Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9279

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-07-2018
Datum publicatie
01-08-2018
Zaaknummer
NL18.11519
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië, recente rapporten geven geen wezenlijk ander beeld dan hiervoor, beroep op artikel 3, tweede lid, tweede volzin Dublinverordening slaagt niet, beroep ogg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.11519


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], geboren [geboortedatum],

V-nummer [nummer],

van Nigeriaanse nationaliteit,
eiser,

(gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Talsma).

Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening met nummer NL.18.11520, plaatsgevonden op 17 juli 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. A.M.J.M. Louwerse, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen R. Daudu, tolk in de taal Edo. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 25 januari 2018 in Nederland een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel. Op 13 februari 2018 heeft verweerder de autoriteiten van Italië verzocht eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening1. De autoriteiten van Italië hebben niet binnen twee weken op het verzoek gereageerd zodat sprake is van een fictief akkoord met ingang van 28 februari 2018.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet in behandeling genomen omdat hij heeft vastgesteld dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

3. Eiser betoogt dat verweerder ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan, omdat in Italië de leefomstandigheden en de kwaliteit van de asielprocedure zodanig zijn dat overdracht in strijd zou komen met artikel 3 van het EVRM2 en artikel 4 van het Handvest3. Ter onderbouwing van dit betoog verwijst eiser naar de volgende stukken:

- ASGI AIDA Country Report Italy 2016 Update, 28 februari 2017;

- de update van het ASGI AIDA rapport van 21 maart 2018;

- het rapport "Is mutual trust enough?" van 9 februari 2017 van de Danish Refugee Council (DRC) en de Swiss Refugee Council (SFH/OSAR);

- U.S. State Department (USDOS) Country Report on Human Rights Practices Italic over 2016, gepubliceerd op 3 maart 2017;

- rapport ‘Out of Sight’ van MSF —Médecins sans Frontieres over de situatie van asielzoekers in Italië van 8 februari 2018.

Verder wijst eiser op de recente ontwikkelingen in Italië (de weigering van boten met migranten, de verkiezing van een nieuwe regering). Verweerder heeft onvoldoende acht geslagen op deze nieuwe situatie in Italië. Ten onrechte gaat verweerder ervan uit dat eiser in Italië zal kunnen klagen over eventuele problemen daar. Eiser beroept zich in dit verband op het arrest M.S.S. tegen België4.

Daarbij stelt eiser dat hij moet worden aangemerkt als kwetsbaar persoon in de zin van het arrest Tarakhel5, gelet op de medische problematiek omtrent de maagperforatie maar ook gelet op zijn asielmotief (homoseksueel) en een laag begripsniveau. In Italië is er een tekort aan opvang. De opvang die er is gaat naar gezinnen met kinderen. Eiser heeft tenslotte gewezen op de dreiging van refoulement omdat Italië het claimverzoek niet heeft beantwoord.

4. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan, in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening, een lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

5. Italië is net als Nederland partij bij het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en is gebonden aan de verschillende Europese richtlijnen op het gebied van het asielrecht, zoals de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Italië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan.

6. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in verschillende arresten6 geoordeeld dat de structuur van en de algehele omstandigheden in het Italiaanse opvangsysteem niet zodanig zijn dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest strijdige situatie. Ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft meermaals geoordeeld7 dat de situatie in Italië niet zodanig is verslechterd dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

7. Eiser is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de situatie in Italië nu zodanig is verslechterd, dat wat hiervoor is overwogen niet meer geldt. Uit de door eiser aangehaalde stukken blijkt weliswaar dat de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers in Italië tekortkomingen kennen en dat er zorgen zijn over de toegang tot de asielprocedure en rechtshulp in Italië, maar een aantal stukken is door de Afdeling al betrokken in voormelde uitspraken. De stukken die niet in voormelde uitspraken zijn beoordeeld, geven geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië dan al bekend is.

8. Ten aanzien van het standpunt van eiser ter zitting dat het criterium “wezenlijk ander beeld” niet voldoet omdat alle kleine verslechteringen nu maken dat de situatie onacceptabel is, overweegt de rechtbank dat steeds integraal wordt beoordeeld of de situatie door de ondergrens zakt. De stukken waarop eiser heeft gewezen geven van die situatie (nog) geen blijk. Eisers stelling dat alle omstandigheden tezamen nu maken dat overdracht aan Italië in strijd is met artikel 3 EVRM en artikel 4 van Handvest, volgt de rechtbank niet. Hoewel eiser terecht naar voren brengt dat de politieke situatie in Italië en de ontwikkelingen rond de aankomst van nieuwe migranten geen rooskleurig beeld schetsten, kan op dit moment niet worden gezegd dat deze ontwikkelingen van invloed zijn op de positie van terugkerende Dublinclaimanten. Van een vergelijkbare situatie als in het arrest MSS tegen België is naar het oordeel van de rechtbank evenmin gebleken.

9. Eiser heeft voorts gesteld dat hij als kwetsbaar persoon in de zin van het arrest Tarakhel moet worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit verband terecht overwogen dat eiser niet heeft aangetoond dat hij nog steeds in behandeling is voor zijn maagproblemen. Ten aanzien van het gestelde lage begripsniveau van eiser overweegt de rechtbank dat daar, anders dan de stelling van de gemachtigde van eiser, niet van is gebleken. Tenslotte is ten aanzien van eisers gestelde homoseksuele geaardheid van belang dat in Italië homoseksueel gedrag, dan wel bekendheid van de homoseksuele geaardheid voor de betrokkene tot ernstige of minder ernstige (sociale) problemen kan leiden. Uit de daarover bekende informatie blijkt echter niet dat homoseksuelen in een dermate kwetsbare positie verkeren dat degenen die tot die groep behoren enkel vanwege hun seksuele geaardheid doelwit zijn van ernstige mensenrechtenschendingen en daartegen geen bescherming kunnen krijgen. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat verweerder eiser terecht niet als kwetsbaar persoon in de zin van het arrest Tarakhel heeft aangemerkt.

10. Tegen deze achtergrond ziet de rechtbank geen aanleiding om – zoals door de gemachtigde van eiser ter zitting verzocht – prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof van Justitie).

11. Eiser heeft tenslotte gewezen op de dreiging van refoulement omdat Italië het claimverzoek niet heeft beantwoord. Deze grond kan de rechtbank niet volgen. Op 13 februari 2018 heeft verweerder de autoriteiten van Italië verzocht eiser terug te nemen en is Italië fictief akkoord gegaan met dit verzoek. Hiermee is de verantwoordelijkheid van Italië vast komen te staan. Gelet hierop mag verweerder ervan uitgaan dat de Italiaanse autoriteiten eisers asielverzoek in behandeling zullen nemen. Van een andere behandeling van terugkerende Dublinclaimanten indien sprake is van een fictief akkoord zoals door eiser is gesteld is de rechtbank niet gebleken.

12. Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Leijen-Westra, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend

2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

3 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

4 EHRM 21 januari 2011, M.S.S. tegen België en Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609

5 EHRM 4 november 2014, Tarakhel tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712

6 Zie onder meer het arrest van 26 november 2016, J.A. en anderen tegen Nederland, nr. 21459/14

7 Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 30 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1454 en 7 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1910