Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9374

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-08-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 7533
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft het recht van eiseres op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) herzien en een bedrag van haar teruggevorderd.

Op grond van artikel 8, eerste lid, artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a en artikel 25 van de WW was verweerder gehouden de WW-uitkering van eiseres te herzien over het aantal uren dat eiseres werkzaam is geweest als zelfstandige.

De rechtbank is van oordeel dat verweerders schatting van het aantal door eiseres als zelfstandige gewerkte uren van acht uur per week op onvoldoende feitelijke grondslag berust. Het beroep is gegrond. De rechtbank draagt verweerder op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/7533

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 augustus 2018 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: M. Alsemgeest).

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2017 (het primaire besluit I) heeft verweerder het recht van eiseres op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) per 15 april 2016 (lees: 15 april 2014) ingetrokken.

Bij besluit van 6 januari 2017 (het primaire besluit II) heeft verweerder de ten onrechte door eiseres over de periode van 15 april 2014 tot en met 14 september 2016 ontvangen WW-uitkering ten bedrage van € 86.561,47 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 26 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard, het recht van eiseres op een WW-uitkering vanaf 15 april 2014 herzien en het terugvorderingsbedrag verlaagd naar € 18.909,82.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Eiseres en verweerder hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiseres heeft op 9 april 2014 een aanvraag voor een uitkering op grond van de WW ingediend. Bij besluit van 5 mei 2014 heeft verweerder eiseres met ingang van 15 april 2014 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering, berekend naar een gemiddeld aantal arbeidsuren van 36 per week.

1.2.

Naar aanleiding van bij verweerder op 20 juli 2015 en 28 juli 2015 binnengekomen anonieme meldingen dat eiseres, naast haar WW-uitkering, via internet paardenhalsters en paardenaccessoires verkoopt, heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verstrekte WW-uitkering. In dat kader heeft verweerder, onder meer, bij brief van 10 november 2016 informatie bij de Belastingdienst opgevraagd, eiseres uitgenodigd voor een gesprek op 7 december 2016 en internetonderzoek verricht. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van

20 december 2016.

1.3.

In het onderzoeksrapport staat – samengevat – vermeld dat eiseres een website, [website], op haar naam heeft staan met als oprichtingsdatum

9 april 2014. Voorts worden blijkens het rapport op voornoemde website handgemaakte paardenhalsters en paardenaccessoires aangeboden. Daarnaast is in het onderzoeksrapport opgenomen dat eiseres via haar Facebookaccount adverteert met handgemaakte paardenhalsters. Ten slotte staat eiseres volgens het rapport niet ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en heeft zij geen inkomsten met betrekking tot zelfstandige werkzaamheden doorgegeven aan de Belastingdienst.

1.4.

De onderzoeksbevindingen zijn voor verweerder aanleiding geweest om bij het primaire besluit I het recht van eiseres op een WW-uitkering per 15 april 2014 in te trekken. Daarbij stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres niet heeft doorgegeven dat zij als zelfstandige werkzaamheden heeft verricht, waardoor het recht op uitkering niet is vast te stellen.

1.5.

Bij het primaire besluit II heeft verweerder – eveneens naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen – de volgens hem ten onrechte door eiseres over de periode van

15 april 2014 tot en met 14 september 2016 ontvangen WW-uitkering, ten bedrage van

€ 86.561,47, van haar teruggevorderd. Ook aan dit besluit legt verweerder ten grondslag dat eiseres niet de juiste informatie, die van belang is voor het vaststellen van haar WW-uitkering, heeft doorgegeven.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd dat eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting ingevolge artikel 25 van de WW heeft geschonden. Gelet op de aard en de omvang van de werkzaamheden stelt verweerder dat economische waarde kan worden toegekend aan de door eiseres geleverde producten. De grenzen van een hobby zijn volgens verweerder zodanig overschreden dat sprake is van zelfstandige werkzaamheden. Dat de kosten hoger waren dan de opbrengsten doet aan het voorgaande niet af. Uit het in bezwaar door eiseres overgelegde overzicht en het gesprek van 30 mei 2017 is gebleken dat eiseres in de eerste week van de terugvorderingsperiode, zijnde week 18 van 2014, acht uur aan het maken van paardenhalsters heeft besteed. Gelet daarop heeft verweerder de WW-uitkering van eiseres per 15 april 2014 herzien met acht uur per week en het terugvorderingsbedrag verlaagd naar € 18.909,82. Niet is gebleken van dringende redenen op grond waarvan dient af te worden gezien van terugvordering, aldus verweerder.

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – aan dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Aangezien het maken van paardenhalsters hobbymatig heeft plaatsgevonden en niet kan worden gezien als zelfstandige werkzaamheden, hoefde zij hiervan geen melding te maken.

Dit geldt te meer nu eiseres, vanwege de hoge kosten, uiteindelijk niks heeft verdiend met het maken van de paardenhalsters. Verder is de website van eiseres geen professionele website en was het bovendien geen webshop waar producten gekocht konden worden. Ook is zij slechts tweeënhalf uur per week, en driehonderdentien uur in totaal, bezig geweest met het maken van paardenhalsters. Eiseres heeft hiervan geen administratie bijgehouden, aangezien het enkel een hobby was. Ter onderbouwing van voornoemde gronden heeft eiseres in beroep overzichten gemaakt en overgelegd. Voorts betoogt eiseres dat het maken van paardenhalsters bijverdiensten zijn die al bestonden voordat haar werkloosheid begon. Ten slotte heeft verweerder na binnenkomst van de meldingen niet tijdig actie ondernomen en dient daarmee rekening te worden gehouden met betrekking tot de hoogte van het terugvorderingsbedrag.

4.1.

In artikel 8, eerste lid, van de WW is bepaald dat een persoon wiens dienstbetrekking is geëindigd, de hoedanigheid van werknemer behoudt, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd.

4.2.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW eindigt het recht op uitkering voor zover de werknemer zijn hoedanigheid van werknemer verliest.

4.3.

Ingevolge artikel 22a, eerste lid, van de WW herziet of trekt het Uwv een besluit tot toekenning van een uitkering in, indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25 van de WW of indien de uitkering anderszins ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

4.4.

Ingevolge artikel 25 van de WW is de werknemer verplicht aan het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

4.5.

Ingevolge het bepaalde in artikel 36, eerste lid, van de WW wordt de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uwv teruggevorderd.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel – voor zover hier van belang – kan het Uwv, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

4.6.

De rechtbank stelt voorop dat het bij besluiten tot herziening en terugvordering van uitkeringen als hier aan de orde gaat om voor de betrokkene belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren en daarmee te onderbouwen dat geen of minder recht op een uitkering heeft bestaan. Die plicht om informatie te vergaren brengt mee dat verweerder in het voorliggende geval feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat eiseres in de relevante periode geen melding heeft gemaakt van het, in de door verweerder gestelde omvang, via internet aanbieden en verkopen van paardenhalsters, waardoor zij haar werknemerschap heeft verloren en dus geen recht had op een WW-uitkering.

Als verweerder dat aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van eiseres de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken (zie in dit kader ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van

18 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3766).

5.1.

Niet in geschil is dat eiseres vanaf de startdatum van haar WW-uitkering, zijnde

15 april 2014, paardenhalsters heeft gemaakt en op het internet heeft gepresenteerd en aangeboden. Evenmin is in geschil dat eiseres hier in ieder geval meerdere uren per week aan heeft besteed. Eiseres beschouwt deze werkzaamheden als hobbymatig, zodat die volgens haar geen consequenties zouden moeten hebben voor haar WW-uitkering. Eiseres wordt hierin niet gevolgd. De door haar verrichte werkzaamheden, zoals het aanbieden van sierhalsters op haar eigen website en Facebook, voldoen aan het volgens vaste rechtspraak in een geval als dit geldende criterium dat deze zijn aan te merken als arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht en waarmee het verkrijgen van geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kan worden verwacht. Eiseres heeft zich voorts naar buiten toe gepresenteerd als ondernemer. Dit blijkt onder andere uit haar website en door haar op Facebook geplaatste advertenties. Dit wordt, zoals eiseres betoogt, niet anders doordat haar website, naar haar zeggen, geen professionele website was en evenmin kon gelden als webshop. Ook maakt het feit dat met die werkzaamheden volgens eigen zeggen geen inkomsten zouden zijn verworven, het voorgaande, gelet op hierboven genoemd criterium, niet anders. De werkzaamheden zijn dan ook te beschouwen als werkzaamheden als zelfstandige uit hoofde waarvan eiseres niet als werknemer wordt beschouwd als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WW (zie in dit kader bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 20 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1808 en van 13 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1729).

5.2.

Nu eiseres deze werkzaamheden als zelfstandige niet heeft gemeld bij verweerder is zij de ingevolge artikel 25 van de WW op haar rustende inlichtingenverplichting niet nagekomen. Het had eiseres namelijk redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat voornoemde werkzaamheden van invloed konden zijn op haar recht op WW-uitkering. De omstandigheid dat de inkomsten die eiseres uit haar werkzaamheden heeft verkregen laag waren vanwege de hoge kosten is niet relevant. Voor de bepaling van de omvang van het recht op WW is namelijk niet van belang of, en hoeveel, winst is gemaakt, maar gaat het om de omvang van de werkzaamheden en in dat verband om het aantal uur dat als zelfstandige wordt gewerkt (zie in dit verband de uitspraak van de CRvB van 20 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1808). Ook de omstandigheid dat eiseres de werkzaamheden reeds voor aanvang van de WW-uitkering verrichtte, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Op grond van vaste rechtspraak van de CRvB blijft de verplichting om relevante informatie te verstrekken bestaan zolang die relevante informatie nog niet is gemeld. Zolang die melding niet is geschied, blijft er sprake van schending van de inlichtingenverplichting (zie in dit kader de uitspraak van de CRvB van 28 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4614). De rechtbank is niet gebleken dat eiseres op enig moment, ook niet voor aanvang van de WW-uitkering, melding heeft gemaakt van de werkzaamheden.

5.3.

Op grond van artikel 8, eerste lid, artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a en artikel 25 van de WW was verweerder gehouden de WW-uitkering van eiseres vanaf 15 april 2014 te herzien over het aantal uren dat eiseres werkzaam is geweest als zelfstandige.

5.4.

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van

21 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:524) is in een geval als dit, waarin een uitkeringsgerechtigde heeft nagelaten opgave te doen van zijn werkzaamheden en van de gewerkte uren zelf geen registratie heeft bijgehouden, aanvaardbaar dat verweerder een schatting maakt van de omvang van die werkzaamheden. Het risico dat die schatting ten nadele van de betrokkene uitvalt komt voor diens rekening en risico, mits door het verweerder voldoende en zorgvuldig onderzoek is verricht om tot een vaststelling te komen die de werkelijkheid zo dicht mogelijk benadert.

5.5.

In het onderhavige geval heeft verweerder, zoals ter zitting toegelicht, het aantal gewerkte uren berekend aan de hand van de door eiseres overgelegde urenregistraties, waarbij verweerder is uitgegaan van acht uur per week aan verrichte werkzaamheden. Eiseres stelt daartegenover dat acht uur geen representatieve werkweek betreft, aangezien de in de urenregistraties genoteerde uren zijn toegeschreven aan haar verkochte paardenhalsters en niet aan het aantal aan werkzaamheden verrichte uren. Voorts stelt eiseres, zoals zij ook in bezwaar heeft gesteld, dat zij slechts tweeënhalf uur per week bezig is geweest met het maken van paardenhalsters.

5.6.

De rechtbank is van oordeel dat verweerders schatting van het aantal als zelfstandige gewerkte uren van acht uur per week op onvoldoende feitelijke grondslag berust. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder geen onderzoek heeft verricht naar het, zowel in bezwaar als in beroep, door eiseres ingenomen en onderbouwde standpunt dat zij maar tweeënhalf uur per week heeft gewerkt. Door het achterwege laten hiervan is de schatting van verweerder niet gebaseerd op voldoende dan wel zorgvuldig verricht onderzoek. Daarbij acht de rechtbank tevens van belang dat de door eiseres in bezwaar overgelegde urenregistraties haar stelling ondersteunen dat de daarin genoteerde uren zien op aantal uren fabricage per verkochte paardenhalster en niet op het aantal uren verrichte werkzaamheden in een week.

6. Het vorenstaande brengt met zich dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet draagkrachtig is gemotiveerd, zodat het wegens strijd met artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor vernietiging in aanmerking komt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van hetgeen overigens nog door eiseres is aangevoerd ten aanzien van de hoogte van de terugvordering.

7. Het beroep is dan ook gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dit naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

9.1.

De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, waarbij de rechtbank de forfaitaire tarieven uit het Besluit proceskosten (Bpb) bestuursrecht zal hanteren.

9.2.

Eiseres heeft verzocht om vergoeding van overige kosten die zij als gevolg van de beroepsprocedure heeft moeten maken. De rechtbank neemt hierbij het door eiseres zelf ingediende formulier proceskosten van 4 juli 2018 als uitgangspunt. De parkeerkosten die hierin staan vermeld, komen op grond van het Bpb niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank begrijpt het verzoek van eiseres om vergoeding van de reiskosten zo dat zij een kilometervergoeding wenst. Deze kosten stelt de rechtbank vast op een bedrag van

€ 4,48, waarbij het gaat om reiskosten van en naar de rechtbank (8 km x € 0,28 retour). Eiseres heeft tevens verzocht om verletkosten. Deze zullen worden toegekend tot een bedrag van € 107,68 (4 uur x het bruto uurloon van eiseres van € 26,92).

9.3.

Het verzoek om vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar, komt nu niet voor toewijzing in aanmerking. Pas als verweerder een nieuw besluit heeft genomen, kan namelijk worden beoordeeld of deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 112,16.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.X. Cozijn, voorzitter, en mr. M.M. Meessen en

mr. O.M. Harms, leden, in aanwezigheid van mr. C.A.W. Zijlstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.