Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9515

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-08-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
NL18.12656
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

herhaalde asielaanvraag, conflict met overheid over landbezit, problemen niet aannemelijk gemaakt, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.12656


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. A. de Raad),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Bicer).


Procesverloop
Bij besluit van 5 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast heeft verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.12657, plaatsgevonden op 19 juli 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. B.J. Manspeaker, waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1977 en heeft de Gambiaanse nationaliteit. Eiser heeft op 20 juni 2018 zijn huidige asielaanvraag ingediend.

2. Eiser heeft eerder, op 5 september 2017, een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij beschikking van 12 april 2018 afgewezen. Deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg (NL18.7374) heeft bij uitspraak van 8 mei 2018 het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Verweerder heeft de huidige aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag, ten opzichte van het besluit van 12 april 2018. Verweerder heeft op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

4. Kort samengevat, betoogt eiser dat hij in deze procedure nu wel middels een originele koopovereenkomst van de grond, zijn asielrelaas aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft in deze procedure verder nieuwsberichten overgelegd waaruit blijkt dat personen die een conflict hebben met de overheid over grondbezit gevaar lopen. Juist het feit dat eiser niet over meer documenten kan beschikken, maakt dat hij vreest voor terugkeer naar zijn land van herkomst. Tot slot betoogt eiser dat verweerder ten onrechte een inreisverbod heeft opgelegd.

5. De rechtbank overweegt het volgende.

5.1

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het door eiser bij zijn opvolgende aanvraag overgelegde document (certificate of occupancy of land) geen origineel betreft en daarom niet kan afdoen aan het eerdere besluit tot afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft in beroep gesteld de beschikking te hebben gekregen over een origineel document dat zijn asielrelaas onderbouwt, te weten de verkoopakte van het stuk land uit 2011. De rechtbank stelt vast dat eiser dat document, na ontvangst op
9 juli 2018, niet voorafgaand aan de zitting in het bezit van verweerder heeft gesteld, zodat geen onderzoek op echtheid heeft kunnen plaatsvinden. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat verweerder ook geen aanleiding ziet om tot onderzoek van het document over te gaan. Nu de akte dateert uit 2011 had eiser dit document in de vorige procedure moeten inbrengen, zeker nu bewijsnood in die procedure niet is aangenomen. Indien het daadwerkelijk een origineel document betreft, levert dit volgens verweerder nog geen nieuw element op dat relevant is voor de beoordeling van de aanvraag, nu de aanvraag met het besluit van 12 april 2018 niet alleen vanwege het ontbreken van dit specifieke document is afgewezen. In de vorige procedure heeft reeds een integrale afweging plaatsgevonden naar de gestelde problemen. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt. Zoals blijkt uit de uitspraak van 8 mei 2018 heeft verweerder aan eiser mogen tegenwerpen dat hij niet alleen het gestelde bezit van het stuk grond niet had onderbouwd met stukken, maar tevens geen bewijs had overgelegd van de onteigening daarvan, het gestelde contact met zijn advocaat en de gestelde huurovereenkomst met de foundation. De rechtbank heeft voorts in die uitspraak overwogen dat er geen aanleiding was om ervan uit te gaan dat eiser in bewijsnood verkeerde. Verweerder heeft het door eiser ingediende document, gelet op het voorgaande, derhalve niet ten onrechte niet aangemerkt als relevant nieuw element. Voorts stelt de rechtbank vast dat de door eiser overgelegde nieuwsberichten niet zien op eiser persoonlijk, maar slechts dienen ter onderbouwing van zijn gestelde asielrelaas, zodat ook deze nieuwsberichten niet als relevant nieuw element kunnen worden aangemerkt.

5.2

Hetgeen eiser heeft aangevoerd omtrent zijn vrees voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden bij terugkeer en omtrent zijn stelling dat eiser asiel heeft aangevraagd omdat hij vanwege de ontwikkelingen in Gambia geen andere uitweg zag, behoeven gelet op het voorgaande geen bespreking. Deze punten heeft eiser immers ook in de vorige procedure naar voren gebracht en kunnen niet tot een andersluidend oordeel leiden.

5.3

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar heeft mogen opleggen. Eisers stelling, dat dit onevenredig is omdat hij zich hierdoor niet meer zou kunnen bezighouden met de stichting Water for Gambia, omdat hij hiervoor contacten moet onderhouden in Nederland, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft hiertoe mogen overwegen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet op een andere manier contact kan houden met de stichting, zoals door middel van video conference.

6. Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk kunnen verklaren. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van

mr. C.E.B. Davis, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.