Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9537

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
08-08-2018
Zaaknummer
18.12700, 18.12701, 18.12704, 18.12707
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ingebrekestelling prematuur, artikel 6:2, aanhef en onder a Awb

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL18.12700, 18.12701, 18.12704, 18.12707

uitspraak van de enkelvoudige kamer

[naam] , eiser 1,

[naam1] , eiseres 1

[naam2] , eiser 2,

[naam3] , eiseres 2,

gezamenlijk te noemen eisers

(gemachtigde: mr. J.M. Walls),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen zijn rechtsvoorgangers, verweerder

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 juli 2018 (het bestreden besluit).

Op 6 november 2015 hebben eisers aanvragen ingediend tot verlening van een asielvergunning voor bepaalde tijd. Bij vier afzonderlijke besluiten van 10 april 2017 heeft verweerder deze aanvragen afgewezen. Bij uitspraak van 2 oktober 20171 heeft deze rechtbank de ingestelde beroepen daartegen gegrond verklaard, en de besluiten vernietigd. Tegen deze uitspraak heeft verweerder hoger beroep ingesteld.

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op 30 november 2017 bepaald dat verweerder geen nieuwe besluiten hoeft te nemen totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.2 De Afdeling heeft vervolgens het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak op 21 juni 2018 bevestigd.3

Vervolgens hebben eisers verweerder op 27 juni 2018 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig opnieuw beslissen op hun asielaanvragen. Verweerder heeft bij brief van 6 juli 2018 het standpunt ingenomen dat de ingebrekestellingen prematuur zijn.

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb4 uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De rechtbank merkt de brief van verweerder van 6 juli 2018 aan als een met een besluit gelijk te stellen schriftelijke weigering om een beslissing op de asielaanvragen van eisers te nemen, als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb.

2. In geschil is of de zesmaandentermijn voor het nemen van een nieuwe beslissing op de asielaanvragen van eisers op het moment van de ingebrekestellingen is verstreken.

3. Eisers stellen dat deze termijn is gaan lopen op 2 oktober 2017, de datum van de uitspraak van de rechtbank, nu de Afdeling die uitspraak in stand heeft gelaten. Eisers hebben om die reden op 27 juni 2018 verweerder in gebreke gesteld.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de ingebrekestelling prematuur is, omdat de beslistermijn niet verlopen is. Aangezien de voorzieningenrechter van de Afdeling de voorlopige voorziening heeft toegewezen, vangt de beslistermijn aan op de dag van de uitspraak van de Afdeling in de bodemprocedure. De wettelijke beslistermijn verstrijkt daarom eerst op 20 december 2018, aldus verweerder.

5. In de hierboven genoemde uitspraak van 2 oktober 2017 heeft de rechtbank verweerder opgedragen nieuwe besluiten te nemen op de asielaanvragen van eisers zonder daarbij een beslistermijn te noemen. Dat betekent dat de wettelijke beslistermijn van zes maanden5 opnieuw is gaan lopen. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bepaald dat verweerder geen nieuwe besluiten hoeft te nemen voordat op het hoger beroep is beslist. Derhalve is pas na de uitspraak van de Afdeling op 21 juni 2018 een nieuwe beslistermijn van zes maanden aangevangen. Anders dan eisers hebben aangevoerd, heeft de ongegrondverklaring van het hoger beroep niet tot gevolg dat de opschorting van de beslistermijn is komen te vervallen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de ingebrekestellingen van eisers van 27 juni 2018 daarom prematuur. En dat betekent dat verweerder op het moment van het instellen van beroep nog niet verplicht was om een beslissing te nemen op de asielaanvragen van eisers.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

1 Zaaknummers NL17.1878, NL17.1879, NL17.1880 en NL17.8371

2 Zaaknummer 201708721/2/V2

3 Idem als onder 2.

4 Algemene wet bestuursrecht

5 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.