Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9410

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-02-2018
Datum publicatie
03-08-2018
Zaaknummer
NL17.5095
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

" Verordening 884/2004, aanvangsdatum arbeidsongeschiktheid en hoogte dagloon voor bepaling WIA-uitkering vastgesteld op basis van nationale regelgeving, Elterngeld en verzekeringspremies in het kader van de Kindererziehung vormen geen loon uit dienstbetrekking, voorverlenging referteperiode wegens (ouderschaps)verlof beperkt tot maximaal 18 maanden, verschillen tussen de Duitse en Nederlandse regeling zijn toegestaan en leiden niet tot discriminatie of belemmering van vrij verkeer. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.5095

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

geboren op [geboortedatum] , van Afghaanse nationaliteit ,

(gemachtigde: mr. H. Verstrepen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C. Kroese).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht ingetrokken met ingang van 15 september 2010.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 december 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M. Terpstra, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk in de Afghaanse taal is verschenen G. de Vries . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft deze zaak gelijktijdig behandeld met de zaak van de minderjarige zoon van eiser, [naam 2] (NL17.8133).

Overwegingen

1. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit . Bij besluit van 25 juli 2003 is aan eiser uiteindelijk een verblijfsvergunning asiel verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 zoals deze destijds luidde, geldig van 1 maart 2000 tot 1 maart 2003. Bij ditzelfde besluit is aan eiser eveneens een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verleend met ingang van 1 maart 2003.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder met terugwerkende kracht eisers verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ingetrokken met ingang van 15 september 2010. Verweerder heeft aan de intrekking artikel 35, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 ten grondslag gelegd. Volgens verweerder heeft eiser sinds deze datum namelijk zijn hoofdverblijf buiten Nederland verplaatst. Met ingang van 14 december 2009 is eiser uitgeschreven uit de Basis Registratie Personen (brp) met als melding ‘ emigratie naar Afghanistan ’. Eiser staat vanaf 5 september 2014 tot het moment van het voornemen geregistreerd in de Registratie Niet Ingezetenen, hetgeen betekent dat hij na uitschrijving uit het brp niet op een ander adres in Nederland is geregistreerd. Hieruit heeft verweerder geconcludeerd dat eiser sinds 14 december 2009 niet meer ingeschreven staat in de brp. Op grond van verweerders beleid wordt namelijk verplaatsing van het hoofdverblijf aangenomen als de veemdeling meer dan negen achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven.

3. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte zijn asielvergunning heeft ingetrokken . Daartoe voert eiser aan dat de Kwalificatierichtlijn1 geen ruimte biedt om een verblijfsvergunning asiel in te trekken wegens verplaatsing van het hoofdverblijf. Eiser meent, onder verwijzing naar een brief van de toenmalige staatssecretaris Schmitz van 18 april 1996, dat de verblijfsstatus die hem is verleend in voornoemd besluit van 25 juli 2003, is te vergelijken met de huidige verblijfsstatus op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 (b-grond). Omdat de b-grond geen nationaalrechtelijke grond vormt voor

verlening van een verblijfsvergunning zijn volgens eiser de bepalingen uit de Kwalificatierichtlijn van toepassing.

4.1

De rechtbank overweegt als volgt. Volgens artikel 14, vierde lid, van de

Kwalificatierichtlijn kunnen de lidstaten de door een regerings-, administratieve, rechterlijke of quasi-rechterlijke instantie aan een vluchteling verleende status intrekken, beëindigen of weigeren te verlengen wanneer (a) goede redenen bestaan om hem te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van de lidstaat waar hij zich bevindt, of (b) hij een gevaar vormt voor de samenleving van die lidstaat, omdat hij definitief is veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf. Artikel 14 van de Kwalificatierichtlijn voorziet niet in de mogelijkheid de vluchtelingenstatus in te trekken als een vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten de betreffende lidstaat heeft gevestigd. Dit blijkt ook uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 juni 20162. De rechtbank ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel is verleend op grond van zijn vluchtelingenstatus zoals bedoeld in artikel 14 van de Kwalificatierichtlijn.

4.2

Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 29 januari 20143, valt de verlening van de vluchtelingenstatus in het systeem van de Vw 2000 samen met de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. De Afdeling komt tot dit oordeel omdat de definitie van het begrip ‘vluchteling’ in dat artikel nagenoeg gelijkluidend is aan het begrip ‘verdragsvluchteling’ in artikel 2, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Gelet hierop houdt de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, indien deze op een vluchtelingenstatus is gebaseerd, tevens de intrekking van de vluchtelingenstatus in, zodat artikel 14 van de Kwalificatierichtlijn daarop van toepassing is.

4.3

Uit het eerder genoemde besluit van 25 juli 2003 blijkt niet welke individuele redenen voor verweerder aanleiding hebben gegeven om een verblijfstatus aan eiser toe te kennen. In het bestreden besluit heeft verweerder gesteld dat “betrokkene een voorwaardelijke vergunning tot verblijf is verleend hetwelk vergelijkbaar is met de latere d-status. Betrokkene is dus nimmer in het bezit geweest van een c-status.” In het verweerschrift, en nader toegelicht ter zitting, heeft verweerder zich echter op het standpunt gesteld dat de vergunning die destijds aan eiser is verleend, is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 zoals dat destijds luidde. Eiser is dus kennelijk wel in het bezit geweest van een verblijfsvergunning met een zogenaamde c-status. Dat betekent dat in het bestreden besluit een onjuist standpunt is ingenomen en daarmee bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nu aannemelijk is dat eiser, gelet op de aanvullende motivering in het verweerschrift, hierdoor niet in zijn belangen is geschaad.

4.4

Vast staat dus dat destijds aan eiser een vergunning is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 zoals dat destijds luidde. Daarmee is de grond voor verlening van eisers verblijfsvergunning asiel gelegen in individuele redenen en is daarom aan te merken als een verblijfvergunning op nationale grond. Er is immers geen verdragsbepaling of Europeesrechtelijke regel die Nederland ertoe verplichtte op deze grond asiel te verlenen. Zoals volgt uit de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014 is artikel 14 van de Kwalificatierichtlijn niet van toepassing op een verblijfsvergunning asiel die is verleend op nationale gronden. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.

5.1

Eiser voert verder aan dat hij zonder oogmerk van het verplaatsen van het hoofdverblijf buiten Nederland naar zijn gezin in [land 2] was vertrokken. De omstandigheden van zijn gezin in [land 2] waren zodanig slecht dat eiser onmogelijk kon terugkeren omdat hij dan de belangen van met name zijn kinderen ernstig zou schaden. Vastgesteld kan worden dat onbetwist is dat eiser niet naar zijn land van herkomst, [land 1] , is gereisd noch daar heeft verbleven. Eiser heeft daarnaast gemotiveerd aangegeven dat hij om veiligheidsredenen niet terug kan keren naar Afghanistan .

5.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser meer dan negen achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit buiten zijn schuld is geweest. Daarom kan worden aangenomen dat hij zijn hoofdverblijf heeft verplaatst wat de reden is voor intrekking van zijn verblijfsvergunning.

6.1

Op grond van artikel 33, aanhef en onder b, van de Vw 2000 is verweerder bevoegd een aan een vreemdeling verleende verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken.

6.2

Artikel 35, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 bepaalt dat de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 kan worden ingetrokken indien de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd.

6.3

Volgens de paragrafen C8/4, C 5/5 en B1/5.3.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 zoals deze golden ten tijde hier van belang, vindt beoordeling van de vraag of sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf plaats aan de hand van factoren van feitelijke aard. Met de wil van de vreemdeling wordt slechts rekening gehouden voor zover deze blijkt uit zijn gedragingen. Een aanwijzing voor verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland is (onder meer) een uitschrijving uit de brp. Vestiging van het hoofdverblijf buiten Nederland wordt in ieder geval aangenomen, indien de vreemdeling meer dan negen achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat de overschrijding van de termijn van negen maanden het gevolg is van buiten zijn schuld gelegen omstandigheden.

6.4

De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij in de periode van 2009 tot 2015 buiten Nederland heeft verbleven. De rechtbank begrijpt het betoog van eiser zo dat hij stelt dat dit niet zijn schuld is geweest. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het niet aan zijn schuld is te wijten dat zijn verblijf buiten Nederland langer dan negen maanden heeft geduurd. De stelling van eiser dat hij bij zijn vertrek in 2009 gebruik maakte van een retourticket en daarom niet de intentie zou hebben gehad om lang weg te blijven is in dit kader onvoldoende. Daarbij acht de rechtbank van belang, zoals verweerder ook heeft overwogen in het bestreden besluit, dat eiser geen retourticket heeft overgelegd, noch een boekingsbevestiging of een betalingsbevestiging waaruit zou kunnen blijken dat eiser voornemens was om op korte termijn terug te keren naar Nederland. Ten aanzien van de gestelde slechte familieomstandigheden in [land 2] overweegt de rechtbank, hoe betreurenswaardig deze omstandigheden ook zijn geweest, dat verweerder hierin geen aanleiding heeft hoeven zien om aan te nemen dat eiser daardoor gedwongen was om langer in [land 2] te verblijven. Hierbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat niet is gebleken van een gedraging van eiser die erop wijst dat hij de intentie had om voor

15 oktober 2010 naar Nederland terug te keren. Eiser heeft bijvoorbeeld geen hulp gezocht bij de Nederlandse vertegenwoordiging in [land 2] , de Immigratie- en Naturalisatiedienst of een andere overheidsinstantie.

6.5

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 bevoegd was de asielvergunning voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht in te trekken met ingang van

15 september 2010. Vervolgens staat ter beoordeling of verweerder van deze bevoegdheid gebruik heeft mogen maken. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 20053 oordeelt de rechtbank dat verweerder bij intrekking van eisers verblijfsvergunning asiel tevens dient te onderzoeken of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat de klemmende redenen die redengevend waren voor verlening van de verblijfsvergunning asiel thans een beletsel vormen voor eisers uitzetting naar Afghanistan .

7.1

Eiser stelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. De beslissing waarin aan eiser onderhavige verblijfsvergunning asiel is toegekend, zit niet in het dossier, maar uit verweerders besluitvorming daarbij valt af te leiden dat een aantal feiten van zijn asielrelaas geloofwaardig zijn geacht, zoals de mishandeling van eiser en zijn vader door de [bevolkingsgroep] . In die besluitvorming is daarover overwogen dat terugkeer naar Afghanistan daarom van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie daar. Verweerder heeft hierover in het bestreden besluit geen standpunt ingenomen.

7.2

Verweerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat de beslissing waarbij aan eiser een status is toegekend, onderdeel uitmaakt van het dossier, maar dat daarin niet is gespecificeerd welke elementen exact geloofwaardig zijn geacht. Verweerder heeft ter zitting verzocht om aanhouding van de zaak, zodat hij daarover een standpunt kan innemen.

8.1

De rechtbank overweegt dat aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is verleend waaraan verweerder klemmende redenen van humanitaire aard, zoals destijds neergelegd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank stelt vast dat uit de beslissing op bezwaar, waarin aan eiser een status is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, niet blijkt op basis van welke omstandigheden deze vergunning aan eiser is verleend.

8.2

De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder heeft onderzocht of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat de klemmende redenen die redengevend waren voor verlening van de verblijfsvergunning asiel thans nog een beletsel vormen voor uitzetting naar Afghanistan . Weliswaar heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat eisers asielrelaas destijds ongeloofwaardig is bevonden en niet wordt ingezien waarom dat nu wel tot verblijfsaanvaarding zou moeten leiden, maar hieruit blijkt niet dat verweerder heeft onderzocht of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat de klemmende reden die destijds redengevend waren om een asielvergunning te verlenen thans nog aanwezig zijn. Bovendien strookt deze overweging niet met de reactie van verweerder ter zitting dat een aantal elementen van eisers asielrelaas geloofwaardig zijn bevonden. De rechtbank ziet, zoals ter zitting al aangegeven, geen aanleiding om verweerder een nadere termijn te geven om ter zake een standpunt in te nemen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat deze beroepsgrond van eiser ruimschoots voor de zitting bekend was bij verweerder en hij voldoende gelegenheid heeft gehad om daarover een standpunt in te nemen.

8.3

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet voldoende zorgvuldig is voorbereid en niet berust op een draagkrachtige motivering. Het bestreden besluit is dan ook genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Gelet hierop kunnen de overige door eiser naar voren gebrachte beroepsgronden onbesproken blijven.

8.4

De vernietiging van het bestreden besluit heeft tot gevolg dat eiser opnieuw in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en dat verweerder hem indien nodig een nieuw verblijfsdocument moet verstrekken.

8.5

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Knikkink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Richtlijn 2001/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011.

2 ECLI:NL:RVS:2016:1779. 3 ECLI:NL:RVS:2014:260.

3 ECLI:NL:RVS:2005:AT3211.