Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9231

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
01-08-2018
Zaaknummer
C/09/556556 / KG ZA 18-727
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Partijen hebben in verband met een toenmalig geschil over de verbouwing van het Naturalisgebouw in maart 2017 een schikking getroffen. Daarbij hebben zij afgesproken dat zij een gezamenlijk persbericht naar buiten zouden brengen en zich verder niet meer zouden uitlaten over de inhoud van de schikking of over het geschil. Op 3 juli 2018 is in de Volkskrant een interview verschenen met de algemeen directeur van gedaagde. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de algemeen directeur in dat interview, in strijd met de hiervoor genoemde afspraak, uitlatingen heeft gedaan over het geschil. Gedaagde dient een rectificatie te plaatsen, waarin nogmaals op het eerdere persbericht wordt gewezen. De vordering van eiser om een dwangsom aan het afgesproken uitlatingenverbod te verbinden, wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/538
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/556556 / KG ZA 18-727

Vonnis in kort geding van 1 augustus 2018

in de zaak van

[eiser] te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.S. Hofhuis te Amsterdam,

tegen

STICHTING NATURALIS BIODIVERSITY CENTER te Leiden,

gedaagde,

advocaat mr. M. Teekens te Leiden.

Partijen zullen hierna [eiser] en Naturalis genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in kort geding van 13 juli 2018,

  • -

    de akte overlegging producties van [eiser] , met producties 1 t/m 11;

  • -

    de akte overlegging producties van Naturalis, met producties 1 t/m 15;

  • -

    de mondelinge behandeling van 18 juli 2018;

  • -

    de pleitnota van [eiser] en de aanvullende producties 12 t/m 14 van [eiser] , tevens houdende een wijziging van eis (van tekstuele aard);

  • -

    de pleitnota van Naturalis.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Naturalis is in 1820 opgericht als het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie. In 1986 is besloten dat dit instituut een publieksmuseum moest worden. De overheid heeft daartoe het 17-eeuwse Leidse Pesthuis ter beschikking gesteld. Uiteindelijk is ervoor gekozen om tegenover het Pesthuis een nieuw gebouw te plaatsen (hierna: het Naturalisgebouw), dat via een loopbrug met het Pesthuis zou worden verbonden. De opdracht tot het ontwerpen van het Naturalisgebouw en de loopbrug is verstrekt aan Architectenbureau [naam 1] B.V. Het ontwerp is gemaakt door [eiser] , die als architect onderdeel uitmaakte van dat bureau. Het museum is in 1998 officieel in het nieuw gebouwde complex geopend.

2.2.

In 2010 zijn door fusies de collectie en het medewerkersbestand van Naturalis uitgebreid, terwijl ook het door Naturalis geëxploiteerde museum steeds meer publiek trekt. Deze ontwikkelingen hebben onder meer geleid tot het besluit tot uitbreiding en herinrichting van het Naturalisgebouw. De opdracht tot uitbreiding en herinrichting is bij beslissing van 24 april 2013 gegund aan Neutelings Riedijk Architecten B.V. (hierna: NRA).

2.3.

[eiser] heeft zich na kennisneming van het plan van NRA op het standpunt gesteld dat het ontwerp van NRA inbreuk maakt op zijn auteursrechtelijke persoonlijkheidsrechten. [eiser] is in verband hiermee bij dagvaarding van 10 februari 2015 bij de rechtbank Den Haag een bodemprocedure gestart tegen Naturalis (hierna: de bodemprocedure), waarin hij onder meer een verklaring voor recht heeft gevorderd dat met de voorgenomen verbouwing en uitbreiding van het Naturalisgebouw inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijkheidsrechten van [eiser] . Ook heeft [eiser] gevorderd dat Naturalis wordt verboden uitvoering te geven aan de voorgenomen verbouwing.

2.4.

Op 16 augustus 2016 heeft Naturalis, na een aanbestedingsprocedure, de opdracht tot het verbouwen en uitbreiden van het Naturaliscomplex, aan bouwbedrijf [naam 2] B.V. (als hoofdaannemer) (hierna: [naam 2] ) gegund. De verbouwingswerkzaamheden zijn begin januari 2017 aangevangen.

2.5.

Op 25 januari 2017 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag in de bodemprocedure een tussenvonnis gewezen. In dit tussenvonnis heeft de rechtbank – kort weergegeven - overwogen dat de voorgenomen verbouwing van het interieur van het Naturalisgebouw met zich brengt dat het ontwerp daarvan in de kern wordt geraakt en dat dit als een aantasting in de zin van artikel 25 lid 1, aanhef en onder d van de Auteurswet (Aw) moet worden gekwalificeerd. Ook heeft de rechtbank overwogen dat in beginsel basis bestaat voor toewijzing van het gevorderde verbod tot uitvoering van de verbouwingsplannen. De rechtbank stelde vast dat een uitvoeringsverbod mogelijk niet meer zou kunnen worden nagekomen omdat verbouwingswerkzaamheden al zijn uitgevoerd. Daarnaast was het beroep van Naturalis op artikel 6:168 van het Burgerlijk Wetboek (BW) nog te onderzoeken. De rechtbank achtte het daarom noodzakelijk zich eerst door de procespartijen nader te laten inlichten over de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de bouwplannen en de (on)wenselijkheid van het opleggen van een verbod tot (verdere) verbouwing van het Naturalisgebouw, alvorens over het gevorderde verbod te beslissen.

2.6.

Bij vonnis van 7 maart 2007 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag Naturalis en [naam 2] met onmiddellijke ingang verboden om verdere uitvoering te geven aan de voorgenomen verbouwing van het Naturalisgebouw (voor zover dit leidt tot wijzigingen die in het tussenvonnis van 25 januari 2017 inbreukmakend zijn geoordeeld), tot het moment dat in de bodemprocedure over de verbodsvordering (of een provisionele vordering tot een dergelijk verbod) is beslist, of de bodemprocedure op een andere manier is geëindigd.

2.7.

Op 17 maart 2017 is tussen [eiser] en Naturalis een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen ter beëindiging van het tussen hen bestaande geschil (hierna te noemen: de Vaststellingsovereenkomst). In artikel 3 van de Vaststellingsovereenkomst hebben partijen het volgende opgenomen:

3. Mededelingen aan het publiek

3.1

Met uitzondering van de in artikel 3.2 van de Overeenkomst genoemde mogelijkheid, zal geen van beide Partijen zonder toestemming van de andere Partij uitlatingen doen over de inhoud van de Overeenkomst of over het geschil ter beëindiging waarvan de Overeenkomst is gesloten.

3.2

Na inwerkingtreding van de Overeenkomst staat het Partijen vrij het navolgende persbericht (hierna te noemen: het Persbericht, voorzieningenrechter) aan derden te sturen:

“Schikking bereikt tussen Naturalis en [eiser]

Tussen Stichting Naturalis Biodiversity Center (Naturalis) en de heer [eiser] , architect, is een schikking bereikt ter beëindiging van het tussen hen lopende geschil over de verbouwing van het Naturalisgebouw. Onderdeel van deze schikking is dat zij dit persbericht gezamenlijk naar buiten brengen.

De heer [eiser] is de architect van het door Naturalis geëxploiteerde Naturalisgebouw. Naturalis is voornemens dit gebouw ingrijpend te laten verbouwen en daarnaast nieuwbouw te plaatsen, een en ander op basis van een door Neutelings Rietdijk Architecten B.V. ontworpen plan.

De heer [eiser] heeft vanaf het moment van kennisneming van de bedoelde plannen aan Naturalis laten weten dat Naturalis met uitvoering van deze plannen inbreuk zou maken op zijn auteursrechten, dat hij zich hiertegen zou verzetten en dat hij niet geïnteresseerd was in financiële compensatie in ruil voor het accepteren van deze inbreuk op zijn rechten.

Zodra de heer [eiser] kennisnam van het definitieve ontwerp voor de verbouwing van het Naturalisgebouw, is hij een rechtszaak begonnen bij de rechtbank Den Haag, waarin hij onder meer heeft gevorderd dat Naturalis verboden wordt uitvoering te geven aan de voorgenomen verbouwing van het Naturalisgebouw.

Naturalis heeft er toentertijd voor gekozen de voorgenomen verbouwing van het Naturalisgebouw voort te zetten. In dat laatste kader heeft Naturalis onder meer in de zomer van 2016 het museum gesloten voor het publiek en heeft zij een aannemer, [naam 2] B.V., gecontracteerd. Daarmee aanvaardde Naturalis, ondanks destijds genomen maatregelen, belangenafwegingen en verkenningen, ten behoeve van de nieuwbouw, het risico dat zij in een vergevorderd stadium van de voorbereiding geconfronteerd zou worden met een rechterlijk verbod op uitvoering van de betreffende plannen. In de rechtszaak heeft de rechtbank bij vonnis van 25 januari 2017 geoordeeld dat Naturalis bij uitvoering van de bedoelde plannen voor verbouwing van het Naturalisgebouw inbreuk maakt op de auteursrechten van de heer [eiser] . De rechtbank wenste echter eerst nader geïnformeerd te worden alvorens te beslissen over de door de heer [eiser] ingestelde verbodsvordering.

In vervolg op het bedoelde vonnis heeft Naturalis gesteld dat toewijzing van het verbod tot tientallen miljoenen Euro’s schade, ten minste viereneenhalf jaar vertraging voor de opening van het museum en grote gevolgen voor de werkgelegenheid bij Naturalis zal leiden en voorts tot substantiële schade zal leiden bij door Naturalis ingeschakelde derden.

Omdat de heer [eiser] wilde voorkomen dat de handhaving van zijn rechten de door Naturalis geschetste gevolgen zou hebben, is hij ermee akkoord gegaan dat Naturalis de voorgenomen verbouwingsplannen alsnog zal doorzetten. In ruil voor deze tegemoetkoming is een reeks maatregelen overeengekomen die onder meer tot doel hebben ervoor te zorgen dat deze schikking niet als beloning voor het door Naturalis gevoerde beleid kan worden ervaren. Om die reden zal Naturalis een bedrag van € 1,5 miljoen overmaken aan een nog door [eiser] op te richten ideële stichting die tot doel heeft het bevorderen van wetenschappelijk onderzoek en van architectuur in brede zin. Deze gelden zullen niet ten goede komen aan de heer [eiser] . Wel zullen de door de heer [eiser] gemaakte advocatenkosten en andere kosten door Naturalis worden voldaan en hij zal een tegemoetkoming ontvangen in de door hem geleden schade.

Naturalis zal gedurende ten minste tien jaar een virtueel museum beschikbaar stellen waarin het gehele interieur van het voormalige museum in het door de heer [eiser] ontworpen Naturalisgebouw raadpleegbaar zal zijn.

Naturalis heeft de heer [eiser] excuses aangeboden voor de wijze waarop zij deze kwestie heeft behandeld.

De heer [eiser] wenst dat alleen nog de van het Naturalisgebouw onderdeel uitmakende toren aan hem zal worden toegeschreven. Na verbouwing beschouwt hij de rest van het Naturalisgebouw niet langer als zijn werk.

Buiten dit bericht zullen de heer [eiser] en Naturalis (behoudens in het geval van elkaars toestemming) geen uitspraken doen over de inhoud van de overeenkomst of over het geschil dat hen verdeeld heeft gehouden.”

2.8.

Op 20 maart 2017 heeft Naturalis het volgende nieuwsbericht op haar website geplaatst:

Naturalis kan verder met realiseren droom

(…)

Naturalis heeft een schikking bereikt met architect [eiser] . Daarmee is een einde gekomen aan een langlopende juridische geschil rond de verbouwing van ons voormalige museumgebouw.

De rechtszaak is voorbij. We kunnen ons nu richten op de toekomst en doorgaan met het realiseren van onze droom; een prachtig nieuw museum, de beste depots om onze gehele collectie bijeen te beheren en state of the art laboratoriumruimte voor ons onderzoek.

Overeenkomst

De overeenkomst betekent dat architect [eiser] ermee akkoord gaat dat wij de voorgenomen verbouwingsplannen volgens plan kunnen doorzetten. In ruil voor deze tegemoetkoming is het volgende overeengekomen. Naturalis zal een bedrag van 1,5 miljoen overmaken aan een nog op te richten ideële stichting die tot doel heeft het bevorderen van (wetenschappelijk) onderzoek binnen de architectuur in brede zin. Daarnaast ontvangt [eiser] een kosten- en schadevergoeding. Ook zullen wij ten minste tien jaar het oude museum virtueel laten zien.

Ook is op ons verzoek van [eiser] afgesproken dat van het nieuwe Naturalis-complex alleen nog de markante collectietoren aan hem zal worden toegeschreven.

Uiteraard betreuren wij dat het zo heeft moeten lopen. Dit bedrag is voor ons ingrijpend. We kunnen nu door. We hebben een moeilijke, maar goede afweging gemaakt in het belang van de continuïteit van Naturalis en een ongestoorde voltooiing van de nieuwbouw. We zijn hierbij geholpen door onze adviseurs en alles in nauw overleg met de Raad van Toezicht.

In het belang van onze bezoekers, medewerkers, ons onderzoek, maar ook van de bouwers, is het goed dat er een oplossing is gekomen.”

Onder het nieuwsbericht is ‘bij Meer informatie’ onder de titel ‘De gezamenlijke verklaring van Naturalis en [eiser] ’ een link naar het Persbericht geplaatst. Het Persbericht zelf is tot op heden nog terug te vinden op de website van Naturalis.

2.9.

[eiser] heeft naar aanleiding van het bovenstaande nieuwsbericht bij deze rechtbank een dagbepaling aangevraagd voor een kort geding en een concept-dagvaarding opgesteld met een vordering tot nakoming van de Vaststellingsovereenkomst, op straffe van een dwangsom, en een bevel tot het plaatsen van een rectificatie omdat Naturalis - volgens [eiser] - met het betreffende bericht in strijd had gehandeld met het uitlatingenverbod in de vaststellingsovereenkomst. [eiser] heeft uiteindelijk ervan afgezien een kort geding te voeren, nadat de voorzitter van de raad van toezicht van Naturalis, dhr. [naam 3] (hierna; [naam 3]) na dagbepaling van een zitting aan [eiser] had toegezegd dat Naturalis zich verder aan de afspraken zou houden.

2.10.

Op 3 juli 2018 is in de Volkskrant een door journalist [naam 4] (hierna: [naam 4]) opgesteld interview verschenen met de algemeen directeur van Naturalis, de heer [naam 5] (hierna: [naam 5]) onder de titel “Naturalis herstelt van conflict”. In het interview valt onder meer het volgende te lezen:

“Algemeen directeur Edwin [naam 5] toont de vorderingen op de bouwplaats. Hij gaat voor door kale betonnen ruimten, over hellingen zonder traptreden en in een rammelende bouwlift. ‘De heropening is nu gepland voor de zomervakantie van 2019. Ik denk dat we het gaan halen.’

Eigenlijk hadden de werkzaamheden al dit jaar achter de rug moeten zijn. Een conflict met de architect van het oorspronkelijke Naturalis-onderkomen met museum, kantoren, laboratoria en collectietoren zorgde voor vertraging. [eiser] dwong via de rechter een bouwstop af omdat zijn ontwerp ‘wezenlijk’ werd ‘aangetast’. Uit vrees voor nog meer uitstel en nog hogere kosten boog Naturalis het hoofd: het betaalde 1,5 miljoen euro schadevergoeding (exclusief advocatenkosten) en bood excuses aan voor inbreuk op de auteursrechten van de architect.

De irritaties waren hoog opgelopen, over en weer hadden felle verwijten geklonken. Opvattingen over vrijheid en rechten van de architect stonden tegenover elkaar: mag een architect ingrijpen in het werk van een voorganger of moeten gebouwen worden beschermd tegen fundamentele veranderingen?

[naam 5] wil en kan er nu niet veel meer over kwijt. ‘We hebben afgesproken dat we er in de media inhoudelijk niets meer over zeggen. Daar hou ik me aan.’ Wel geeft hij toe dat de ruzie met [eiser] ‘vervelend’ was. ‘Het conflict heeft het bouwproces vertraagd en veel geld gekost. Dat bedrag moest uit het bouwbudget komen. Voor een publieke instelling die met moeite kan rondkomen, is dat pijnlijk.’

(…)

In het oude museum worden expositieruimten omgebouwd tot kantoor en opslagplaats. Een ingreep die het verzet in [eiser] deed oplaaien. Vindt [naam 5] achteraf dat hij zichzelf iets kwalijk moet nemen? Had hij niet meer rekening moeten houden met de rechten van de eerste architect? [naam 5]: ‘Zonder iets inhoudelijks te zeggen, een kort antwoord: nee.’ Voor hem is de zaak afgesloten. Filosoferen over wat er anders had gekund heeft weinig zin. De gedachten zijn gericht op het afronden van de bouw en de verhuizing. Als nieuwe hindernissen uitblijven stromen de zalen volgende zomer weer vol.”

2.11.

[eiser] heeft per e-mail van 5 juli 2018 aan [naam 5] bericht dat diens uitlatingen in het interview in strijd zijn met de afspraken in de Vaststellingsovereenkomst. Ook bericht [eiser] dat hij zich tot de voorzieningenrechter zal wenden om een rectificatie te krijgen en nakoming van de afspraak te vorderen, op straffe van een dwangsom, tenzij Naturalis uiterlijk de volgende dag bevestigt dat Naturalis een door [eiser] voorgestelde rectificatie zal plaatsen en Naturalis erkent artikel 3.1 van de overeenkomst te hebben overtreden en bij een volgende overtreding een boete zal betalen.

2.12.

[naam 5] heeft naar aanleiding van het bovenstaande per e-mail van 12 juli 2018 onder meer het volgende aan [eiser] bericht:

“Ik vind het vervelend dat bij u het beeld is ontstaan dat Naturalis de vaststellingsovereenkomst niet nakomt vanwege de inhoud van het artikel in de Volkskrant van 3 juli 2018.

In het interview komt duidelijk naar voren dat ik namens Naturalis niets inhoudelijk over het geschil heb willen zeggen en naar mijn beleving heb ik dat ook niet gedaan. De quote over het bouwproces en de kosten, moeten worden bezien in het kader van het artikel. Het betreft algemene en openbare informatie, zoals ook volgt uit het artikel zelf. Dat Naturalis de ruzie vervelend vond, heeft volgens mij ook geen betrekking op de inhoud van het geschil. Op de vraag of ik mijzelf iets kwalijk moest nemen, heb ik ‘nee’ geantwoord. Op geen enkele wijze heb ik u daarmee tekort willen doen. De vraag ging over mijn gevoel.

Het dreigen met een gerechtelijke procedure, inclusief verregaande vorderingen, vinden wij niet in verhouding staan met de situatie. Ik vraag uw begrip voor het feit dat er al zoveel is geschreven over het geschil en dat ons herhaaldelijk vragen worden gesteld, mede in verband met de voortgang van de nieuwbouw.

(…)”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – na wijziging van eis ter zitting – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

i. Naturalis veroordeelt tot volledige en deugdelijke nakoming van artikel 3.1 en 3.2 van de Vaststellingsovereenkomst, op straffe van een dwangsom van € 50.000,- voor iedere schending daarvan en € 10.000,- voor iedere dag dat Naturalis geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft met de nakoming daarvan, tot een maximum van € 1.000.000,-;

Naturalis beveelt om binnen 24 uur na dit vonnis ter rectificatie een persbericht (i) bovenaan haar gebruikelijke overzicht van persberichten te plaatsen en daar gedurende ten minste twee maanden te laten staan en (ii) aan de redactie van de Volkskrant te verzenden met verzoek tot onmiddellijke publicatie daarvan, met gelijktijdige verzending van een kopie van dat verzoek aan de advocaten van [eiser] ;

met veroordeling van Naturalis in de proceskosten.

In verband met de vordering onder ii heeft [eiser] in het petitum van de dagvaarding twee verschillende tekstvoorstellen (B en C) voor een rectificerend persbericht geformuleerd. [eiser] vordert primair dat het onder B geformuleerde persbericht wordt gepubliceerd, subsidiair vordert hij dat het onder C geformuleerde persbericht wordt gepubliceerd, althans een in goede justitie te bepalen andersluidend bericht.

3.2.

[eiser] voert als grondslag voor de vorderingen – samengevat – het volgende aan. Naturalis is de in de Vaststellingsovereenkomst gemaakte afspraak niet nagekomen. Partijen zijn in de artikelen 3.1 en 3.2 van de Vaststellingsovereenkomst overeengekomen dat zij alleen het onder 3.2 opgenomen Persbericht naar buiten zouden brengen en verder geen uitlatingen meer zouden doen over de overeenkomst en het geschil ter zake waarvan zij de Vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. De uitspraken van [naam 5] in het interview (‘Wel geeft hij toe dat de ruzie met [eiser] ‘vervelend was’, ‘Het conflict heeft het bouwproces vertraagd en veel geld gekost’ en het antwoord ‘nee’ op de vragen of [naam 5] achteraf vindt dat hij zichzelf iets kwalijk had moeten nemen en of hij niet meer rekening had moeten houden met de rechten van de architect’) zijn in strijd met dit overeengekomen uitlatingsverbod. Bovendien wordt met deze uitlatingen afbreuk gedaan aan de strekking van het gezamenlijke Persbericht, waarin Naturalis heeft erkend dat de ontstane noodsituatie bij de bouw het gevolg is van het beleid van Naturalis om de verbouwing door te zetten in de wetenschap dat dit mogelijk in strijd zou zijn met de rechten van [eiser] , en Naturalis aan [eiser] excuses heeft gemaakt voor haar handelswijze. [eiser] heeft er geen vertrouwen meer in dat Naturalis zich aan het overeengekomen uitlatingenverbod zal houden, wanneer daar geen dwangsom of boete op staat, ook omdat Naturalis bij monde van [naam 3] al na de eerdere overtreding in maart 2017 had toegezegd de afspraken voortaan te zullen nakomen. [eiser] heeft er dan ook recht en belang bij dat een dwangsom aan het uitlatingenverbod wordt verbonden. Daarnaast heeft [eiser] er belang bij dat de uitlatingen worden gerectifceerd, zodat zij verenigbaar zijn met het Persbericht en geen verdere afbreuk doen aan de reputatie en het imago van [eiser] .

3.3.

Naturalis voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang van deze zaak is gegeven (en overigens ook niet in geschil), nu [eiser] met de gevorderde dwangsom wil voorkomen dat Naturalis zich nogmaals in strijd met artikel 3.1 van de Vaststellingsovereenkomst uitlaat over de overeenkomst en het geschil. Daarnaast heeft [eiser] er belang bij dat de uitspraken van [naam 5] op korte termijn worden rechtgezet. De voorzieningenrechter is daarmee bevoegd om van de vorderingen kennis te nemen.

4.2.

[eiser] heeft ter zitting zijn vordering met betrekking tot de rectificatie gewijzigd. Het betreft een kleine tekstuele aanpassing van de primair gevorderde rectificatie, waartegen Naturalis geen bezwaar heeft gemaakt. De voorzieningenrechter zal op de gewijzigde eis beslissen.

tekortkoming Naturalis

4.3.

Tussen partijen is in geschil of de uitlatingen van [naam 5] in het interview een overtreding van artikel 3.1. van de Vaststellingsovereenkomst vormen. Volgens Naturalis is dat niet het geval. Dat de ruzie ‘vervelend’ was, geeft slechts weer hoe [naam 5] subjectief het conflict met [eiser] heeft beleefd. Dit is geen inhoudelijke mededeling over het geschil. Bovendien zijn dergelijke uitlatingen ook al door beide partijen gedaan en hebben daarmee een openbaar karakter. Ook de mededeling in algemene zin dat het conflict het bouwproces heeft vertraagd, ziet niet op het inhoudelijk geschil en is bovendien feitelijk juist. [naam 5] heeft verder ook niets gezegd over de duur van de vertraging. Ten slotte heeft [naam 5] met zijn antwoord ‘nee’ op de vraag of [naam 5] vond dat hij zichzelf achteraf iets kwalijk moest nemen, slechts tot uitdrukking willen brengen dat hij zich op de toekomst wilde richten en niet meer over de zaak wilde hebben. [naam 5] bedoelde dat de zaken zijn gegaan zoals ze zijn gegaan. Ook dit is geen mededeling over (de inhoud) van het geschil, en deze mededeling doet evenmin afbreuk aan de reeds gemaakte excuses of het gezamenlijke persbericht, aldus - telkens - Naturalis.

4.4.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Partijen zijn in artikel 3.1 en 3.2. van de Vaststellingsovereenkomst overeengekomen dat zij behalve het in artikel 3.2. opgenomen Persbericht geen uitlatingen zullen doen over de inhoud van de overeenkomst of over het geschil ter beëindiging waarvan de Vaststellingsovereenkomst is gesloten. Die bepaling is strikt geformuleerd: het is partijen, anders dan het gezamenlijke Persbericht, niet toegestaan om in de toekomst nog enige uitlating te doen over het geschil dat hen verdeeld heeft gehouden. De voorzieningenrechter leest in de tekst van artikel 3.1. niet dat het partijen wel is toegestaan om uitlatingen over het geschil te doen, voor zover dit zaken betreft die al eerder in de openbaarheid zijn geweest. In dit verband is ook de totstandkomingsgeschiedenis en de strekking van de in de artikelen 3.1 en 3.2 neergelegde afspraken nadrukkelijk van belang. [eiser] heeft namelijk gesteld - en Naturalis heeft als zodanig ook niet weersproken – dat bij het sluiten van de Vaststellingsovereenkomst voor [eiser] van essentieel belang was dat de beeldvorming over het geschil recht zou doen aan de werkelijke gang van zaken. Om die reden is in het Persbericht, op verzoek van [eiser] , opgenomen dat Naturalis destijds, zelf een risico heeft genomen dat zij in een vergevorderd stadium van de voorbereiding met een door de rechter opgelegde bouwstop zou worden geconfronteerd, door lopende de bodemprocedure ervoor te kiezen de voorgenomen verbouwing door te zetten. Ook heeft Naturalis ermee ingestemd dat in het Persbericht publiekelijk kenbaar wordt gemaakt dat Naturalis excuses aan [eiser] heeft gemaakt voor haar handelswijze. Partijen hebben met het Persbericht dus (mede) beoogd naar buiten toe duidelijk te maken dat Naturalis de schuld op zich zou nemen voor de ontstane noodsituatie die door de bouwstop was ontstaan. Om te voorkomen dat de publieke beeldvorming op dit punt later, als gevolg van uitlatingen van één van partijen, weer zou wijzigen of afzwakken, zijn partijen overeengekomen dat met het Persbericht het laatste woord over de zaak is gezegd en partijen er verder het zwijgen toe zouden doen, aldus – nog steeds onweersproken - [eiser] .

4.5.

De voorzieningenrechter kan [eiser] tegen deze achtergrond volgen in zijn stelling dat de uitlatingen van [naam 5] in het Volkskrant-interview van 3 juli 2018 niet alleen in strijd zijn met het uitlatingenverbod van artikel 3.1 van de Vaststellingsovereenkomst, maar ook afbreuk doen aan de bedoeling van deze bepaling. Met zijn verklaring dat het conflict met [eiser] het bouwproces heeft vertraagd en veel geld heeft gekost, heeft [naam 5] een uitlating gedaan over het geschil. Dat de opmerkingen niet zozeer zien op de inhoud van het geschil, maar op de gevolgen daarvan, maakt niet dat deze uitlatingen niet als een overtreding van artikel 3.1 kunnen worden aangemerkt. Uit wat hiervoor is overwogen volgt immers dat het uitlatingenverbod ruim moet worden uitgelegd, aangezien de bedoeling daarvan was dat partijen met het Persbericht het laatste woord over de zaak hadden gezegd en er verder het zwijgen toe zouden doen omdat verdere uitlatingen over de zaak mogelijk weer afbreuk doen aan het complete beeld, zoals dat in het gezamenlijke Persbericht is geschetst. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter hebben ook de hiervoor genoemde uitlatingen van [naam 5] dat effect. Immers, [naam 5] stipt hiermee wel de negatieve gevolgen van het conflict voor Naturalis nogmaals aan (een vertraging van het bouwproces en hoge kosten die uit het bouwbudget moesten worden betaald) maar de in dat kader relevante - en voor [eiser] essentiële - eigen rol van Naturalis bij het ontstaan van die vertraging en kosten blijft vervolgens onbesproken. Nergens wordt benoemd dat Naturalis zelf risicovol had gehandeld door ondanks het geschil met [eiser] al met de voorbereiding van de bouw te beginnen. Evenmin komt terug dat het betaalde geldbedrag van 1,5 miljoen niet ten goede komt aan [eiser] maar aan een ideële stichting, en dat die betaling ertoe dient dat het door Naturalis gevoerde beleid niet alsnog wordt beloond. Daarmee kan een minder genuanceerd – en voor Naturalis gunstiger en voor [eiser] ongunstiger – beeld van het geschil ontstaan, dan uit het volledige Persbericht naar voren komt.

4.6.

Ook de mededeling van [naam 5] aan het slot van het interview doet afbreuk aan het beeld dat partijen in het Persbericht hebben geschetst. [naam 5] beantwoordt daarin onder meer de vraag of hij niet meer rekening had moeten houden met de rechten van de eerste architect met ‘nee’. Die verklaring strookt niet met het Persbericht, waarin Naturalis excuses heeft aangeboden aan [eiser] voor de wijze waarop zij de kwestie met [eiser] had behandeld. In die verklaring ligt besloten dat Naturalis erkent dat zij wel meer rekening had moeten houden met de rechten van [eiser] . De voorzieningenrechter wil met [naam 5] (die hierover namens Naturalis ter zitting heeft verklaard) aannemen dat zijn bondige antwoord vooral was gericht op de eerste vraag of [naam 5] zichzelf achteraf iets kwalijk neemt, en dat [naam 5] vooral heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat het geen zin heeft om terug te kijken en dat hij zich op de toekomst wil richten. Dat neemt echter niet weg dat hij met zijn ‘nee’ ook de vraag of hij niet meer rekening had moeten houden met de rechten van de architect negatief heeft beantwoord. De voorzieningenrechter stelt in dat kader vast dat ook het concept van het interview, dat aan het hoofd communicatie van Naturalis is voorgelegd, de (afsluitende) zin bevatte ‘Vindt [naam 5] achteraf niet dat hij zichzelf iets kwalijk moet nemen? Had hij niet meer rekening moeten houden met de rechten die architecten hebben? [naam 5] ‘Zonder iets inhoudelijks te zeggen, een kort antwoord: nee’. Weliswaar is deze passage in het definitieve stuk nog gevolgd door de passage dat de zaak voor [naam 5] is afgesloten en filosoferen over wat er anders had gekund weinig zin heeft, maar het antwoord zelf is niet genuanceerd of meer in lijn gebracht met de verklaring van Naturalis in het Persbericht. Ten onrechte voert Naturalis aan dat de uitlating geen betrekking heeft op het geschil, maar alleen een analyse achteraf van [naam 5] op zijn persoonlijke handelswijze weergeeft. Hiermee gaat Naturalis eraan voorbij dat het ‘nee’, gezien de tekst van het interview, ook een antwoord betreft op de vraag of Naturalis bij de verbouwing rekening moest houden met de persoonlijkheidsrechten van [eiser] , welke vraag nu juist de kern van het schil vormde. De uitlating kan dan ook als een overtreding van artikel 3.1 worden aangemerkt.

rectificatie

4.7.

De voorzieningenrechter komt dan ook tot het voorlopig oordeel dat Naturalis met de hiervoor genoemde uitlatingen van haar algemeen directeur ([naam 5]) is tekortgekomen in de nakoming van artikel 3.1 van de Vaststellingsovereenkomst. De voorzieningenrechter is tevens van oordeel dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de uitlatingen reputatieschade lijdt. Partijen hebben in het Persbericht een beeld geschetst van de schikking en het geschil, waarin ook nadrukkelijk de eigen rol van Naturalis bij het ontstaan van de bouwstop (en de daaruit voortvloeiende gevolgen) aan de orde is gesteld en Naturalis excuses aan [eiser] heeft gemaakt voor de wijze waarop zij de kwestie met [eiser] heeft behandeld. Door de verklaring van [naam 5] (als algemeen directeur een belangrijke vertegenwoordiger van Naturalis) dat hij achteraf niet vindt dat hij meer rekening had moeten houden met de rechten van [eiser] , wordt die in de excuses besloten schulderkenning van Naturalis afgezwakt. Het eigen aandeel van Naturalis wordt eveneens afgezwakt doordat [naam 5] enerzijds nog wel kort de negatieve gevolgen van het conflict voor Naturalis (een bouwvertraging, en veel kosten voor een publieke instelling die met moeite kan rondkomen) benoemt, maar niet terugkomt op de eigen rol van Naturalis in het ontstaan van die schade. De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk dat de uitlatingen hierdoor een voor Naturalis gunstiger beeld - en omgekeerd een voor [eiser] minder gunstig beeld - doen ontstaan, dan wanneer [naam 5] de mededelingen achterwege had gelaten en het, zoals overeengekomen, bij het eerdere Persbericht had gelaten.

4.8.

Op grond van het bepaalde in artikel 6:103 BW kan de rechter, ingeval van een toerekenbare tekortkoming van een partij jegens zijn wederpartij, op vordering van de benadeelde wederpartij bepalen dat schadevergoeding in andere vorm dan betaling van een geldsom moet plaatsvinden. [eiser] heeft gevorderd dat de nadelige effecten van de (niet toegestane) uitlatingen in het interview ongedaan worden gemaakt door een rectificatie. De voorzieningenrechter acht een rectificatie in dit geval passend, ook omdat het door Naturalis geschonden uitlatingenverbod tot doel had het volledige beeld van het conflict dat in het Persbericht is geschetst, in stand te laten. De voorzieningenrechter acht het tegen die achtergrond voldoende dat in een rectificatie nogmaals nadrukkelijk wordt gewezen op het eerdere Persbericht, zoals subsidiair is gevorderd, en dat in de rectificatie wordt benadrukt dat Naturalis volledig achter dit gezamenlijke Persbericht staat. De voorzieningenrechter acht een rectificatie, te plaatsen op de eigen website van Naturalis en in de Volkskrant, met de volgende inhoud juist en passend:

“In de Volkskrant van 3 juli 2018 is een artikel verschenen over het nieuwbouwproject van Naturalis met de kop ‘Naturalis herstelt van conflict’. Dit artikel is een verslag van een interview met de heer [naam 5] , algemeen directeur van Naturalis. In dit interview doet de heer [naam 5] enkele uitspraken over een conflict dat Naturalis heeft gehad met architect [eiser] over de verbouwing van het Naturalisgebouw. Zo stelt de heer [naam 5] dat “het conflict het bouwproces heeft vertraagd en veel geld heeft gekost”. Ook heeft [naam 5] een vraag van de journalist of hij achteraf vindt dat hij zichzelf iets kwalijk moet nemen en of hij niet meer rekening had moeten houden met de rechten van de eerste architect beantwoord met: ‘Zonder iets inhoudelijks te zeggen, een kort antwoord: nee.’

Eerder hebben Naturalis en [eiser] ter afwikkeling van het toenmalige conflict een schikking getroffen. Daarbij hebben Naturalis en [eiser] afgesproken dat zij een gezamenlijk persbericht naar buiten zouden brengen en dat zij zich verder niet op enige manier over het conflict zouden uitlaten. De hiervoor genoemde uitlatingen van [naam 5] zijn in strijd met deze laatste afspraak. De uitlatingen zijn bovendien te eenzijdig en doen geen recht aan het volledige beeld van de schikking en het geschil, zoals in het eerdere persbericht geschetst.

Naturalis verklaart hierbij nogmaals nadrukkelijk dat Naturalis volledig staat achter het gezamenlijke persbericht, dat [eiser] en Naturalis eerder hebben doen uitgaan. Ook staat Naturalis volledig achter de excuses die zij in dit persbericht aan [eiser] heeft gemaakt voor de wijze waarop Naturalis de kwestie met [eiser] heeft behandeld.

Het gezamenlijke persbericht is te vinden op [opnemen link naar het eerdere Persbericht op de website van Naturalis, welke link gedurende twee maanden moet werken] .”

4.9.

[eiser] heeft nog gevorderd dat in de rectificatie ook de uitlating van [naam 5] dat ‘het conflict het bouwproces heeft vertraagd’ wordt gerectificeerd, omdat die stelling onjuist is. Volgens [eiser] heeft het conflict de bouw niet vertraagd. De voorzieningenrechter acht rectificatie op dit onderdeel niet aan de orde. Allereerst is onvoldoende aannemelijk dat de mededeling onjuist is, aangezien Naturalis heeft aangevoerd dat de uitlating breder moet worden gezien; niet alleen de bouwstop van 10 dagen zelf, maar ook de kosten van het geschil en de schikking hebben voor vertraging gezorgd omdat die kosten uit het bouwbudget moesten worden voldaan. In dat opzicht is voorshands dan ook voldoende aannemelijk dat het conflict als zodanig (ook vanwege de kosten daarvan) tot vertraging van de bouw heeft geleid. Van belang is echter vooral, zo begrijpt de voorzieningenrechter uit het gezamenlijke Persbericht en de toelichting van [eiser] , dat die vertraging naar buiten toe niet bij [eiser] in de schoenen wordt geschoven, maar dat de eigen aansprakelijkheid van Naturalis voor het ontstaan van die extra kosten en vertraging wordt benoemd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt aan dat belang voldoende recht gedaan met het plaatsen van de bovenstaande rectificatie.

opleggen dwangsom

4.10.

[eiser] heeft verder nog gevorderd dat Naturalis wordt veroordeeld om artikel 3.1 voortaan na te komen, op straffe van een dwangsom. Het gaat er [eiser] vooral om dat er thans een sanctie wordt verbonden aan het overeengekomen uitlatingenverbod, omdat hij er geen vertrouwen meer in heeft dat Naturalis deze uitspraak zonder sanctie niet opnieuw zal schenden.

4.11.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan de afspraak een dwangsom te verbinden. Daartoe is het volgende van belang. Vaststaat dat Naturalis zich ervan bewust is dat partijen hebben afgesproken zich niet meer over het geschil uit te laten. Tussen partijen is ook onweersproken dat Naturalis die afspraak tot aan het interview van 3 juli 2018 bijna anderhalf jaar (sinds het laatste incident van 20 maart 2017) structureel was nagekomen. Ook uit het interview van [naam 5] blijkt dat hij zich van de afspraak bewust is. [naam 5] heeft de kwestie zelf niet ter sprake gebracht en hij heeft in antwoord op vragen van de journalist op de afspraak tussen partijen gewezen. Weliswaar heeft [naam 5] vervolgens, desondanks, toch nog een enkele uitlating gedaan over het geschil, maar de voorzieningenrechter acht, gehoord hebbende partijen ter zitting, onvoldoende aannemelijk dat [naam 5] daarbij de opzet heeft gehad om de afspraak te overtreden of de rol van Naturalis in het geschil gunstiger te doen voorstellen. De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk dat [naam 5] met zijn uitlatingen veeleer heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat het conflict voor hem persoonlijk een vervelende en pijnlijke periode was, en dat hij daar liever niet op wil terugkijken maar zich voortaan op de toekomst wil richten. Weliswaar doen de uitlatingen, zoals hiervoor onder 4.5 t/m 4.7 is overwogen, afbreuk aan het uitgebalanceerde beeld dat in het eerdere Persbericht van het geschil is geschetst, maar de voorzieningenrechter wil aannemen dat dit niet de bedoeling van [naam 5] was. De voorzieningenrechter ziet tegen deze achtergrond onvoldoende grond om Naturalis een extra prikkel tot nakoming op te leggen in de vorm van een dwangsom. Aangenomen kan worden dat deze procedure (en de daaruit voortvloeiende verplichting tot rectificatie) al een voldoende prikkel is voor Naturalis om te voorkomen dat in toekomstige interviews nogmaals de tussen partijen overeengekomen zwijgafspraak wordt overtreden. Nu het belang van de vordering van [eiser] , getuige zijn toelichting, uitsluitend in de gevorderde oplegging van een dwangsom bestond (en hij aldus bij een ‘kale’ vordering tot nakoming verder geen belang heeft), zal de vordering geheel worden afgewezen.

4.12.

Nu beide partijen gedeeltelijk in het gelijk zijn gesteld, worden de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

beveelt Naturalis om binnen 24 uur na de datum van dit vonnis het onder rov. 4.8 weergegeven persbericht (i) bovenaan haar gebruikelijke overzicht van persberichten te plaatsen en daar gedurende ten minste twee maanden te laten staan en (ii) aan de redactie van de Volkskrant te verzenden met verzoek tot onmiddellijke publicatie daarvan, met gelijktijdige verzending van een kopie van dat verzoek aan de advocaten van [eiser] ;

5.2.

verklaart de bovenstaande veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

bepaalt dat de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat beide partijen de eigen proceskosten dragen;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2018.

av