Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9386

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
04-01-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 8601
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2019:1184, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

X is in dienstbetrekking bij het Europese Octrooi Bureau te Rijswijk. X heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde in de onderhavige jaren in Nederland.

In geschil of de belastingheffing over het inkomen uit sparen en beleggen van X tot een ongeoorloofde ongelijke behandeling leidt tussen X, en anderzijds medewerkers die niet de Nederlandse nationaliteit hebben, maar die reeds tien jaar in Nederland werkzaam zijn en geen box 3 heffing hoeven te betalen. Ook is in geschil of verweerder het vertrouwensbeginsel heeft geschonden en of de uitspraak op bezwaar onbegrijpelijk of onvoldoende is gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 04-01-2019
FutD 2019-0023
V-N Vandaag 2019/28
V-N 2019/11.2.2
NTFR 2019/731
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 17/8601 en SGR 17/8602

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juli 2018 in de zaken tussen

[eiser], wonende te [plaats], eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 2012 en 2013 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 24 november 2017 de bezwaren daartegen afgewezen.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2018.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.A.E.M. Meulendijks, S. Opmeer en mr. D.M. Stalenberg.

Overwegingen

Feiten

1. In 2012 en 2013 was eiser gedurende het gehele jaar werkzaam bij het Europees Octrooibureau (hierna: EOB) als beoordelaar van octrooiverzoeken. Hij heeft rang A4 en aan hem is de status BO toegekend. ”.

2. Eiser heeft aangifte inkomstenbelasting gedaan voor het jaar 2012 en daarbij vermeld als:

- vrijgestelde inkomsten uit loondienst bij een Internationale organisatie: € 137.760

- inkomsten eigen woning: € 2.874

- betaalde rente en kosten hypothecaire geldlening: € 2.117

- inkomen box 1 voor pgb na vrijgesteld salaris: € 757

- voordeel uit sparen en beleggen: € 30.597

- ingehouden dividendbelasting: € 811

- persoonsgebonden aftrek (giften): € 6.086

- inkomen box 1: € 0

- belastbaar inkomen box 3: € 25.268

3. Eiser heeft aangifte inkomstenbelasting gedaan voor het jaar 2013 en daarbij vermeld als:

- vrijgestelde inkomsten uit loondienst bij een Internationale organisatie: € 138.367

- inkomsten eigen woning: € 2.874

- betaalde rente hypothecaire geldlening: € 1.246

- inkomen box 1 voor pga na vrijgesteld salaris: € 1.628

- voordeel uit sparen en beleggen: € 31.781

- restant persoonsgebonden aftrek: € 2.480

- bronbelasting op spaarrente: € 706

- ingehouden dividendbelasting: € 360

- persoonsgebonden aftrek (giften): € 4.108

- inkomen box 1: € 0

- belastbaar inkomen box 3: € 29.301

Geschil

4. In geschil is of de inkomsten uit sparen en beleggen van eiser in de inkomstenbelastingheffing moeten worden betrokken.

5.1.

Eiser stelt dat de uitspraak op bezwaar slechts twee pagina’s omvat en dat verweerder geen rechtsmiddelverwijzing heeft opgenomen in de uitspraak op bezwaar. Daarmee is volgens eiser sprake van schending van artikel 6.23, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarnaast heeft verweerder zijn beslissing genomen zonder eiser over zijn bezwaar te horen. Daardoor stelt eiser niet de gelegenheid te hebben gekregen de gronden schending van het gelijkheidsbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel nader toe te lichten. Verweerder verwijst in zijn uitspraak op bezwaar naar uitspraken van de rechtbank, het Gerechtshof en de Hoge Raad waaruit zou volgen dat eiser in het ongelijk is gesteld. De uitspraak op bezwaar bevat echter geen zaak- of uitspraaknummers. Daardoor ontbreekt de juridische basis van de uitspraak op bezwaar, aldus eiser. De uitspraak op bezwaar legt niet uit wat een BO-status is. De uitspraak op bezwaar is daarmee niet begrijpelijk.

5.2.

Op grond van de Zetelovereenkomst hebben de bij indiensttreding uit het buitenland afkomstige niet-Nederlandse EOB-werknemers die al 10 jaar in Nederland werkzaam zijn geen recht op een vrijstelling van hun box 3 inkomen. Conform begunstigend beleid van verweerder krijgen deze personen geen aangifteformulier toegestuurd. Eiser verwijst naar een uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ECLI:NL:GHARL:2013:7499. In rechtsoverweging 4 van die uitspraak staat: “4 Oordeel van de Rechtbank (…) Ter zitting heeft [de Inspecteur] desgevraagd bevestigd dat werknemers van het EOB met een niet-Nederlandse nationaliteit die inmiddels duurzaam (= langer dan 10 jaar) in Nederland verblijven inderdaad (nog steeds) niet in de box 3 heffing worden betrokken, hoewel dit volgens de Zetelovereenkomst wel zou mogen. [De Inspecteur] heeft opgemerkt dat deze groep nooit een aangiftebiljet krijgt toegestuurd en dat als gevolg van deze praktijk in feite begunstigend beleid voor deze groep bestaat, hetgeen volgens hem is toegestaan.”

Volgens eiser worden deze personen, hoewel zij daar geen recht op hebben, in feite vrijgesteld van hun box 3 inkomen. Eiser heeft op grond van zijn Nederlandse nationaliteit ook geen recht op vrijstelling van zijn box 3 inkomen. Echter, zijn box 3 inkomen wordt in feite niet vrijgesteld. Eiser stelt dat hij dus op grond van zijn nationaliteit ongelijk behandeld wordt ten opzichte van de bij indiensttreding uit het buitenland afkomstige niet-Nederlandse EOB-werknemers die al 10 jaar in Nederland werkzaam zijn. Verschil in nationaliteit kan echter geen rechtvaardiging voor deze ongelijke behandeling zijn. Eiser verwijst hierbij naar het slot van voornoemde rechtsoverweging 4. Er is sprake van begunstigend beleid. De uitspraak van het Hof inzake het jaar 2010 (ECLI:NL:GHDHA:2016:3314) is in zoverre niet relevant, omdat daar geen oordeel is gegeven over ongelijke behandeling ten gevolge van een verschillend toegepaste feitelijke vrijstelling door verweerder.

5.3.

Eiser doet voorts een beroep op de toelichting bij de Circulaire Gemeentefonds van 30 mei 2001 (de Toelichting 2001). Daaruit blijkt volgens eiser dat de Staatssecretaris van Financiën bepaalt dat personeelsleden van internationale organisaties na 10 jaar in Nederland werkzaam te zijn geweest door het Ministerie van Buitenlandse zaken als duurzaam in Nederland verblijf houdend dienen te worden beschouwd. Eiser verwijst hierbij naar rechtsoverweging 3.6.2 van de uitspraak van de Hoge Raad van 6 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD3187). Wanneer de Minister van Buitenlandse zaken niet-Nederlandse bij indiensttreding uit het buitenland afkomstige EOB-werknemers na 10 jaar in Nederland werkzaam te zijn geweest niet aanduidt als in Nederland duurzaam verblijf houdend (rechtbank: geen DV-status toekent) dan wordt de rechtszekerheid geschonden. Het mag van de minister van Buitenlandse zaken namelijk verwacht worden dat hij handelt in overeenstemming met wat de staatssecretaris van Financiën hem in de Toelichting 2001 voorschrijft. Als hij dat niet doet, dan heeft dat tot gevolg dat eiser ongelijk behandeld wordt ten opzichte van niet-Nederlandse bij indiensttreding uit het buitenland afkomstige EOB-werknemers na 10 jaar in Nederland werkzaam te zijn geweest. Derhalve steunt de schending van het gelijkheidsbeginsel eveneens op de schendig van het rechtszekerheidsbeginsel. De uitspraak van het Hof inzake het jaar 2010 (ECLI:NL:GHDHA:2016:3314) is in zoverre niet relevant omdat niets is gezegd over de schending van het rechtszekerheidsbeginsel en de daaruit voortvloeiende schending van het gelijkheidsbeginsel, aldus eiser.

5.4.

Eiser beroept zich ten slotte op schending van het vertrouwensbeginsel. Eiser wijst er daarbij op dat (voormalig) Minister Zalm bij de behandeling van de Wet IB 2001 heeft verklaard: “Het punt is het volgende: als je kijkt naar de inkomenseffecten van het belastingplan, dan is dat over de hele linie positief. Dat is natuurlijk al iets prachtigs.(…)We hebben dan nog die ene vutter weten te

bedenken met f 60.000 inkomen, die nog op min 0.1 zit”(…)“Maar ik verzeker U, daar komt ook nog wel een oplossing voor’. De Wet IB 2001 is door de volksvertegenwoordiging aangenomen in de stellige overtuiging dat er door de Wet IB 2001 niemand op achteruit zou gaan en dat er voor die gevallen waarvoor dat onverhoopt wel het geval zou zijn nog een oplossing gevonden zou worden. Zolang er geen vervangende regeling voor de anticumulatieregeling bestaat is eiser er door de Wet IB 2001 op achteruit gegaan.

Eiser stelt dat de Hoge Raad in een vergelijkbaar geval (ECLI:NL:HR:2009:BJ8524) heeft geoordeeld dat verweerder gehouden kan worden aan een in de Tweede Kamer gedane toezegging. Volgens eiser heeft Hof Den Haag in zijn uitspraak voor het jaar 2010 (ECLI:NL:GHDHA:2016:3314) geen overweging gewijd aan de grond schending van het vertrouwensbeginsel in zoverre deze grond steunde op de verzekering van Minister Zalm dat er voor de uitzonderingen op de hele linie van positieve inkomenseffecten ook nog wel een oplossing zou komen.

6. Eiser verzoekt de aanslagen te verminderen tot nihil dan wel te vernietigen op grond van de door hem genoemde schendingen.

7. Verweerder heeft de standpunten van eiser gemotiveerd weersproken en daarbij onder meer verwezen naar de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2016:3314), het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:2885) en de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ((ECLI:NL:GHARL:2013:7499). Ook heeft verweerder gesteld dat hetgeen in 5.2 hiervoor is weergegeven over wat de inspecteur bij rechtbank Arnhem heeft gezegd niet juist is, omdat die inspecteur de situatie verkeerd heeft uitgelegd. Een en ander is bij het Hof en de Hoge Raad rechtgetrokken.

Beoordeling van het geschil

Ontbreken rechtsmiddelverwijzing

8. Artikel 6:23 van de Awb schrijft voor dat bij de bekendmaking van de beslissing op bezwaar melding wordt gemaakt dat beroep kan worden ingesteld. Nu vaststaat dat de onderhavige beslissingen op bezwaar geen rechtsmiddelverwijzing bevatten, wordt niet voldaan aan dit voorschrift. Artikel 6:23 van de Awb verbindt evenwel geen gevolgen aan het ontbreken van de rechtsmiddelverwijzing. Dit zou wel een reden kunnen zijn een termijnoverschrijding verschoonbaar te achten, maar dat is hier niet nodig omdat tijdig beroep is ingesteld. Eiser is door het ontbreken van de rechtsmiddelverwijzing niet in zijn belang geschaad. Anders dan eiser meent, heeft het ontbreken van de rechtsmiddelverwijzing in de uitspraken op bezwaar niet tot gevolg dat de aanslagen moeten worden verminderd of vernietigd.

Horen in bezwaarfase

9. Verweerder stelt dat hij eiser niet heeft gehoord in de bezwaarfase omdat er sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar gelet op de uitspraak van Hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2016:3314) en het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:2885) waarin over eisers beroep met betrekking tot het jaar 2010 is geoordeeld. In zijn bezwaarschriften met betrekking tot de onderhavige aanslagen heeft eiser geschreven dat de gronden voor zijn bezwaar zijn: schending van het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel en dat deze gronden dezelfde zijn als de gronden die eiser in de procedure over het jaar 2010 heeft aangevoerd. In voornoemd arrest van 17 november 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2885) heeft de Hoge Raad het cassatieberoep tegen de uitspraak van Hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2016:3314) met toepassing van artikel 81 Wet RO afgedaan. De uitspraken op bezwaar zijn met dagtekening 24 november 2017, zonder dat eiser is gehoord, gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij het doen van deze uitspraken af kunnen zien van het horen van eiser, omdat de bezwaren, gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd en gelet op voornoemde Hofuitspraak en arrest, kennelijk ongegrond waren (zie artikel 7:3, sub b, van de Awb).

Motivering uitspraak op bezwaar

10. De rechtbank is van oordeel dat de uitspraken op bezwaar niet onbegrijpelijk of onvoldoende zijn gemotiveerd. Eiser voert in zijn bezwaar twee gronden aan. Op die beide gronden is verweerder ingegaan in de uitspraken op bezwaar. Gelet op de eerder gevoerde procedure over 2010 en eisers eigen verwijzing daarnaar in zijn bezwaar, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank kunnen volstaan met de motivering zoals hij die heeft gegeven. Deze beroepsgrond van eiser faalt derhalve.

Gelijkheidsbeginsel

11. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat indien een belastingplichtige in het kader van een beroep op niet gepubliceerd begunstigend beleid, waarvan te zijnen aanzien zou zijn afgeweken, wijst op gevallen waarin met hem vergelijkbare belastingplichtigen een gunstiger behandeling ten deel is gevallen dan hij zelf ondervindt, het op de weg ligt van de inspecteur die ongelijke behandeling te verklaren en daarbij aannemelijk te maken dat die niet voortvloeit uit een door hem gevoerd of op een hoger niveau gecoördineerd begunstigend beleid (zie Hoge Raad 23 april 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AL8260, rechtsoverweging 3.5).

12. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen ten gevolge van door verweerder gevoerd begunstigend beleid. De gevallen waar eiser op wijst worden niet in de box 3 heffing betrokken omdat de Minister van Buitenlandse zaken aan hen geen zogenoemde DV-status heeft toegekend (zie ook rechtsoverwegingen 2.3.6 en 2.2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 9 januari 2015, ECLI:NL:HR2015:22). Eiser heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat verweerder, conform begunstigend beleid, personen die wel over een DV-status hadden, geen aangifteformulier heeft toegestuurd. Gelet hierop is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. Deze beroepsgrond van eiser faalt derhalve.

Rechtszekerheidsbeginsel

13.1.

In het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD3187) is ten behoeve van de uitleg aan het begrip duurzaam verblijf in de Regeling aandacht besteed aan de Toelichting 2001. In het arrest is door de Hoge Raad – onder meer en voor zover van belang – opgenomen en geoordeeld:

“3.6.2 (…) In die toelichting [Toelichting 2001] wordt over het begrip 'duurzaam verblijf' medegedeeld:

"Onder het begrip 'duurzaam verblijf houden' wordt het volgende verstaan. Wanneer een persoon gaat werken bij een vertegenwoordiging of internationale organisatie, dan wordt de gemeente waar hij woonachtig is, hiervan op de hoogte gesteld door het ministerie van Buitenlandse Zaken. Daarbij wordt ook aangegeven welke status de persoon heeft. Wanneer in de statuscode de letters DV voorkomen, betekent dit dat de persoon is aangemerkt als duurzaam in Nederland verblijvend. In dat geval dient geen vrijstelling van gemeentelijke belastingen verleend te worden. Of een persoon in dit verband al dan niet als duurzaam in Nederland verblijvend wordt aangemerkt, wordt bepaald door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Directie Kabinet en Protocol. Voor de statusverlening door het Ministerie van Buitenlandse Zaken bij nieuwe aanmeldingen van administratief, technisch en bedienend personeel, alsmede particuliere bedienden, is met ingang van 1 januari 2000 niet langer de termijn van verblijf in Nederland voorafgaand aan indiensttreding bepalend, maar het feit of het betrokken personeelslid door de zendstaat is uitgezonden dan wel lokaal is geworven. Voor uitgezonden personeelsleden die thans als administratief, technisch en bedienend personeel op een missie werkzaam zijn, geldt dat zij na 10 jaar in Nederland werkzaam te zijn geweest door het Ministerie van Buitenlandse Zaken als duurzaam verblijf houdend in Nederland worden beschouwd. Indien er twijfels bestaan over de status van een persoon of wanneer niet geheel duidelijk is of een persoon al dan niet duurzaam verblijf houdt in Nederland, dan kan altijd navraag worden gedaan bij de Directie Kabinet en Protocol van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

(…)

3.7.2.

De Regeling beoogt blijkens haar inhoud en de daarop gegeven toelichtingen uitvoering te geven aan het internationale gebruik, zoals dat voortvloeit uit verdragen en uit (zetel-)overeenkomsten die Nederland heeft gesloten met internationale organisaties die zich in Nederland hebben gevestigd. Dat brengt mede dat de in de Regeling vermelde begrippen dienen te worden uitgelegd overeenkomstig de betekenis die zij hebben in die verdragen en overeenkomsten, zoals ook in de toelichting bij de Regeling is vermeld. Daaraan hebben de in artikel 243 van de Gemeentewet bedoelde bewindslieden inhoud gegeven door de beslissing dienaangaande over te laten aan de Minister van Buitenlandse Zaken, die namens de Nederlandse Staat is betrokken bij de totstandkoming en naleving van de in de Regeling genoemde verdragen en (zetel-)overeenkomsten met internationale organisaties, alsmede is aangewezen als eerstverantwoordelijke voor de contacten met die organisaties en om bemiddelend op te treden in geval van problemen van de organisaties met overheden in Nederland.

3.7.3.

Het vorenstaande brengt mee dat belanghebbende erop mag vertrouwen dat de heffingsambtenaar hem vrijstelling van onroerendezaakbelasting wegens het gebruik van de onroerende zaak verleent in het geval dat de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met het voorgaande bepaalt dat hij niet duurzaam verblijf houdt in Nederland. (…)."

13.2.

In het arrest van de Hoge Raad van 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:22, lag de uitleg van het begrip duurzaam verblijf in het kader van de Zetelovereenkomst voor bij een werknemer van het EOB met rang A4. Door de Hoge Raad is – onder meer en voor zover van belang – geoordeeld:

“2.3.4. Bij het verlenen van voorrechten en immuniteiten aan personeel met een andere dan de Nederlandse nationaliteit pleegt een onderscheid te worden gemaakt tussen personeelsleden die bij de aanvang van hun werkzaamheden uit het buitenland afkomstig zijn en personeelsleden die op dat tijdstip reeds duurzaam in Nederland verblijven. Aan laatstbedoelde categorie wordt door het Ministerie van Buitenlandse Zaken de zogenoemde DV-status toegekend (vgl. HR 6 juni 2008, nr. 41769, ECLI:NL:HR:2008:BD3159, BNB 2008/211, en HR 6 juni 2008, nr. 43788, ECLI:NL:HR:2008:BD3187, BNB 2008/212). Die categorie wordt voor de toepassing van een aantal voorrechten op gelijke wijze behandeld als Nederlandse onderdanen.

2.3.5.

De onder 2.3.4 bedoelde regeling voor diplomatieke ambtenaren wordt op overeenkomstige wijze toegepast in de Zetelovereenkomst. Ook daarbij geldt, zoals bij diplomatieke ambtenaren waaraan artikel 10, lid 1, van de Zetelovereenkomst refereert, dat de beoordeling of een personeelslid van het EOB in de zin van die bepaling duurzaam in Nederland verblijf houdt door het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt beoordeeld, en wel naar de situatie ten tijde van de aanvang van de werkzaamheden voor het EOB.

2.3.6.

Belanghebbendes opvatting dat hij ten onrechte ongelijk wordt behandeld ten opzichte van buitenlandse collega’s die inmiddels zo lang bij het EOB werkzaam zijn dat zij duurzaam in Nederland verblijven, berust derhalve op een misvatting omtrent de betekenis van het begrip duurzaam verblijf bij de toepassing van regelingen die gelden voor diplomatieke ambtenaren, waarnaar artikel 10, lid 1, van de Zetelovereenkomst verwijst. Van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen is dan ook geen sprake. Ook de daarop gerichte klacht faalt daarom.”

13.3.

Uit de in 13.1. en 13.2. vermelde arresten van de Hoge Raad volgt dat de Minister van Buitenlandse Zaken beoordeelt of iemand duurzaam in Nederland verblijf houdt. De Hoge Raad oordeelt in het arrest uit 2015 vervolgens ook dat de Minister van Buitenlandse Zaken beoordeelt of een werknemer van de EOB (met rang A4) duurzaam verblijf houdt in Nederland en dat deze beoordeling plaats vindt op het moment voor aanvang van de werkzaamheden. Indien de Minister van Buitenlandse Zaken ten onrechte geen DV-status heeft toegekend, is dat niet aan verweerder toe te rekenen. Verweerder dient slechts die status te volgen. Gelet hierop is geen sprake van schending van het rechtszekerheidsbeginsel door verweerder.

Vertrouwensbeginsel

14. De rechtbank verwerpt het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan slechts slagen indien aannemelijk is dat er ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen tegenover eiser zijn gedaan, waaraan eiser het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat hij over zijn box 3-vermogen geen inkomstenbelasting verschuldigd zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen in rechte te honoreren toezeggingen aan eiser gedaan dat hij in 2012 en 2013 over zijn box 3-vermogen geen inkomstenbelasting verschuldigd is. Te minder, wanneer de omstandigheden waaronder en het moment waarop de uitspraak in 2000 bij de behandeling van het Wetsvoorstel in algemene bewoordingen is gedaan, in ogenschouw worden genomen. Het is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat de bedoeling van de uitspraak niet is – zoals eiser de uitspraak ten onrechte interpreteert – dat niemand er meer, ook jaren na dato, op achteruit kan gaan. Daarnaast heeft te gelden dat de Zetelovereenkomst tot stand is gekomen na de uitspraak van Minister Zalm en de uitspraak om die reden ook geen betrekking kan hebben op de Zetelovereenkomst.

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. van Riel, rechter, in aanwezigheid van mr. S.R.M. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.