Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9316

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
02-08-2018
Zaaknummer
NL18.11439
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond; arrest Gnandi (C-181/16, ECLI:EU:C:2018:465); van rechtswege ontbreken schorsende werking beroep; aan de (materiële) voorwaarden van het arrest Gnandi is door middel van de vovo voldaan, daarom toepassing van 6:22 Awb; WI 2018/10 bekeerlingen is nieuw beleid; beoordeling van de gestelde bekering stemt daarmee niet overeen; bestuurlijke lus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.11439


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.W. Kreumer).


Procesverloop
Bij besluit van 12 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, na schorsing op 5 juli 2018, plaatsgevonden op 18 juli 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen R. Ghanbari. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Iraanse nationaliteit. Op 21 september 2017 heeft zij de asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d en e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen als kennelijk ongegrond.

3. Verweerder heeft in het asielrelaas de volgende relevante elementen onderscheiden:

  1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

  2. bekering (tot het christendom);

  3. inval (bij ouders) en arrestatiebevel.

Alleen het eerste relevante element is door verweerder geloofwaardig geacht. De overige relevante elementen acht verweerder niet geloofwaardig.

4. Eiseres voert als beroepsgrond aan dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 6, zesde lid, van Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn), gelet op wat het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) heeft geoordeeld in de zaak Gnandi tegen België (C-181/16, ECLI:EU:C:2018:465) (arrest Gnandi).

4.1.

Op grond van artikel 45, eerste lid, van de Vw geldt het bestreden besluit als terugkeerbesluit. Omdat de asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond, volgt uit artikel 82, tweede lid, aanhef en onder c, Vw dat de werking van het bestreden besluit niet van rechtswege wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Uit artikel 46, zesde lid, aanhef en onder a van Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn) volgt dat in een dergelijk geval een rechterlijke instantie bevoegd is uitspraak te doen over de vraag of de verzoeker op het grondgebied van de lidstaat mag blijven en het nationale recht in dergelijke gevallen niet voorziet in het recht om in de lidstaat te blijven in afwachting van de uitkomst van het rechtsmiddel.

In het arrest Gnandi heeft het Hof geoordeeld dat de Terugkeerrichtlijn, gelezen in samenhang met de Procedurerichtlijn en in het licht van het beginsel van non-refoulement en het recht op een doeltreffend rechtsmiddel, aldus moet worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staat dat ten aanzien van een asielzoeker een terugkeerbesluit wordt vastgesteld zodra zijn asielverzoek is afgewezen, op voorwaarde met name dat:

  1. de betrokken lidstaat waarborgt dat alle rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit worden geschorst in afwachting van de uitkomst van dit beroep;

  2. verzoeker tijdens die periode het voordeel kan genieten van de rechten die voortvloeien uit de Opvangrichtlijn, en

  3. verzoeker zich kan beroepen op elke wijziging in de omstandigheden na de vaststelling van het terugkeerbesluit die een weerslag van betekenis zou kunnen hebben op de beoordeling van de situatie van de betrokkene aan de hand de Terugkeerrichtlijn, met name artikel 5 hiervan. Het staat aan de nationale rechterlijke instantie om na te gaan of dit het geval is.

4.2.

Gelijktijdig met het beroep tegen het bestreden besluit heeft eiseres een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (zaaknummer NL18.11440). Bij mondelinge uitspraak van 5 juli 2018 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek toegewezen in die zin dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort tot de datum waarop de rechtbank uitspraak doet op het beroep en overwogen dat dit onder meer betekent dat eiseres niet mag worden uitgezet en recht heeft op opvang totdat is beslist op het beroep.

4.3.

Nu als gevolg van voormelde uitspraak van de voorzieningenrechter alle rechtsgevolgen van het bestreden besluit zijn opgeschort in afwachting van de uitkomst van dit beroep, eiseres tijdens die periode het voordeel kan genieten van de rechten die voortvloeien uit de Opvangrichtlijn en zich overigens ook kan beroepen op elke wijziging in de omstandigheden na de vaststelling van het terugkeerbesluit die een weerslag van betekenis zou kunnen hebben op de beoordeling van haar situatie aan de hand de Terugkeerrichtlijn, met name artikel 5 hiervan, zijn de materiële voorwaarden zoals door het Hof in het arrest Gnandi geformuleerd, gewaarborgd. Gelet hierop bestaat thans geen grond voor het oordeel dat sprake is van strijd met het beginsel van non-refoulement en het recht op een doeltreffend rechtsmiddel in het licht van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn.

4.4.

Het voorgaande laat evenwel onverlet dat uit het arrest Gnandi volgt dat het beroep tegen een terugkeerbesluit van rechtswege schorsende werking moet hebben (onder meer de punten 56 en 58 van dat arrest, cursivering rechtbank). Aan die formele voorwaarde is niet voldaan, gelet op de toepasselijkheid van het bepaalde in artikel 82, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw. In het licht van wat het Hof in het arrest Gnandi heeft overwogen, moet het bestreden besluit – los van de voorlopige voorziening – daarom in zoverre in strijd met de Terugkeerrichtlijn worden geacht. In dit geval ziet de rechtbank evenwel aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat aannemelijk is dat eiseres daardoor niet is benadeeld, gelet op wat hiervoor onder 4.3. is overwogen. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het aan de nationale wetgever is om te bepalen in welke gevallen en op welke wijze aan het instellen van beroep in asielzaken schorsende werking wordt toegekend.

5. Eiseres voert als beroepsgrond aan dat de gehoren en de toetsing van de geloofwaardigheid van haar gestelde bekering niet overeenstemmen met werkinstructie 2018/10 (WI 2018/10). Zij stelt dat verweerder haar gelet hierop ten onrechte heeft tegengeworpen dat de redenen die zij genoemd heeft om zich van de islam af te keren geen dieperliggende religieuze motieven zijn, dat zij geen moment heeft aangegeven waarop de bekering heeft plaatsgevonden en dat zij geen inzicht heeft gegeven in haar keuze voor het protestantisme.

5.1.

Artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw bepaalt dat de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening houdt met wijzigingen van beleid die na het bestreden besluit zijn bekendgemaakt. WI 2018/10 is op 5 juli 2018 gepubliceerd. De rechtbank ziet zich daarom eerst gesteld voor de vraag of WI 2018/10 gewijzigd beleid is.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat WI 2018/10 nieuw beleid is. Zij verwijst daartoe naar een brief van verweerder aan de Tweede Kamer van 4 juli 2018 waaruit volgens haar blijkt dat de manier waarop de geloofwaardigheid van een gestelde bekering wordt getoetst, is veranderd naar aanleiding van input van diverse organisaties.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat WI 2018/10 slechts een omzetting is van een intern informatiebericht naar een openbare werkinstructie. Dat is dus geen nieuw beleid, maar de publicatie van een bestendige gedragslijn. In het geval van eiseres is die gedragslijn volgens verweerder juist toegepast. Het gaat immers met name om het authentieke verhaal van de asielzoeker, dat in het geval van eiseres niet ten onrechte ongeloofwaardig is geacht.

5.2.

De brief van verweerder aan de Tweede Kamer van 4 juli 2018 vormt een reactie op de motie Groothuizen c.s. van 30 november 2017 (Kamerstukken II, 2017-2018, 34 775 VI, 67) waarin de regering is verzocht “(…) te onderzoeken of de beoordeling van de geloofwaardigheid van bekeerlingen en de seksuele gerichtheid van asielzoekers kan worden verbeterd en hiertoe met voorstellen te komen.” Deze brief vermeldt onder meer het volgende:

“De gesprekken met belangenorganisaties en de expertsessies met IND medewerkers hebben ertoe geleid dat de IND wijzigingen zal aanbrengen in de manier waarop de geloofwaardigheidsbeoordeling van (…) bekeerlingen plaatsvindt.

(…)

Werkinstructie bekeerlingen

Tot op heden maakte de IND bij de beoordeling van bekeringsaanvragen gebruik van een intern informatiebericht. Dit interne informatiebericht wordt nu omgezet naar een openbare werkinstructie. Daarmee wordt voor iedereen zichtbaar hoe de IND bekeringsaanvragen beoordeelt. In de werkinstructie wordt tevens meer inzicht en achtergrondinformatie gegeven aan de IND medewerkers over wat een bekering is en hoe deze tot stand kan komen via actieve en passieve bekeringsvormen. Daarbij is ook input die kerkelijke organisaties en belangenorganisaties hebben gegeven meegenomen. Verder is in de werkinstructie aandacht gevraagd voor het stellen van open vragen en het stellen van vragen over de persoonlijke ervaringen van de asielzoeker. Het gaat ook hier met name om het authentieke verhaal van de asielzoeker. Ten aanzien van de drie pijlers in de bekeringstoets (motieven en proces, kennis en activiteiten) wordt gekeken naar wat van een vreemdeling in het kader van de drie pijlers kan en mag worden verwacht. De drie pijlers zullen vervolgens in onderlinge samenhang worden betrokken bij de beoordeling.”

Uit voormelde passages blijkt genoegzaam dat verweerder met WI 2018/10 meer heeft beoogd dan alleen de omzetting van een intern informatiebericht naar een openbare werkinstructie. Het gaat immers ook om wijzigingen in de manier waarop de geloofwaardigheidsbeoordeling van een gestelde bekering plaatsvindt. WI 2018/10 kan daarom bezwaarlijk anders worden aangemerkt dan te zijn nieuw beleid. Daarom dient de rechtbank bij de beoordeling van dit beroep hiermee rekening te houden.

5.3.

De stelling van eiseres dat verweerder in het licht van WI 2018/10 ten onrechte van haar heeft verlangd dat zij een moment aangeeft waarop zij is bekeerd, volgt de rechtbank niet. Weliswaar geeft WI 2018/10 onder paragraaf 3.2 aan dat een bekering niet altijd een duidelijk beginpunt heeft, maar de tegenwerping die verweerder maakt, is dat eiseres over dat moment wisselend heeft verklaard. Verweerder is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op wat eiseres hierover bij zienswijze heeft aangevoerd, terwijl eiseres die motivering in beroep met een verwijzing naar WI 2018/10 onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. WI 2018/10 vermeldt immers dat de geloofwaardigheidsindicatoren van WI 2014/10 ook van toepassing zijn op bekeringszaken, waaronder dus ook interne geloofwaardigheidsindicatoren zoals interne consistentie (WI 2014/10, paragraaf 3.2.1.1).

5.4.

Verweerder werpt aan eiseres tegen dat haar verklaringen om zich van de islam af te wenden, niet aannemelijk zijn. Daartoe heeft verweerder overwogen dat de redenen die eiseres aanvoert, niet getuigen van dieperliggende religieuze motieven die ten grondslag liggen aan haar gestelde afkeer van de islam maar alleen gegeneraliseerde en algemene elementen van de cultuur in Iran die zij als negatief ervaart.

Eiseres verwijst in dit verband naar wat in WI 2018/10 onder 2.2 staat vermeld. Volgens WI 2018/10 is de overgang naar een ander geloof, ook wel transformatie genoemd, “een samenspel tussen persoonlijke ervaringen en de betrokken religieuze traditie. Een bekering kan op verschillende manieren tot stand komen en variëren in de mate van impact op de betrokken persoon en zijn omgeving.” Een bekering kan plaatsvinden vanwege allerlei aspecten, waaronder:

Persoonlijke aspecten: onvrede over de huidige situatie. Dit hoeft – in eerste instantie – niet te zien op onvrede over de religie. De onvrede kan ook op andere terreinen van zijn leven spelen. Te denken valt aan stresssituaties, onvrede over het sociale of politieke klimaat in een land of onvrede over de persoonlijke situatie waarin de vreemdeling zich bevindt.”

Tijdens het nader gehoor heeft eiseres onder meer verklaard over de stresssituatie en onvrede die zij ervaren heeft, namelijk hoe zij tijdens haar huwelijk werd bejegend door haar man, de door haar ervaren rechteloosheid alsmede het verloop van de echtscheidingsprocedure:

“Door deze echtscheidingsprocedure verwijderde ik van de Islam. (...) De echtscheidingsprocedure duurde drie jaar. Vanaf dat moment had ik gebroken met God. Ik had helemaal niets te doen met God. Ik kon mijn kinderen niet zien. Ik had een leven in negen jaar opgebouwd wat ik moest achterlaten en niets kon meenemen. Ik ging helemaal met lege handen naar mijn ouderlijk huis. Toen ik naar het ouderlijk huis terug ging en moest douchen had ik niet eens ondergoed, dat moest ik van mijn moeder lenen. Ik had letterlijk niets. Ik begon toen hard te werken. Ik dacht, mijn leven bestaat alleen uit werken. Ik had mezelf beloofd een goed leven voor mezelf op te bouwen, een leven waardoor iedereen mij zou benijden. Ik had niets te maken met Islam of met God. In Islam wordt over de rechten gesproken maar van niets daarvan wordt iets gerealiseerd en heb je er niets aan in de praktijk. Je hebt zelf geen rechten als vrouw. In de Islam doen zij er alles aan, daarom wilde ik geen Islam, geen man, geen kind. Ik was alleen maar bezig met mijn leven, met werken.” (pagina 13 verslag nader gehoor).

Zoals eiseres terecht heeft aangevoerd, vereist WI 2018/10 bij de beoordeling van de overgang naar een ander geloof geen dieperliggende religieuze motieven. Voorts valt niet in te zien waarop verweerder baseert dat eiseres alleen gegeneraliseerde en algemene elementen van de islam heeft genoemd, nu zij immers heeft verklaard over haar persoonlijke ervaringen en hoe die ertoe hebben geleid dat zij zich van de islam heeft afgekeerd. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder persoonlijke aspecten als die waarover eiseres heeft verklaard, heeft meegewogen op een wijze die met WI 2018/10 overeenstemt.

5.5.

Verweerder werpt ook tegen aan eiseres dat dat zij geen inzicht geeft in haar diepgewortelde overtuiging voor de protestantse stroming binnen het christendom. WI 2018/10 vermeldt onder paragraaf 3.3 het volgende:

“Van een vreemdeling wordt niet verwacht dat hij zich heeft verdiept in verschillende kerken en/of stromingen binnen een kerk, alvorens zich aan te sluiten bij een kerk. Wel mag verwacht worden dat hij kan vertellen bij wat voor soort kerk hij zich heeft aangesloten en waarom hij zich daarbij heeft aangesloten. Daarbij kan het ook belangrijk zijn te vragen hoe iemand binnen een kerk is opgevangen, hoe hij daar begeleid wordt en hoe hij kennis tot zich heeft genomen gelet op de taalbarrière en/of het opleidingsniveau van de vreemdeling.”

Tijdens het nader gehoor heeft eiseres verklaard dat zij tot een protestants kerkgenootschap behoort omdat het binnen het protestantisme gebruikelijk is om te evangeliseren en dat andere stromingen daar niet zo mee bezig zijn. In antwoord op de vraag waarom zij voor die stroming heeft gekozen, heeft eiseres verklaard dat haar vriendin [naam vriendin] die haar heeft geëvangeliseerd, ook protestants was.

Eiseres heeft dus verklaard bij wat voor soort kerk zij zich heeft aangesloten en waarom zij zich daarbij heeft aangesloten. WI 2018/10 stelt in dit verband niet als voorwaarde dat de vreemdeling inzicht dient te geven in zijn ‘diepgewortelde overtuiging’ voor de gekozen stroming. In het licht van WI 2018/10 heeft verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt waarop die tegenwerping steunt en niet gemotiveerd waarom aan het antwoord van eiseres op de vraag waarom zij voor die stroming heeft gekozen geen gewicht heeft toegekend door enkel te overwegen dat die verklaring het voorgaande niet anders maakt.

5.6.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.4 en 5.5 is overwogen, is het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig voorbereid en ontoereikend gemotiveerd. Voor het passeren van deze gebreken met toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat bij toepassing van de juiste beoordelingsmaatstaf door verweerder een andere beoordeling van dit relevante element niet op voorhand kan worden uitgesloten.

6. Op grond van artikel 8:41a van de Awb beslecht de rechtbank het haar voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van deze wet kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te (laten) herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak.

7. De rechtbank ziet aanleiding verweerder in de gelegenheid te stellen de gebreken in het bestreden besluit binnen zes weken na de dag van verzending van deze tussenuitspraak te herstellen door een aanvullend besluit te nemen met inachtneming van deze tussenuitspraak en WI 2018/10. Daarbij dient verweerder ook de door eiseres in beroep aangevoerde argumenten te betrekken.

Als verweerder gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek in de besluitvorming te herstellen, zal de rechtbank eiseres op grond van artikel 8:51b, derde lid, van de Awb in de gelegenheid stellen binnen vier weken schriftelijk te reageren op de wijze waarop verweerder het gebrek heeft hersteld. In beginsel zal de rechtbank vervolgens het onderzoek sluiten en zonder nadere zitting uitspraak doen.

Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, dient hij dit binnen twee weken na de verzending van deze tussenuitspraak schriftelijk kenbaar te maken. In dat geval zal de rechtbank het onderzoek sluiten en zonder nadere zitting uitspraak doen.

8. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de al aangevoerde beroepsgronden omdat niet kan worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die al tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).

9. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nog geen beslissing neemt.

Beslissing


De rechtbank:

- stelt verweerder in de gelegenheid de gebreken in het bestreden besluit binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak te herstellen met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op, indien hij van deze gelegenheid geen gebruik maakt, dit binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak schriftelijk kenbaar te maken;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.