vervolgens is de rechtbank van oordeel dat verweerder ook eisers verklaringen over de gestelde problemen vanwege zijn activiteiten voor de ayatollah niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. In de gronden van beroep is met name verwezen naar eisers verklaringen en naar de zienswijze. Hier is verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd op ingegaan en in beroep is niet aangegeven waarom deze motivering onvoldoende of onjuist is, zodat die motivering stand kan houden. Verder heeft eiser betoogd dat verweerder ten onrechte geen doorslaggevende waarde heeft toegekend aan de brief van zijn Iraanse advocaat van 5 juli 2016, waarin onder meer vermeld staat dat indien eiser probeert terug te keren naar Iran, hij zal worden opgepakt. De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat deze brief niet afkomstig is uit een objectieve bron: het is een brief van eisers advocaat. Dat deze advocaat eisers verklaringen bevestigt, is onvoldoende om deze verklaringen geloofwaardig te achten. Eisers verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 20173 kan niet tot een ander oordeel leiden. In die zaak had de vreemdeling zijn verklaringen gebaseerd op informatie uit twee niet-objectieve bronnen. Daarvan heeft de Afdeling gezegd dat dit niet zonder meer betekent dat zijn verklaringen geen bewijswaarde hebben. In het geval van eiser gaat het echter om een niet-objectieve bron die eisers verklaringen bevestigt. Het betreft dus geen vergelijkbaar geval.
Ten slotte heeft verweerder terecht bij zijn standpunt betrokken dat de door eiser overgelegde oproep om te verschijnen bij de onderzoeksrechter, door Bureau Documenten als ‘mogelijk niet echt’ is aangemerkt. Voor zover eiser ook ten aanzien van dit document heeft betoogd dat verweerder niet aan zijn vergewisplicht heeft voldaan, verwijst de rechtbank naar wat hiervoor onder 6 is overwogen. Ook voor dit document geldt dat uit het rapport van Bureau Documenten van 9 januari 2017 duidelijk blijkt dat er aan de hand van referentiemateriaal is geconcludeerd dat het mogelijk niet echt is.

8. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de beoordeling door verweerder van het asielrelaas van eiser komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder niet gezegd kan worden te hebben gehandeld in strijd met het gestelde in Werkinstructie 2014/10.

9. Ten slotte stelt de rechtbank vast dat eiser verweerders standpunt dat zijn gestelde bekering tot het christendom niet geloofwaardig is, niet inhoudelijk heeft betwist. De rechtbank concludeert daarom dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde bekering niet geloofwaardig is. Eisers stelling dat hij bij terugkeer vreest om opgepakt te worden vanwege zijn bekering, kan reeds daarom niet slagen.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A. Dijk, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2116.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2207.

3 ECLI:NL:RVS:2017:1539.