Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9207

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6639
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Participatie in Filmfonds vormt geen bron van inkomen. Uitgaande van de te verwachten rendementen (zonder rekening te houden met fiscale faciliteiten) viel, objectief bezien, redelijkerwijs niet te verwachten dat met de participatie een voordeel kon worden behaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 17-08-2018
FutD 2018-2221
V-N Vandaag 2018/1772
Belastingadvies 2018/21.2
V-N 2018/65.2.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 17/6639

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 juli 2018 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [plaats], eiser

(gemachtigde: S.W.C. Wortelboer),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [kantoor] verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2013 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Daarbij is tevens belastingrente aan eiser in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 augustus 2017 de aanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2018.

Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger X] en [vertegenwoordiger Y].

Overwegingen

Feiten

1. Eiser neemt vanaf het jaar 2013 deel in het Filmfonds [filmfonds] (het Filmfonds).

2. In de prospectus getiteld “[titel]” van februari 2013 (de prospectus) is opgenomen dat het Filmfonds een maatschap is die tot doel heeft twee films te produceren en te exploiteren, te weten: [film 1] en [film 2]. Een afschrift van de prospectus behoort tot de gedingstukken. Uit de prospectus blijkt onder meer het volgende.

2.1.

Het Filmfonds heeft maximaal 171 maten, waarvan één maat de beherend vennoot is die met uitsluiting van de overige participanten belast is met het beheer en bestuur van de maatschap (de Managing Partner). De andere maximaal 170 participanten kunnen deelnemen in het kapitaal van het Filmfonds voor ten hoogste vijf participaties van € 10.000,- per stuk.

2.2.

De baten en lasten met betrekking tot de films komen ten behoeve respectievelijk ten laste van de participanten van het Filmfonds.

2.3.

De voortbrengingskosten van de films komen op basis van de maatschapsovereenkomst ten laste van de 170 participaties (zijnde alle participaties behoudens die van de Managing Partner), voor het maximale bedrag van twee keer de inleg. De resterende voortbrengingskosten komen ten laste van de Managing Partner.

2.4.

De totale kosten voor de productie en de exploitatie van de twee films zijn in de prospectus begroot op € 5.904.484. De Managing Partner zal een bedrag van € 3.089.484 als eigen vermogen inbrengen. De overige participanten zullen een bedrag van € 1.700.000 als eigen vermogen inbrengen. Een bedrag van € 1.115.000 zal worden gefinancierd als pre-sales.

2.5.

De schatting van de exploitatieopbrengsten voor het Filmfonds is in de prospectus weergegeven in de vorm van zeven rendementsscenario’s van ‘Flop’ tot ‘Very high’. Deze rendementsscenario’s zijn vastgesteld door deskundigen uit de branche, onder andere distributeurs, op grond van hun ervaringen en aan de hand van de box-officeopbrengsten (de opbrengst van de kaartverkoop aan de kassa bij de bioscopen) van vergelijkbare (commerciële) films en opbrengsten uit DVD, VOD, Pay-tv, Ancillary en omzet buitenland. Om een marktconform beeld te geven van de box-officeopbrengsten zijn in de prospectus de box-officeopbrengsten van 35 willekeurige Nederlandse films opgenomen, waarvan de gegevens afkomstig zijn van de bron: www.nfcstatistiek.nl.

3. De inleg van eiser in het Filmfonds bedraagt € 20.000. Eiser heeft voor 2013 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.506 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.138. In de aangifte is een bedrag opgenomen van € 17.200 als negatief resultaat uit onderneming. Dit bedrag is als volgt berekend:

- Resultaat [filmfonds] Filmfonds € 20.000 -/-

- MKB-winstvrijstelling (14% x € 20.000) € 2.800 +

€ 17.200 -/-

4. In augustus 2015 heeft een controleambtenaar van de Belastingdienst een derdenonderzoek (het onderzoek) ingesteld bij de maatschap [filmfonds]. Van de bevindingen van het onderzoek is een rapport opgesteld. In het rapport is - kort gezegd - geconcludeerd dat de participaties in het Filmfonds voor de participanten geen bron van inkomen vormen.

5. Bij de aanslagregeling heeft verweerder conform de bevindingen van het onderzoek het standpunt ingenomen dat eisers participatie in het Filmfonds niet kan worden aangemerkt als een bron van inkomen. Als gevolg daarvan heeft verweerder het aangegeven inkomen uit werk en woning met € 17.200 gecorrigeerd en het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 69.706.

Geschil

6. In geschil is of de participatie in het Filmfonds voor eiser een bron van inkomen vormt. Meer specifiek is in geschil of eiser in 2013 (objectief bezien) redelijkerwijs mocht verwachten dat met de participatie een voordeel kon worden behaald. Niet in geschil is dat aan de overige bronvereisten is voldaan. Daarnaast is in geschil of het niet aanmerken van de participatie als een bron van inkomen strijdig is met het gelijkheidsbeginsel dan wel het vertrouwensbeginsel.

7. Eiser stelt dat in 2013 met betrekking tot de participatie sprake was van een redelijkerwijs te verwachten voordeel, zodat sprake is van een bron van inkomen en derhalve de correctie van € 17.200 ten onrechte is toegepast. Eiser heeft ter ondersteuning hiervan aangevoerd dat het Filmfonds de potentie heeft om films te produceren die tot de top van de uitgebrachte Nederlandse films behoren, hetgeen wordt onderstreept door de omvang van het budget en de betrokken partijen, zoals gelouterde acteurs, regisseurs en een professionele distributeur. Eiser wijst in dit verband ook op het feit dat de productie van de films is afgedekt door een ‘Completion Bond’ en andere verzekeringen, waaruit blijkt dat het Filmfonds een professionele en serieuze exploitant is. Ook het feit dat de productie en exploitatie van de films door derden uit de filmindustrie, door middel van een voorschot, is voorgefinancierd, onderstreept volgens eiser de winstpotentie en professionaliteit van het Filmfonds. Gelet op dit alles is de in het scenario ‘medium high’ verwachte box-officeopbrengst van gemiddeld € 5.000.000 per film redelijkerwijs te verwachten. Daarbij stelt eiser tevens dat in dit verband enkel een vergelijking moet worden gemaakt met andere films in dit ‘topsegment’ en niet ook met ‘mindere’ films zoals in de prospectus wel is gedaan. Eiser heeft in dit verband in zijn beroepschrift een opsomming gegeven van 10 Nederlandse films uit de periode 2009 tot en met 2013, waarvan volgens hem de productie en cast vergelijkbaar is met [film 1] en [film 2] en waarbij de bezoekersaantallen vergelijkbaar zijn met minimaal het ‘medium high’-scenario van het Filmfonds.

Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat het niet aanmerken van de participatie als een bron van inkomen strijdig is met het gelijkheidsbeginsel, meer specifiek de meerderheidsregel, en het vertrouwensbeginsel.

Eiser concludeert tot vermindering van de belastingaanslag overeenkomstig de door hem ingediende aangifte.

8. Verweerder is de tegengestelde mening toegedaan en concludeert primair tot ongegrondverklaring van het beroep. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat, indien wel sprake is van een bron van inkomen, eiser slechts een negatief resultaat van € 8.600 (afschrijvingskosten ad € 10.000 -/- 14% MKB-winstvrijstelling) uit hoofde van de participatie in het Filmfonds in aanmerking mag nemen.

Beoordeling van het geschil

9. Nu eiser een aftrek (verlies) claimt uit hoofde van de participatie, rust op hem de bewijslast aannemelijk te maken dat in 2013 (objectief bezien) redelijkerwijs viel te verwachten dat met de participatie een voordeel kon worden behaald.

10. Verweerder heeft de te verwachten rendementen per film berekend zonder rekening te houden met fiscale faciliteiten (dus zonder belastingbesparing en exclusief belastingheffing). Uitgaande van de gegevens zoals opgenomen in de prospectus, heeft verweerder de rendementen als volgt becijferd, welke berekeningen volgens eiser - naar hij ter zitting heeft verklaard - juist zijn.

[film 1]:

rendements-

low

medium

very

berekening

flop

low

medium

medium

high

high

high

Inleg

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

Inkomsten

0

1.099

1.992

3.999

5.725

12.058

19.866

Totaal effect

-5.000

-3.901

-3.008

-1.001

725

7.058

14.886

Rendement

-100%

-78,02%

-60,16%

-20,02%

14,50%

141,16%

297,32%

[film 2]:

rendements-

low

medium

very

berekening

flop

low

medium

medium

high

high

high

Inleg

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

Inkomsten

0

1.099

1.663

3.976

5.702

11.853

19.661

Totaal effect

-5.000

-3.901

-3.337

-1.024

702

6.853

14.661

Rendement

-100%

-78,02%

-66,74%

-20,48%

14,04%

137,06%

293,22%

11. Tussen partijen is niet in geschil dat voor de vraag of de bewuste rendementen te verwachten zijn, moet worden gekeken naar de (te verwachten) box-officeopbrengsten en dat de bewuste rendementen worden behaald bij de volgende box-officeopbrengsten:

low

medium

very

flop

low

medium

medium

high

high

high

Box-officeopbrengst

0

1.000.000

1.500.000

3.000.000

5.000.000

10.000.000

15.000.000

12. De rechtbank stelt vast dat, uitgaande van de aldus berekende rendementen, er alleen bij de scenario’s ‘medium high’, ‘high’ en ‘very high’ een positief rendement kan worden verwacht, hetgeen betekent dat bij een box-officeopbrengst van € 5.000.000 of meer een positief rendement kan worden verwacht.

13. Naar het oordeel van de rechtbank betekent het vorenstaande, vertaald naar dit geval, dat eiser aannemelijk moet maken dat objectief bezien redelijkerwijs te verwachten viel dat met elk van de beide films per saldo een box-officeopbrengst van tenminste € 5.000.000 zou worden behaald, althans in elk geval een box-officeopbrengst van om en nabij dat bedrag.

14. Met partijen is de rechtbank van oordeel dat voor de beantwoordring van de vraag wat objectief bezien een redelijkerwijs te verwachten box-officeopbrengst voor de films is, een vergelijking moet worden getrokken met de bekende box-officeopbrengsten van vergelijkbare andere Nederlandse films, zoals ook in de prospectus is gedaan door middel van een vergelijking met de 35 daarin genoemde Nederlandse films. De rechtbank zal dan ook de box-officeopbrengsten van deze 35 in de prospectus genoemde films als uitgangspunt nemen bij de beoordeling van de vraag of eiser aannemelijk maakt dat objectief bezien redelijkerwijs te verwachten was dat met de twee onderwerpelijke films de voor de positieve rendementen benodigde box-officeopbrengsten zouden worden behaald.

15. De rechtbank volgt eiser dus niet in zijn stelling dat in dit geval een vergelijking moet worden getrokken met de 10 door eiser in zijn beroepschrift opgesomde Nederlandse films uit de periode 2009 tot en met 2013. De rechtbank acht door eiser niet aannemelijk gemaakt dat deze films dusdanig goed vergelijkbaar zijn met de onderwerpelijke twee films dat in afwijking van de vergelijking in de prospectus enkel van die 10 films dient te worden uitgegaan.

Doorslaggevend daarbij acht de rechtbank het feit dat gesteld noch gebleken is dat die 10 films een kwalitatief gelijkwaardige cast hebben als de onderwerpelijke twee films, terwijl ook, naar eiser ter zitting heeft verklaard, slechts een van die films, namelijk ‘[film 3]’, is geproduceerd door de productiemaatschappij die ook de onderwerpelijke twee films heeft geproduceerd. Wat eiser voor het overige in dit verband heeft aangevoerd, doet hier niet aan af en brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

16. De rechtbank stelt vervolgens vast dat van de 35 in de prospectus genoemde films slechts acht films de voor het scenario ‘medium high’ benodigde box-officeopbrengst van € 5.000.000 hebben behaald, derhalve minder dan 1/3 van de films. Gelet hierop acht de rechtbank niet aannemelijk dat objectief bezien redelijkerwijs viel te verwachten dat voor elk van beide films per saldo ten minste een box-officeopbrengst van om en nabij € 5.000.000 zou worden behaald. Daartoe acht de rechtbank het aantal films dat de benodigde box-officeopbrengst heeft behaald, onvoldoende. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat in de in de prospectus opgenomen lijst van 35 films geen enkele film voorkomt die door de onderwerpelijke productiemaatschappij is geproduceerd en in het bovenste segment (met een box-officeopbrengst van minstens € 5.000.000) zit.

17. Alles wat eiser overigens heeft aangevoerd, doet aan het vorenstaande niet af en brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast aannemelijk te maken dat objectief bezien redelijkerwijs te verwachten was dat met de participatie een voordeel kon worden behaald. Dit betekent dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat de participatie in het Filmfonds voor eiser geen bron van inkomen vormt.

Beroep op het gelijkheidsbeginsel (de meerderheidsregel)

18. Eiser stelt tevens dat het niet aanmerken van de participatie als een bron van inkomen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, meer specifiek de meerderheidsregel, omdat de participaties bij meer dan de helft van alle 141 participanten wel als zodanig zijn aangemerkt. Bij 71 participanten zijn de participaties als een bron van inkomen geaccepteerd, terwijl slechts bij 28 participanten correcties zijn aangekondigd, aldus eiser. Eiser, op wie in dit verband de bewijslast rust, heeft echter ter ondersteuning van deze stellingen geen bewijsmiddelen overgelegd. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat eiser niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast aannemelijk te maken dat sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel (de meerderheidsregel). Eisers stelling dat verweerder beschikt over een lijst met de persoonsgegevens van alle 141 participanten, hetgeen verweerder overigens betwist, maakt dit niet anders, reeds omdat dit niets afdoet aan het feit dat eiser in deze beroepsprocedure zelf geen enkel bewijsmiddel ter ondersteuning van zijn stelling heeft overgelegd. Om voornoemde redenen verwerpt de rechtbank eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel (de meerderheidsregel).

Beroep op het vertrouwensbeginsel

19. De rechtbank verwerpt ook eisers beroep op het vertrouwensbeginsel, reeds omdat eiser dit standpunt onvoldoende heeft geconcretiseerd of inzichtelijk heeft gemaakt. In alles wat eiser heeft aangevoerd over de onderhandelingen die in het verleden over het Filmfonds zijn gevoerd met de Belastingdienst, teneinde te proberen tot een vaststellingsovereenkomst te komen waarin dan tevens zou worden vastgelegd dat de participaties kwalificeren als een bron van inkomen, vindt de rechtbank geen steun voor het door eiser gestelde opgewekt vertrouwen. Eiser heeft ook niet benoemd welke concrete handelingen verweerder daarbij heeft verricht dan wel welke uitlatingen of toezeggingen hij daarbij heeft gedaan waaraan het gestelde vertrouwen kan worden ontleend. Ook overigens vindt de rechtbank in de gedingstukken geen aanknopingspunten voor de conclusie dat sprake is van opgewekt vertrouwen door verweerder.

Belastingrente

20. Gelet op het vorenoverwogene, in samenhang bezien met het feit dat tegen de belastingrente geen afzonderlijke gronden zijn aangevoerd en de rechtbank ook niet is gebleken dat deze niet overeenkomstig de wettelijke bepalingen is berekend, is de rechtbank van oordeel dat ook de belastingrente tot een juist bedrag aan eiser in rekening is gebracht.

21. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Drok, voorzitter, en mr. E.E. Schotte en

mr. E.J.W. Heithuis, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.