Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9351

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
07-08-2018
Zaaknummer
18.10716
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Libië, opvolgend asielaanvraag k.o., Amazigh en Ibadi, fatwa, 3 EVRM, arrest Gnandi

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.10716


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. J.M. Walls),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Raak).


Procesverloop
Bij besluit van 6 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.10717, plaatsgevonden op 12 juli 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen N. Wandawi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Libische nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] . Eiser behoort tot de Amazigh-stam en hangt binnen de islam de geloofsstroming Ibadi aan.

2. Op 11 november 2016 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 23 november 2016 deze aanvraag afgewezen. Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, heeft bij uitspraak van 23 december 2016 (AWB 16/27628) het hiertegen ingestelde beroep van eiser ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft bij uitspraak van 8 mei 2017, nummer 201609991/2/V2, het hiertegen ingestelde hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard.

3. Op 8 augustus 2017 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend.

Hieraan heeft eiser - voor zover hier van belang - ten grondslag gelegd dat er religieuze problemen bestaan tussen Arabieren en mensen van de Amazigh-stam, omdat de Amazigh worden beschouwd als religieuze minderheid onder de naam Ibadi (Al Abadhi). De leden van de Ibadi worden verketterd en als afvalligen beschouwd en mogen worden gedood. Als nadere onderbouwing van deze stelling heeft eiser meerdere documenten, waaronder een fatwa van juli 2017 van de Religieuze hoge Commissie Aifta, overgelegd.

4. Verweerder heeft bij besluit van 31 augustus 2017 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat eiser volgens verweerder aan zijn opvolgende aanvraag geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd.

Deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij uitspraak van 17 november 2017 (NL17.7923), het hiertegen ingestelde beroep van eiser gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

5. Bij het bestreden besluit, waarin het voornemen van 21 mei 2018 is ingelast, heeft verweerder de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef, en onder g en h, van de Vw.

Daarnaast is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar, gerekend vanaf het moment dat eiser Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

6. Gelet op de voornoemde uitspraak van 17 november 2017 beperkt het geschil zich tot de vraag of eiser als Amazigh en Ibadi naar aanleiding van het nieuwe relevante element - de fatwa van juli 2017 van de Religieuze hoge Commissie Aifta - bij terugkeer naar Libië heeft te vrezen voor vervolging.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de Ibadi niet tot een risicogroep dan wel een kwetsbare minderheidsgroep behoren. Verweerder wijst erop dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de persoonlijke problemen die hij als Ibadi heeft ondervonden. Verder stelt verweerder dat de fatwa, die is uitgevaardigd door de Supreme Fatwa Committee, algemeen van aard is en dus ook betrekking heeft op eiser. Uit openbare bronnen blijkt echter niet dat er sinds juli 2017 tot heden Ibadi-moslims zijn vervolgd vanwege hun religie. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt evenmin dat er slachtoffers zijn gevallen als gevolg van het uitroepen van de fatwa. De overgelegde stukken zien overwegend op de algemene situatie van de Amazigh in Libië. Het artikel over de ontvoerde journalist kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat onduidelijk is door wie de journalist is ontvoerd. Bovendien wordt in het artikel ook gesproken over een ontvoering vanwege het beheersen en spreken van de Amazigh-taal. Daarnaast is niet gebleken dat familieleden, dan wel kennissen of vrienden problemen hebben ondervonden omdat zij Ibadi zijn. Eiser loopt daarom geen gevaar bij terugkeer.

8. Eiser voert aan dat er met betrekking tot zijn etniciteit en geloofsovertuiging wel degelijk sprake is van sektarisch geweld. Hij verwijst naar de door hem bij zijn zienswijze overgelegde stukken, te weten: een artikel van Al-Monitor van 2 maart 2018, "Amazigh awakening Libya's largest minority wants recognition”, een artikel van Xinhuanet van 29 mei 2018 "UN demands release of journalists illegally detained in Libya", een artikel van Lobe Log van 12 januari 2018 "Western Libya's Ethno-Sectarian Tensions” en een artikel van Middle East Eye van 4 januari 2018 "Anger after Amazigh activist abducted in Libya by forces loyal to Khalifa Haftar". Verder voert eiser aan dat er geen recent ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is over de algemene situatie in Libië en dat de veiligheidssituatie bijzonder slecht is. In dat kader verwijst eiser naar de uitspraak van de Upper Tribunal van het Verenigd Koninkrijk van 28 juni 2017, AMM (Article 15(c) Libya CG(2017) UKUT 263 (IAC).

Daarnaast heeft eiser op 29 juni 2018 een kopie van een politieaangifte van zijn oom overgelegd, waaruit blijkt dat een groep van tien gewapende en baarddragende mannen het huis van zijn oom in Al Famajdoor is binnengevallen om informatie over eiser te verkrijgen.

Ten slotte voert eiser aan dat aan zijn beroep ten onrechte geen schorsende werking is verleend. Eiser beroept zich op het arrest Sadikou Gnandi tegen de Belgische Staat (het arrest Gnandi) van 19 juni 2018 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) (zaak C-181/16, ECLI:EU:C:2018:465).

9. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het aanhangen van het Ibadi-geloof, dan wel het behoren tot de Amazigh op zichzelf een reëel risico op schending van artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) oplevert. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser tijdens zijn eerste asielprocedure heeft verklaard dat hij nooit persoonlijke problemen heeft ondervonden vanwege zijn religie behalve dat zijn auto eenmaal bij een controlepost werd onderzocht omdat hij Amazigh was, terwijl hij in de onderhavige procedure heeft verklaard dat hij regelmatig problemen heeft ondervonden omdat hij Ibadi is. Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat in de fatwa van juli 2017 niet met zoveel woorden wordt opgeroepen tot geweld tegen de Ibadi. Weliswaar kan de fatwa zo worden uitgelegd dat impliciet wordt opgeroepen tot geweld tegen de Ibadi, maar verweerder heeft er niet ten onrechte op gewezen dat tot op heden niet is gebleken dat er als gevolg van de fatwa Ibadislachtoffers zijn gevallen. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt weliswaar dat de Amazigh een etnische minderheid vormen en dat er spanningen zijn, maar niet dat personen enkel vanwege het behoren tot de Amazigh-stam of het zijn van Ibadi-moslim te vrezen hebben voor vervolging. Verweerder heeft dat in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd.

De kopie van de politieaangifte van eisers oom kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat het rapport is opgemaakt op verzoek van zijn oom en onduidelijk is welke groepering naar eiser op zoek is en met welke reden. Verder heeft verweerder er ter zitting terecht op gewezen dat uit de omstandigheid dat eisers oom aangifte heeft kunnen doen bij de politie, kan worden afgeleid dat de autoriteiten bereid zijn bescherming te bieden.

De uitspraak van het Upper Tribunal van het Verenigd Koninkrijk van 28 juli 2017 is al betrokken in de uitspraak van 17 november 2017, rechtsoverweging 23, en kan daarom in deze procedure onbesproken blijven.

10. De rechtbank overweegt ten aanzien van het beroep op het arrest Gnandi dat in deze zaak geen beroep tegen een terugkeerbesluit voorligt, maar een beroep tegen een besluit tot afwijzing van een opvolgende asielaanvraag, dat niet tevens een terugkeerbesluit omvat. Uit het arrest Gnandi volgt echter dat een rechtsmiddel ook in die situatie van rechtswege schorsende werking heeft, omdat het besluit tot afwijzing van een opvolgende asielaanvraag tot gevolg heeft dat het eerdere terugkeerbesluit herleeft. Zonder schorsende werking zou dat kunnen leiden tot uitvoering van dat terugkeerbesluit en daarmee tot verwijdering van de vreemdeling (punten 58-62 van het arrest Gnandi).

De rechtbank wijst er hierbij op dat het beroep tegen een terugkeerbesluit in de zin van artikel 6 van Richtlijn 2008/115/EG (PB 2008, L 348; de Terugkeerrichtlijn) van rechtswege schorsende werking moet hebben om aan de derdelander de verzekering te geven dat aan de vereisten van het beginsel van non-refoulement en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) wordt voldaan (punt 56 van het arrest Gnandi). Dit geldt ook voor de situatie van beroep tegen een afwijzing van een opvolgende asielaanvraag waarbij in de eerste asielprocedure een terugkeerbesluit is genomen.

Uit het arrest Gnandi (punt 63) volgt verder dat een vreemdeling in afwachting van de uitkomst van een rechtsmiddel tegen de afwijzing van zijn asielverzoek door verweerder, daarnaast in beginsel het voordeel moet kunnen genieten van de rechten die voortvloeien uit Richtlijn 2003/9/EG (PB 2003 L 31; de Opvangrichtlijn; thans de Richtlijn 2013/33/EU; PB 2013, L 180; de herziene Opvangrichtlijn), en dus recht heeft op opvang.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met zijn standpunt ter zitting, dat hij in verband met het bepaalde in artikel 7.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 het terugkeerbesluit van 23 november 2016 niet ten uitvoer zal leggen voordat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan, de vorenbedoelde waarborgen onvoldoende in acht heeft genomen. Immers, het besluit tot afwijzing van de opvolgende asielaanvraag heeft tot gevolg dat eiser hangende beroep geen recht op opvang heeft gehad.

De beroepsgrond slaagt in zoverre. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 6, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn.

11. Dat eiser als gevolg van de onrechtmatigheid van het terugkeerbesluit geen opvang heeft gehad tijdens de beroepsprocedure, is een feitelijk gevolg dat naar zijn aard niet ongedaan kan worden gemaakt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1331). Daarnaast volgt uit rechtsoverweging 9 dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er rechtsgrond bestaat voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning. Verweerder heeft de opvolgende asielaanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. De rechtbank ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

12. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten ter hoogte van € 1.002,- (duizendtwee euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. Holierhoek, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.