Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9294

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-07-2018
Datum publicatie
06-08-2018
Zaaknummer
18.11817
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Polen. Verantwoordelijkheid Polen niet (langer) in geschil. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Overdracht getuigt niet van onevenredige hardheid. Beroep ongegrond. Geen proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.11817


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Greve-Kortrijk),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van Breda).

Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.11818, plaatsgevonden op 26 juli 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Assaidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] . Eiser heeft op 11 januari 2018 een asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw1. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening2 is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Polen een verzoek om overname gedaan. Polen heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser voert aan dat het bestreden besluit niet duidelijk is over de grondslag van de verantwoordelijkheid van Polen voor de behandeling van de asielaanvraag. Eiser voert verder in beroep, onder verwijzing naar zijn eerder ingediende zienswijze, aan dat hij tijdens zijn verblijf in Polen werd gediscrimineerd en mishandeld. Ook betoogt hij, onder verwijzing naar overgelegde bronnen van landeninformatie3, dat in Polen sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielopvang en de asielprocedure. Tevens verwijst hij naar overgelegde (kranten)artikelen over de houding van de Poolse samenleving4.

De rechtbank oordeelt als volgt.

3. Ter zitting heeft eiser zijn beroepsgrond die betrekking heeft op de grondslag van de verantwoordelijkheid op grond van de Dublinverordening, niet langer gehandhaafd.

Niet in geschil is dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag omdat eiser voor zijn komst naar Nederland in dat land heeft verbleven op basis van een door Polen afgegeven visum, en vervolgens een verblijfsvergunning voor studie5.

4. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, voor zover thans van belang, kan in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening, een lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Ingevolge het tweede lid, voor zover van belang, kan de lidstaat waarin een verzoek om internationale bescherming is gedaan en die bepaalt welke lidstaat verantwoordelijk is, of de verantwoordelijke lidstaat, te allen tijde voordat in eerste aanleg een beslissing ten gronde is genomen, een andere lidstaat vragen een verzoeker over te nemen teneinde familierelaties te verenigen op humanitaire gronden, in het bijzonder op grond van familiebanden of op culturele gronden, ook wanneer die laatste lidstaat niet verantwoordelijk is volgens de in de artikelen 8 tot en met 11 en 16 vastgelegde criteria.

5. Artikel 3, tweede lid, tweede volzin, van de Dublinverordening luidt als volgt.

Indien het niet mogelijk is een verzoeker over te dragen aan de lidstaat die in de eerste plaats als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen, omdat ernstig moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor verzoekers in die lidstaat systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, blijft de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast de criteria van hoofdstuk III onderzoeken teneinde vast te stellen of een andere lidstaat als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen.

6. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Polen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in dit geval niet kan.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit een op de door eiser ingeroepen stukken toegespitst standpunt ingenomen over de gestelde problemen van eiser in Polen en over de behandeling van asielzoekers in dat land. Verweerder heeft terecht tegengeworpen dat eiser zich in Polen naar aanleiding van de gestelde discriminatie en mishandeling niet heeft gewend tot de (hogere) autoriteiten of andere geëigende instanties. Dat eiser door een agent op straat verkeerd is geïnformeerd over het doen van aangifte, had eiser er niet van hoeven weerhouden om verdere stappen te nemen. Dat dit zinloos zou zijn, blijkt niet uit de overgelegde stukken. Ook kan uit deze stukken niet worden afgeleid dat de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Polen niet voldoet aan de internationale standaarden. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de rapporten van Amnesty International en van Human Rights Watch betrekking hebben op het onvoldoende meewerken van Polen aan de herverdeling van asielzoekers in Europa die in Italië en Griekenland zijn aangekomen. Daarmee is niet gezegd dat Polen asielzoekers die na een Dublinakkoord zijn overgedragen, geen opvang geeft en geen deugdelijke asielprocedure. Eiser heeft dit in beroep niet kunnen weerleggen. De stelling ter zitting dat eiser op basis van de overgelegde bronnen en op basis van wat hij zelf heeft meegemaakt, geen positieve verwachtingen heeft van de uitkomst van een asielprocedure in Polen, kan niet leiden tot een ander oordeel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van systeemfouten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, tweede volzin, van de Dublinverordening.

8. Eiser heeft tot slot betoogd dat de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn voor toepassing van de hardheidsclausule.

Het is aan verweerder om te beoordelen of sprake is van zodanig bijzondere, individuele omstandigheden dat het overdragen van eiser aan Polen van onevenredige hardheid getuigt. De rechter zal die beoordeling terughoudend dienen te toetsen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen komen tot het standpunt dat toepassing van de hardheidsclausule in het geval van eiser niet aangewezen is, omdat de aangevoerde feiten en omstandigheden betrekking hebben op de vraag of Polen zijn internationale verplichtingen jegens asielzoekers nakomt6.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Vreemdelingenwet 2000

2 Verordening (EU) nr. 604/2013

3 Amnesty International 2017/2018 over Polen, 22 februari 2018 en Human Right Watch World Report over Polen 2018.

4 The Guardian, 12 november 2017; European Council on Foreign relations, 17 november 2017; The Independent, l7 mei 2017.

5 Artikel 12, eerste lid, van de Dublinverordening.

6 Zie ook de door verweerder in het bestreden besluit genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164.