Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9511

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
NL18.12379
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, Libië, burgeroorlog, paragraaf C2/3.3 van de Vc, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.12379


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. I.M. Hidding),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Bicer).


Procesverloop
Bij besluit van 26 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond. Aan eiser is in afwachting van een beslissing op de beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) voorlopig uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw voor een periode van maximaal zes maanden, van
26 juni 2018 tot 26 december 2018, of zoveel korter tot het moment waarop op de ambtshalve beoordeling is beslist.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2018. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1976 en de Libische nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 28 april 2016 een asielaanvraag ingediend.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij Libië op 16- of 17-jarige leeftijd heeft verlaten om te gaan werken in andere Noord-Afrikaanse landen zoals Tunesië, Marokko en Algerije. In de periode 2014/2015 is eiser voor ongeveer twee weken teruggekeerd naar Libië vanwege de ziekte en het overlijden van zijn moeder. In Libië heeft eiser in de korte periode dat hij daar was, geprobeerd om mensen in nood te helpen, dit waren buren en vrienden. Dit is niet altijd gelukt en eiser stelt vreselijke dingen te hebben gezien. Eiser heeft hier psychische problemen van ondervonden. Het lukte hem ook niet om werk te vinden in Libië. Eisers vader heeft gezegd dat het beter was als hij Libië zou verlaten om in Europa werk te gaan zoeken. Eiser vreest bij terugkeer naar Libië dat hij niet kan leven in vrijheid zoals hij dat gewend is geraakt in Europa.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- vlucht vanwege de burgeroorlog.

Verweerder acht beide relevante elementen geloofwaardig, maar stelt zich op het standpunt dat eiser desondanks niet kan worden aangemerkt als vluchteling in het kader van het Vluchtelingenverdrag of dat eiser bij terugkeer naar Libië een reëel risico op ernstige schade loopt. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw in samenhang gelezen met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.

4. Eiser voert, kort samengevat, aan dat zijn medische situatie onvoldoende bij de besluitvorming is betrokken. Eiser stelt dat hij op grond van paragraaf C2/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) in aanmerking zou moeten komen voor een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid onder b, van de Vw. Eiser heeft gezien dat mensen in zijn buurt, waaronder buren en vrienden, als gevolg van de burgeroorlog gewond zijn geraakt of zijn gedood. Eiser kende deze buren en vrienden heel goed. Ook voert eiser aan dat verweerder ten onrechte zijn psychische gesteldheid niet heeft betrokken bij de beoordeling van de vraag of aan hem kan worden tegengeworpen dat hij zich te laat heeft gemeld. Gelet op zijn verwardheid destijds kan niet worden gesproken van een bewuste keuze van eiser om door te reizen naar Noorwegen.

5. De rechtbank oordeelt als volgt.

5.1

Uit paragraaf C2/3.3 van de Vc volgt dat een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw aan een vreemdeling die in het verleden is geconfronteerd met traumatische gebeurtenissen in zijn directe omgeving en zich op grond van de psychologische problematiek als gevolg van de wandaden in een positie bevindt dat hij niet terug kan keren naar zijn land van herkomst, door de IND wordt verleend. De vreemdeling dient te voldoen aan de in deze paragraaf gestelde voorwaarden.

Voorts volgt uit deze paragraaf dat uitsluitend de onderstaande daden voor de IND aanleiding kunnen geven een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel
29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw te verlenen:

• de gewelddadige dood van naaste familieleden of huisgenoten van de vreemdeling;

• de gewelddadige dood van andere verwanten of vrienden van de vreemdeling voor zover de vreemdeling aannemelijk maakt dat een hechte relatie bestond tussen de overledene en de vreemdeling;

• substantiële niet-strafrechtelijke detentie van de vreemdeling;

• marteling, ernstige mishandeling of verkrachting van de vreemdeling;

• het aanwezig zijn als getuige bij marteling, ernstige mishandeling of verkrachting van naaste familieleden of huisgenoten van de vreemdeling;

• het aanwezig zijn als getuige bij marteling, ernstige mishandeling of verkrachting van andere verwanten of vrienden van de vreemdeling voor zover de vreemdeling aannemelijk maakt dat er een hechte relatie bestond tussen de verwant of vriend en de vreemdeling.

5.2

Eiser heeft gesteld dat wel degelijk sprake is van traumatische gebeurtenissen die zouden moeten leiden tot vergunning verlening en doet hierbij kennelijk een beroep op een of meer van de hiervoor genoemde voorwaarden:

- de gewelddadige dood van andere verwanten of vrienden van de vreemdeling voor zover de vreemdeling aannemelijk maakt dat een hechte relatie bestond tussen de overledene en de vreemdeling;

- het aanwezig zijn als getuige bij marteling, ernstige mishandeling of verkrachting van andere verwanten of vrienden van de vreemdeling voor zover de vreemdeling aannemelijk maakt dat er een hechte relatie bestond tussen de verwant of vriend en de vreemdeling.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het enkele feit dat eiser psychische problemen heeft die volgens eiser het gevolg zijn van hetgeen hij heeft gezien in Libië, onvoldoende is om in aanmerking te komen voor vergunningverlening op grond van paragraaf C2/3.3 van de Vc. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt mogen stellen dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij met de buren dan wel de vrienden die slachtoffer zijn geworden, een hechte relatie had. Daarbij heeft verweerder voorts mogen betrekken dat het op voorhand ook niet aannemelijk is dat een dergelijke hechte band bestaat nu eiser gedurende een lange tijd, meer dan twintig jaar, weg was uit Libië en dat hij slechts twee weken weer in Libië heeft verbleven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat in het geval van eiser niet is voldaan aan één van de bovengenoemde voorwaarden.

5.3

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder aan eiser heeft mogen tegenwerpen dat hij zich niet onverwijld heeft gemeld voor een asielaanvraag bij binnenkomst in Nederland omdat niet is gebleken dat dit is te wijten aan zijn psychische gesteldheid. Eiser heeft zowel tijdens het eerste gehoor als tijdens het nader gehoor verklaard dat hij naar Noorwegen wilde om daar asiel aan te vragen. Ook heeft eiser verklaard dat hij zijn asielaanvraag in Nederland heeft ingediend nadat hij ongeveer twee weken na binnenkomst in Nederland door de politie werd aangehouden en hem werd verteld dat hij anders drie jaar Europa niet in zou mogen. Uit de verklaring van eiser kan dan ook niet worden afgeleid dat sprake was van verwardheid en geen bewuste keuze. Voorts wordt overwogen dat niet is gebleken dat van deze verklaringen van eiser niet mag worden uitgegaan vanwege zijn psychische gesteldheid. Uit het dossier blijkt dat eiser pas is gehoord door verweerder nadat het FMMU daar toestemming voor had gegeven in verband met de psychische toestand van eiser. Voorts blijkt ook niet uit de gehoren dat eiser ten tijde van het afnemen van gehoren verward was.

6. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van

mr. C.E.B. Davis, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.