Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9544

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
07-08-2018
Zaaknummer
AWB 18/1884 en 17/15700 (vovo)
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regulier / 8 EVRM / privéleven / vrijstelling mvv-vereiste / belangenafweging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 18/1884 (beroep)

AWB 17/ 15700 (voorlopige voorziening)

[persoonsnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 3 juli 2018 in de zaken tussen

[de persoon 1] ,

geboren op [geboortedatum] 1992, van Marokkaanse nationaliteit, eiseres en verzoekster (eiseres)

(gemachtigde: mr. H.A. de Graaf),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 (Vw) onder de beperking ‘privéleven op grond van artikel 8 EVRM’ afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 13 maart 2018 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 15 maart 2018 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Bij brief van 13 november 2017 heeft eiseres de rechtbank verzocht om verweerder te verbieden haar uit te zetten. Na indiening van het beroep ziet dat verzoek op de periode totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich niet laten vertegenwoordigen, met voorafgaand bericht. Ook was ter zitting aanwezig [de persoon 2] . De rechtbank/voorzieningenrechter (rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1. Eiseres is met haar moeder en zuster op haar veertiende naar Nederland gekomen. Haar moeder en zus zijn na enige tijd teruggekeerd naar Marokko en eiseres is bij haar tante in Nederland achtergebleven. Haar tante heeft rechtmatig verblijf in Nederland. Eiseres heeft nooit rechtmatig verblijf in Nederland gehad. Eiseres heeft een middelbare school- en MBO opleiding in Nederland afgerond. Volgens eiseres woont zij sinds mei 2015 niet meer bij haar tante, maar bij vrienden. Eiseres heeft op 14 juni 2016 deze aanvraag gedaan.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres in het primaire besluit afgewezen, omdat zij niet beschikt over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiseres kan niet van dat vereiste worden vrijgesteld op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of de hardheidsclausule. Het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit heeft verweerder kennelijk ongegrond verklaard in het bestreden besluit.

3. Eiseres heeft – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met haar recht op privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Eiseres heeft daartoe onder andere verwezen naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1285. Volgens eiseres is het door verweerder toegepaste criterium, dat niet is gebleken dat de banden die eiseres is aangegaan met Nederland de gebruikelijke banden overstijgen, niet op haar situatie van toepassing. Verweerder heeft ook onvoldoende gemotiveerd dat hij verwacht dat eiseres privéleven in Marokko op kan bouwen. Daaraan staan immers subjectieve belemmeringen in de weg: eiseres is verwesterd en zal in Marokko naar alle waarschijnlijkheid worden uitgehuwelijkt en een leven als huismoeder moeten leiden, wat absoluut niet bij haar past. Ten slotte heeft verweerder ten onrechte niet onderkend dat eiseres vanwege het lange tijdsverloop in bewijsnood verkeert ten aanzien van de door haar gestelde misbruik door haar familie en ten onrechte niet meegewogen dat zij, zodra zij zich aan haar familie had ontworsteld, is begonnen met het legaliseren van haar verblijf in de vorm van deze aanvraag.

4.1

De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat eiseres op veertienjarige leeftijd naar Nederland is gekomen en ten tijde van het bestreden besluit twaalf jaar in Nederland verblijft. In de door eiseres aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2016 heeft de Afdeling geoordeeld dat uit het arrest Butt en haar uitspraken van onder meer 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2069 en ECLI:NL:RVS:2013:2085) volgt dat de vreemdeling moet worden geacht zeer sterke banden met Nederland te hebben, reeds vanwege het feit dat hij op negenjarige leeftijd naar Nederland is gekomen en sindsdien – inmiddels meer dan zeventien jaar – in Nederland heeft verbleven. Daar komt bij dat de vreemdeling in Nederland basisonderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs heeft gevolgd. Hoewel eiseres niet op negenjarige leeftijd, maar op veertienjarige leeftijd naar Nederland is gekomen en sindsdien niet zeventien jaar maar twaalf jaar in Nederland heeft verbleven, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een vergelijkbare situatie. Het betreft immers een jongvolwassene die haar vormende jaren in Nederland heeft doorgebracht, hier naar school is geweest en ook overigens volop aan het Nederlandse maatschappelijk leven heeft deelgenomen. De rechtbank oordeelt dan ook dat ook in een geval als dat van eiseres zij moet worden geacht zeer sterke banden met Nederland te hebben. Dit geldt te meer nu eiseres bij haar aanvraag diverse getuigschriften van verschillende personen en organisaties heeft overgelegd waar ook haar banden met Nederland uit blijken. De brieven zijn afkomstig van personen werkzaam in onder andere de Amsterdamse theaterwereld, de lokale Amsterdamse politiek en bij vrijwilligersorganisaties. Verweerder heeft niet aan deze brieven voorbij kunnen gaan onder de motivering dat deze banden inherent zijn aan langdurig verblijf.

4.2

Uit de genoemde uitspraak van de Afdeling blijkt dat verder van belang is dat eiseres sinds haar komst naar Nederland feitelijk heeft verbleven bij en is verzorgd door haar tante. Zij verblijft rechtmatig in Nederland, zodat geen risico bestaat dat deze verzorger gebruikmaakt van de positie van eiseres om een verblijfsrecht te verkrijgen. Aan deze omstandigheid wordt gelet op werkinstructie 2018/6 een zwaar gewicht in het voordeel van de vreemdeling toegekend. Verweerders besluitvorming geeft hier naar het oordeel van de rechtbank, enigszins terughoudend toetsend, echter geen blijk van. Daarnaast blijkt uit dezelfde afdelingsuitspraak dat aan het feit dat een vreemdeling nooit terug is gekeerd naar zijn land van herkomst gewicht toekomt in het kader van de vraag naar het bestaan van banden met dat land. Verweerder heeft in de besluitvorming niet betwist, noch kenbaar meegewogen dat eiseres sinds haar komst naar Nederland nooit naar Marokko is teruggekeerd. Op grond van het voorgaande is de rechtbank, enigszins terughoudend toetsend, van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de uitzetting van eiseres geen strijd oplevert met artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt.

5. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

6. Eiseres heeft verzocht om verweerder uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In dit geval bestaat geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, omdat de rechtbank nu op het beroep beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.503,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,--, en een wegingsfactor 1). Als aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 18/1884,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 17/15700,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,-- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.503,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.V.A. Corstens, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.