Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9297

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-07-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1901
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Unieburger. Geen sprake van duurzam verblijf, slechts 1,5 jr rm verblijf ogv 8:12 lid 1b Vb. Nooit rm verblijf ogv 8:12 lid 1a Vb gehad, niet aangetoond werk te hebben of te zoeken. ter zitting overgelegde loonstrook niet meegewogen ivm ex tunc toets.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/1901

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [v-nummer]

(gemachtigde: mr. J. Singh),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiseres geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan op grond van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) heeft gehad. Verweerder heeft eveneens het verblijfsdocument van eiseres ingenomen.

Bij besluit van 19 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum ] 1977 en heeft de Poolse nationaliteit. Zij is de moeder van [persoon 1] , geboren op [geboortedatum ] 1999 en [persoon 2] , geboren op [geboortedatum ] 2002. Beide kinderen hebben de Poolse nationaliteit. Met ingang van 13 maart 2006 heeft eiseres als gemeenschapsonderdaan een verblijfsdocument met een geldigheidsduur van vijf jaar ontvangen. Eiseres was op dat moment economisch niet actief.

2. Verweerder is gebleken dat eiseres vanaf 23 september 2015 een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt. Vervolgens heeft verweerder een onderzoek naar het rechtmatig verblijf van eiseres in Nederland ingesteld. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft verweerder geconcludeerd dat eiseres nooit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft gehad, omdat zij niet heeft voldaan aan de vereisten van artikel 8.12, eerste lid, van het Vb. Omdat eiseres nooit rechtmatig verblijf heeft gehad, is geen persoonlijke belangenafweging conform paragraaf B10/2.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) gemaakt. In de bestreden beslissing heeft verweerder voorts aanvullend overwogen dat eiseres wel gesteld heeft werkzaamheden te hebben verricht, maar dat nog altijd niet gebleken is dat zij reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht. Ook heeft verweerder eiseres de gelegenheid geboden hetgeen door haar gesteld is, aan te tonen met stukken. Eiseres heeft dit niet gedaan.

3. Eiseres kan zich met deze beslissing niet verenigen en voert aan dat zij al 11 jaar onafgebroken in Nederland verblijft, op grond waarvan zij van rechtswege duurzaam verblijfsrecht heeft. Een niet verwijtbaar beroep op algemene middelen kan geen grond voor beëindiging vormen, eiseres heeft immers aangetoond dat zij aan ernstige (psychische) gezondheidsklachten leidt. Voorts zou een beëindiging van het verblijf tot een inbreuk op het gezinsleven vormen en daarmee in strijd zijn met artikel 8 van het EVRM. De kinderen van eiseres staan beide onder voogdij van Jeugdzorg in Nederland. Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat verweerder onredelijke eisen stelt door te verlangen dat eiseres (financiële) stukken uit 2002 en 2006 overlegt. Eiseres meent tot slot dat het feit dat zij inspanningen verricht om werk te vinden en graag in contact wil komen met haar dochter [persoon 2] voldoende objectieve feiten vormen om haar verblijfsrecht niet te beëindigen.

Wettelijk kader

4. Op grond van artikel 8:17, tweede lid, onder b, van het Vb 2000 heeft een vreemdeling, bedoeld in artikel 8:7, eerste lid, van het Vb 2000, duurzaam verblijfsrecht in Nederland indien hij gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad.

4.1

Op grond van artikel 8:12, eerste lid, van het Vb 2000 heeft de vreemdeling, bedoeld in artikel 8:7, eerste lid, heeft langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, indien hij:

a. in Nederland werknemer of zelfstandig is dan wel Nederland is ingereisd om werk te zoeken en kan bewijzen dat hij werk zoekt en een reële kans op werk heeft;

b. voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan en over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt;

(…)

4.2

Op grond van artikel 8:16 van het Vb eindigt het rechtmatig verblijf niet zolang de vreemdeling aan de in de artikelen 8.12 tot en met 8.15 genoemde voorwaarden voldoet. In specifieke gevallen van redelijke twijfel kan Onze Minister onderzoeken of aan de voorwaarden wordt voldaan. Het onderzoek geschiedt niet stelselmatig. Een beroep op de algemene middelen leidt niet zonder meer tot beëindiging van het rechtmatig verblijf.

Onverminderd de artikelen 8.22 en 8.23, eindigt het rechtmatig verblijf niet zolang de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid:

a. werknemer of zelfstandige is; of

b. naar Nederland is gekomen om werk te zoeken en hij kan bewijzen dat hij nog steeds werk zoekt en een reële kans op werk heeft.

Oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank moet beoordelen of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres geen duurzaam verblijf heeft opgebouwd, nu zij 11 jaar onafgebroken in Nederland heeft gewoond. Daartoe overweegt de rechtbank dat niet in geschil is dat eiseres tussen 18 februari 2005 en 31 augustus 2006 rechtmatig verblijf in Nederland heeft genoten als economisch niet actieve gemeenschapsonderdaan. Dit betekent dat eiseres destijds over een periode van een jaar en zes maanden rechtmatig verblijf op grond van artikel 8:12, eerste lid, onder b van het Vb heeft genoten.

5.1

Met verweerder is de rechtbank echter van oordeel dat eiseres gedurende de periode dat zij in Nederland verblijft, geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8:12, eerste lid, onder a van het vb heeft gehad. Eiseres heeft immers niet aangetoond gewerkt te hebben. Evenmin heeft zij aangetoond werk te zoeken en een reële kans op werk te hebben. Dit heeft tot gevolg dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van duurzaam verblijf. Eiseres heeft immers niet vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland gehad. Verweerder heeft niet ten onrechte gesteld dat artikel 8:12, tweede lid van het Vb niet op eiseres van toepassing is, nu eiseres nooit rechtmatig verblijf op grond van artikel 8:12, eerste lid, onder a van het Vb heeft gehad.

5.2

De rechtbank overweegt voorts dat eiseres ter zitting een loonstrook van haar huidige arbeidsbetrekking heeft overgelegd. De rechtbank zal in verband met de ex tunc toets dit stuk niet betrekken bij haar beoordeling of de bestreden beschikking op goede gronden rust. Verweerder had ten tijde van de bestreden beschikking immers niet de beschikking over deze loonstrook en heeft deze dus ook niet kunnen betrekken bij zijn beoordeling over het rechtmatig verblijf van eiseres in Nederland.

6. Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat zij in Nederland wil blijven, omdat haar beide kinderen onder voogdij van Jeugdzorg in Nederland staan. Door in Nederland te verblijven, hoopt eiseres met haar kinderen in contact te kunnen komen. De rechtbank begrijpt aldus dat eiseres geen contact heeft met haar kinderen. Verweerder heeft in het vorenstaande dan ook geen aanleiding hoeven zien om eiseres rechtmatig verblijf op grond van artikel 8:12 van het Vb, noch op grond van artikel 8 van het EVRM toe te kennen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.