Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9348

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-07-2018
Datum publicatie
02-08-2018
Zaaknummer
NL17.15131
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Asielaanvraag van Rohingya. Standpunt verweerder dat eiseres bij terugkeer naar Myanmar en in het bijzonder Rangoon geen gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege haar etniciteit of een reëel risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 EVRM vanwege haar etniciteit gebaseerd op onvoldoende actuele informatie. Standpunt verweerder dat asielrelaas ongeloofwaardig is niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Beroep gegrond. Opdracht nieuw besluit. Eventuele nieuwe afwijzing moet gebaseerd zijn op actuele informatie over de positie van Rohingya’s in Myanmar/Rangoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.15131

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juli 2018 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

gemachtigde: mr. S.R. Nohar,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. Ch.R. Vink.

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder, voor zover in beroep aan de orde, de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen N.N. Lwin. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Myanmarese nationaliteit. Op 23 mei 2017 heeft zij een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Aan haar aanvraag ligt ten grondslag dat zij Rohingya is en bij terugkeer naar Myanmar te vrezen heeft voor vervolging op grond van haar etniciteit en/of een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) vanwege haar etniciteit. Verder ligt aan haar aanvraag ten grondslag dat zij bij terugkeer naar Myanmar een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, omdat zij naar aanleiding van een incident dat te maken heeft met haar werk in Rangoon in de negatieve belangstelling is komen te staan van de autoriteiten en de 969-beweging.

2.1.

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar aanvraag is gebaseerd op omstandigheden die hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Verweerder heeft dit als volgt gemotiveerd.

2.2.

Verweerder acht geloofwaardig dat eiseres Rohingya is, maar stelt dat zij bij terugkeer naar Myanmar geen gegronde vrees heeft voor vervolging op grond van haar etniciteit of een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM vanwege haar etniciteit. Eiseres zal zich bij terugkeer naar Myanmar namelijk (opnieuw) vestigen in Rangoon. Uit openbare bronnen volgt dat Rohingya’s in Rangoon weliswaar met discriminatie te maken hebben, maar, anders dan Rohingya’s in de provincie Rakhine, niet worden vervolgd of een reëel risico lopen op een onmenselijke of vernederende behandeling.

2.3.

Verweerder acht niet geloofwaardig dat eiseres als gevolg van een werkgerelateerd incident in de negatieve belangstelling is komen te staan van de autoriteiten en de 969-beweging. De reden hiervoor is dat eiseres over verschillende onderdelen van dit asielrelaas niet, niet logisch, summier of tegenstrijdig heeft verklaard en geen stukken heeft ingebracht die haar asielrelaas onderbouwen.

3. De voor deze zaak relevante verdrags- en wetsbepalingen zijn opgenomen in de aan deze uitspraak gehechte bijlage 1.

4.1.

Eiseres heeft als beroepsgrond aangevoerd dat verweerder ten onrechte stelt dat zij bij terugkeer naar Myanmar, en in het bijzonder Rangoon, geen gegronde vrees heeft voor vervolging op grond van haar etniciteit of een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM vanwege haar etniciteit. Eiseres stelt dat Rohingya’s sinds augustus 2017 overal in Myanmar, dus ook in Rangoon, worden vervolgd op grond van hun etniciteit en een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

4.2.

Ter onderbouwing van deze beroepsgrond heeft eiseres een brief van 3 februari 2018 en een e-mail van 13 mei 2018 van de European Rohingya Council (ERC), een e‑mail van 16 januari 2018 van prof. dr. J. Beyer – professor voor etnologie (hierna: Beyer) – en een brief van 5 februari 2018 van VluchtelingenWerk Nederland (VWN) ingebracht. De voor deze zaak relevante onderdelen hieruit zijn opgenomen in de aan deze uitspraak gehechte bijlage 2.

4.3.

Verweerder heeft zijn standpunt dat Rohingya’s in Rangoon geen gegronde vrees hebben voor vervolging op grond van hun etniciteit of een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM gebaseerd op paragrafen 2.2.9., 2.2.10. en 11. van het rapport ‘Country Policy and Information Note, Burma: Rohingya’ van het UK Home Office van juli 2017. Deze paragrafen zijn onverkort gehandhaafd in de recentere versie van dit rapport van het UK Home Office van november 2017. De informatie die in deze paragrafen staat, waarvan de inhoud grotendeels is opgenomen in de brief van 5 februari 2018 van VWN (en in bijlage 2), heeft het UK Home Office overgenomen uit een rapport van 10 januari 2017 van de Afdeling voor Buitenlandse Zaken en Handel van de Australische overheid. Dit betekent dat de informatie waarop verweerder zich in het bestreden besluit heeft gebaseerd dateert uit de periode tot 10 januari 2017.

4.4.

Uit de brief van 5 februari 2018 van VWN, waarin onder andere passages uit het jaarboek over Myanmar van 22 februari 2018 van Amnesty International zijn aangehaald, volgt dat de positie van Rohingya’s in Myanmar na een aanslag van Rohingya-rebellen in augustus 2017 is verslechterd. De verklaringen van de ERC en Beyer en de rapporten en verklaringen die in de brief van 5 februari 2018 van VWN zijn opgenomen, dateren alle van na augustus 2017. Uit deze verklaringen en rapporten komt het beeld naar voren dat discriminatie en vervolging van Rohingya’s niet alleen plaatsvindt in de provincie Rakhine, maar ook in onder andere Rangoon, en dat Rohingya’s thans ook in Rangoon het risico lopen slachtoffer te worden van wraakacties en ander geweld. Deze actuele verklaringen en rapporten schetsen een aanmerkelijk ongunstiger beeld van de positie van Rohingya’s in Rangoon dan de informatie die dateert uit de periode tot 10 januari 2017 waarop verweerder zich heeft gebaseerd.

4.5.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zijn standpunt dat eiseres bij terugkeer naar Rangoon geen gegronde vrees heeft voor vervolging op grond van haar etniciteit of geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM vanwege haar etniciteit, heeft gebaseerd op onvoldoende actuele informatie, terwijl actuelere informatie beschikbaar was. Dit standpunt van verweerder kan daarom niet worden gedragen door de motivering in het bestreden besluit. De onder 4.1. weergegeven beroepsgrond slaagt in zoverre dat verweerder het bestreden besluit in dit opzicht niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid en niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

5.1.

Eiseres heeft als beroepsgrond aangevoerd dat verweerder ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat zij naar aanleiding van een incident dat te maken heeft met haar werk in Rangoon in de negatieve belangstelling is komen te staan van de autoriteiten en de 969-beweging.

5.2.1.

Eiseres heeft tijdens de gehoren verklaard dat zij in Rangoon werkte voor United Building Groep (UBG) en dat haar problemen met de autoriteiten en de 969-beweging hun grondslag vinden in het werk dat zij voor UBG heeft verricht. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het ongeloofwaardig is dat eiseres voor UBG heeft gewerkt. Aan dit standpunt legt hij ten grondslag dat eiseres dit dienstverband niet met documenten heeft aangetoond.

5.2.2.

Hoewel het vaak zo is dat een (oud-)werknemer beschikt over documenten waaruit zijn dienstverband blijkt, is de rechtbank van oordeel dat de enkele omstandigheid dat een vreemdeling dergelijke documenten niet (meer) heeft, niet zonder meer betekent dat het gestelde dienstverband niet heeft bestaan. Een vreemdeling kan het gestelde dienstverband ook aannemelijk maken met verklaringen over dat dienstverband.

5.2.3.

Eiseres heeft geen documenten overgelegd waaruit haar dienstverband bij UBG blijkt. Dit is voor verweerder de reden geweest om het gestelde dienstverband niet geloofwaardig te achten. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij verder buiten beschouwing heeft gelaten wat eiseres tijdens de gehoren over haar dienstverband bij UBG heeft verteld. Dit betekent dat verweerder geen acht heeft geslagen op de verklaringen van eiseres tijdens het nader gehoor dat UBG actief was in de bouwsector, dat zij bij UBG assistent-manager was, dat zij in die functie grond moest verkopen en papieren moest controleren en dat haar relatie met haar manager niet goed was. Ook heeft verweerder niet in aanmerking genomen dat eiseres gedetailleerd heeft verteld over de activiteit die heeft geleid tot de gestelde problemen met de autoriteiten en de 969-beweging. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze verklaringen van eiseres over haar dienstverband bij UBG ten onrechte niet heeft betrokken bij zijn geloofwaardigheidsbeoordeling van het gestelde dienstverband van eiseres.

5.3.1.

Eiseres heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat zij namens UBG heeft geprobeerd een stuk grond te laten ontruimen waarop twee families illegaal woonden. Die families hebben volgens haar contact opgenomen met de 969-beweging – volgens eiseres een machtige groep boeddhistische monniken die anti-islam zijn – en die beweging heeft vervolgens aangifte gedaan bij de politie. Volgens eiseres moest UBG daarna, zo staat op pagina 10 van het verslag van het nader gehoor, geld (300.000 Kyat) betalen aan de politie en aan de 969-beweging om uit de problemen te blijven. Dit is volgens eiseres het gevolg van het feit dat UBG werd geleid door een moslim en dat het bedrijf met haar een Rohingya in dienst had. Verder heeft eiseres verklaard, zo is af te leiden uit pagina’s 9 tot en met 12 en 15 van het verslag van het nader gehoor, dat de politie en de 969-beweging zich voor het geld tot eiseres hebben gewend, omdat zij als enige van het bedrijf bereikbaar was. Volgens eiseres waren de eigenaar van UBG en haar manager onbereikbaar en hield het bedrijf op enig moment ook op te bestaan. Eiseres heeft het geld niet betaald. Daarna zijn volgens haar de problemen met de autoriteiten en de 969-beweging begonnen.

5.3.2.

Verweerder acht het ongeloofwaardig dat de politie en de 969-beweging zich tot eiseres hebben gewend voor het geld en dat zij problemen heeft gekregen toen zij dit niet betaalde. Aan dit standpunt legt verweerder ten grondslag dat eiseres slechts een medewerker van UBG was, die handelde in uitoefening van haar functie en dat niet wordt ingezien waarom de politie en de 969-beweging zich voor het geld niet hebben gewend tot UBG of de eigenaar daarvan.

5.3.3.

Verweerder is met dit standpunt naar het oordeel van de rechtbank voorbijgegaan aan de verklaringen van eiseres dat de politie en de 969-beweging zich voor het geld tot haar hebben gewend omdat zij als enige van het bedrijf bereikbaar bleek te zijn. Verweerder heeft in het bestreden besluit weliswaar vermeld dat de omstandigheid dat de eigenaar van UBG in het buitenland woont niet verklaart waarom de politie en de 969-beweging zich voor het geld tot haar hebben gewend, maar is in het bestreden besluit niet ingegaan op de verklaringen van eiseres dat ook haar manager onbereikbaar was en dat het bedrijf op enig moment ophield te bestaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van dit onderdeel van het asielrelaas ten onrechte geen acht heeft geslagen op deze verklaringen van eiseres.

5.4.1.

Eiseres heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat haar problemen met de politie en de 969-beweging ertoe hebben geleid dat zij op 21 december 2016 door de politie is gearresteerd en vervolgens drie dagen in het lokale politiebureau is opgesloten, waarbij zij ook is mishandeld. Verweerder acht het ongeloofwaardig dat eiseres is gearresteerd, opgesloten en mishandeld door de politie. Aan dit standpunt legt hij met name ten grondslag dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard over de reden van haar arrestatie en detentie, terwijl van haar als hoog opgeleide vrouw mag worden verwacht dat zij eenduidig kan verklaren over de reden van haar arrestatie en detentie.

5.4.2.

Eiseres heeft tijdens het nader gehoor gezegd dat zij is gearresteerd en gedetineerd, omdat zij Rohingya is en illegaal in Rangoon zou verblijven, omdat zij geen geld had betaald aan de politie en de 969-beweging en omdat er illegale Bengali in haar huis zouden verblijven. De constatering van verweerder dat eiseres verschillende redenen voor haar arrestatie en detentie heeft genoemd is dus op zich zelf juist. Uit pagina 14 van het verslag van het nader gehoor blijkt dat eiseres ook heeft verklaard dat ze eigenlijk niet zo goed weet waarom zij was gearresteerd en gedetineerd, omdat de politie haar geen duidelijkheid hierover heeft gegeven, ondanks dat zij daarom had gevraagd. Uit de pagina’s 12 tot en met 15 van het verslag van het nader gehoor volgt verder dat eiseres over de reden van haar arrestatie en detentie heeft verteld wat zij daarover van de politie heeft vernomen. De verklaringen van eiseres komen er dus op neer dat zij voor haar informatie over de reden van haar arrestatie en detentie afhankelijk was van de politie en dat de politie haar verschillende redenen voor haar arrestatie en detentie heeft genoemd. Gelet hierop volgt de rechtbank eiseres in haar standpunt dat haar niet op basis van de in het bestreden besluit gegeven motivering kan worden tegengeworpen dat zij tegenstrijdig heeft verklaard over de reden van haar arrestatie en detentie. De rechtbank volgt eiseres eveneens in haar standpunt dat niet valt in te zien waarom het feit dat zij hoog opgeleid is, maakt dat zij eenduidig moet kunnen verklaren over de reden van haar arrestatie en detentie. Ook als hoog opgeleide was zij immers afhankelijk van de informatie die de politie haar verstrekte.

5.5.1.

Eiseres heeft tijdens het nader gehoor verteld dat zij, nadat zij was vrijgekomen, verscheidene keren met het vliegtuig Myanmar is uit- en ingereisd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het feit dat eiseres Myanmar verscheidene keren zonder problemen uit en in is gereisd, maakt dat ongeloofwaardig is dat zij problemen had met de autoriteiten en de 969-beweging.

5.5.2.

Uit de verklaringen van eiseres volgt naar het oordeel van de rechtbank dat zij vooral problemen had met de lokale politie en de 969-beweging. Dat eiseres tijdens haar uit- en inreizen op het vliegveld niet is staande gehouden door de douane of de nationale politie betekent naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat eiseres geen problemen met de autoriteiten en de 969-beweging kan hebben (gehad).

5.6.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat verweerder het asielrelaas van eiseres niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft beoordeeld en zijn standpunt dat niet geloofwaardig is dat eiseres in de negatieve belangstelling staat van de politie en de 969‑beweging in verschillende opzichten niet deugdelijk heeft gemotiveerd. In zoverre slaagt de onder 5.1. weergegeven beroepsgrond eveneens.

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

7.1.

Indien de rechtbank het bestreden besluit vernietigt, moet zij de mogelijkheid van definitieve beslechting van het geschil onderzoeken. De rechtbank ziet geen reden de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank kan ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat daarvoor actuele informatie over de positie van Rohingya’s in Myanmar en meer in het bijzonder in Rangoon nodig is en het aan verweerder is om die actuele informatie te vergaren en te wegen. Bovendien is het aan verweerder en niet aan de rechtbank om het asielrelaas van eiseres opnieuw op geloofwaardigheid te beoordelen als hij meent dat de positie van de Rohingya’s in Myanmar onvoldoende grond vormt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel aan eiseres. De rechtbank zal daarom verweerder opdragen een nieuw besluit op de asielaanvraag van eiseres te nemen.

7.2.

In dat nieuwe besluit dient verweerder de aanvraag alsnog in te willigen of de aanvraag alsnog deugdelijk gemotiveerd af te wijzen. Indien verweerder kiest voor het laatste en daarbij vasthoudt aan zijn onder 2.2. en 2.3. vermelde standpunten, moet hij dat besluit baseren op actuele en kenbare informatie over de positie van Rohingya’s in Myanmar en in Rangoon in het bijzonder en dat besluit motiveren met inachtneming van wat er onder 5.1. tot en met 5.6. is overwogen.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, ziet zij aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres in beroep gemaakte kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, voorzitter, en mr. I. Bouter en mr. B. van Velzen, leden, in aanwezigheid van M. Daşdemir, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2018.

De griffier is verhinderd

voorzitter

deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

BIJLAGE 1

Vluchtelingenverdrag

Op grond van artikel 1(A), aanhef en tweede lid, van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag), ondertekend op 28 juli 1951 in Genève en gewijzigd op 31 januari 1967 door het Protocol van New York, wordt een vreemdeling als vluchteling aangemerkt indien deze uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Vreemdelingenwet 2000

Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is; of

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit:

1°. doodstraf of executie;

2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

BIJLAGE 2

In de brief van 3 februari 2018 van de European Rohingya Council (ERC) is, voor zover voor deze zaak relevant, het volgende vermeld.

“ [eiseres] cannot return to Myanmar due to well-founded fear of severe persecution for being Rohingya. Therefore, ERC appeals to the government of The Netherlands to grant her asylum.”

In de e-mail van 13 mei 2018 van de ERC is, voor zover voor deze zaak relevant, het volgende vermeld.

“ Any Rohingya living in Myanmar are at risk of arbitrary arrest, jail, even death if the authority or any violent extremist mobs or vigilante know that he or she is Rohingya. Generally speaking, although the authority know that there are Rohingya living in Yangon, they don’t know specifically who is Rohingya by appearance because Rohingya living in Yangon are identified as Burmese Muslims, not as Rohingya; and Rohingya look like Burmese Muslims in appearance. If the authority or any extremist individuals can identify any individual as Rohingya, his or her life is at risk. Sometimes, there are informers who inform the authority. In [eiseres]’s case, she will definitely be at risk if she is forced back tot Myanmar because Myanmar authority will know her roots of being a Rohingya as Rohingya hold not genuine identity documents.”

In de e-mail van 16 januari 2018 van prof. dr. J. Beyer is, voor zover voor deze zaak relevant, het volgende vermeld.

“ The short answers to all your questions are: yes - she would be persecuted outside of Rakhine state, Rohingya are discriminated against also in Yangon (which is why they are mostly not registered as Rohingya, but as "Bengali") and if returned to Yangon and identified as Rohingya, she will be at risk!”

In de brief van 5 februari 2018 van Vluchtelingenwerk Nederland is, voor zover voor deze zaak relevant, het volgende vermeld.

“ Het meest recente jaarboek van Amnesty International over Myanmar (22 februari 2018) meldt dat religieuze intolerantie jegens moslims is toegenomen sinds de aanvallen in Rakhine in augustus 2017. De overheid verergert die situatie door zowel het toestaan als het direct aanzetten tot haatspraak, discriminatie en geweld. (…) Religieuze minderheden, vooral moslims, worden voortdurend geconfronteerd met discriminatie (…). Amnesty International meldt in dit jaarboek dat vanwege het ingewortelde en voortdurende regime van apartheid in Rakhine State, terugkeren niet veilig is voor Rohingya.

Op 23 november 2017 heeft Amnesty International haar standpunt uitgebracht dat er geen veilige of waardige terugkeer van Rohingya's naar Myanmar kan plaatsvinden zolang het systeem van apartheid voortduurt en duizenden vast worden gehouden onder omstandigheden die neerkomen op concentratiekampen. Terugkeer is in het huidige klimaat ondenkbaar, aldus Amnesty. In het standpunt staat niet dat het uitsluitend gaat om Rohingya uit Rakhine State.

(…)

UK Home Office heeft in november 2017 haar landenrapport en het landenbeleid voor Rohingya’s uit Myanmar gepubliceerd. Hierin verwijzen ze naar een rapport van de Afdeling voor Buitenlandse Zaken en Handel van de Australische overheid (DFAT) (10 januari 2017), waarin wordt gesteld dat Rohingya die buiten Rakhine State leven in het dagelijks leven te maken hebben met een matig niveau van maatschappelijke discriminatie. Rohingya die buiten Rakhine wonen zouden meestal hogere inkomens en een betere toegang tot middelen hebben dan de Rohingya in Rakhine. Ze zouden normaal gesproken in staat zijn om identiteitsdocumentatie te verkrijgen die hen in staat stelt om te leven en werken zonder blootgesteld te zijn aan de hoge niveaus van discriminatie waar andere Rohingya’s in hun dagelijks leven mee te maken hebben. Rohingya in Yangon zijn volgens DFAT over het algemeen geregistreerd als ‘Birmese moslims’, waardoor ze nationale id-kaarten en verblijfsdocumenten hebben waarmee ze recht hebben op een paspoort. Rohingya die een ‘laag profiel’ houden, hebben buiten Rakhine te maken met een niveau van discriminatie dat vergelijkbaar is met het niveau van discriminatie waar andere (niet-Rohingya, VWN) moslims mee te maken hebben, aldus DFAT. (…)

UK Home Office (november 2017) meldt nog dat hoewel het niveau van discriminatie waarmee Rohingya (die een laag profiel houden) buiten Rakhine State te maken hebben lager is dan binnen Rakhine State, het in individuele zaken toch kan neerkomen op vervolging. (…)

VluchtelingenWerk heeft Myanmar-expert Joshua Kurlantzick aangeschreven (5 januari 2018). Hij stelt dat Rohingya ook buiten Rakhine vervolgd worden. Hen is vrijwel allemaal de nationaliteit ontnomen, en het ontbreekt hen aan basisrechten en bescherming, ook wanneer ze buiten Rakhine reizen. Anti-Rohingya sentiment is schering en inslag in zowel de staats- als de private media, en de Rohingya lopen overal in het land gevaar. Het feit dat een Rohingya rebellenbeweging verschillende terroristische aanslagen gepleegd heeft, heeft de angst voor Rohingya doen toenemen. Hoge overheidsfunctionarissen, waaronder de hoogste leiders van regeringspartij NLD, vergoelijken in wezen de vervolging van de Rohingya. Vanwege het ontnemen van de nationaliteit ontbreekt het hen aan de basis van alle rechten. Over het algemeen worden ze door overheidsfunctionarissen gediscrimineerd bij alles wat te maken heeft met huisvesting, gezinsleven, en huwelijk, en het wordt steeds moeilijker om werk te vinden. Terwijl de sfeer steeds meer gespannen wordt in Myanmar, en naarmate er meer terroristische aanslagen worden gepleegd, is de kans op wraakacties tegen Rohingya in Yangon en andere plaatsen buiten Rakhine heel groot.”