Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9204

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
01-08-2018
Zaaknummer
09/817286-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurder veroordeeld voor dodelijk ongeval in Duinrell

De rechtbank veroordeelt een 29-jarige Sloveense man tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2,5 jaar voor het veroorzaken van een verkeersongeval in Duinrell waarbij twee van zijn landgenoten om het leven kwamen. Daarnaast legt de rechtbank de man een onvoorwaardelijke rijontzegging van 4 jaren op.

De man veroorzaakte in de nacht van 11 februari 2018 een ongeval met zijn auto, waarin nog twee andere personen zaten. Hij had op dat moment meer dan driemaal de toegestane hoeveelheid alcohol gedronken.

De man kon zich niets van het ongeval herinneren, maar volgens de rechtbank is het bewezen dat hij de bestuurder van de auto was.

De rechtbank merkt in haar vonnis op dat de man onaanvaardbare risico’s heeft genomen. Dat die risico’s zich hebben verwezenlijkt is volgens de rechtbank volledig aan hem toe te rekenen. Als strafverzwarende omstandigheid heeft de rechtbank nog meegenomen dat de man ondanks verschillende waarschuwingen toch was blijven doorrijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/817286-18

Datum uitspraak: 1 augustus 2018

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,

adres: [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 23 mei 2018 (pro forma) en 18 juli 2018 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.M. Ariese en van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.C.A. Schulpen naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijzigingen van de tenlastelegging op de terechtzittingen van

23 mei 2018 en 18 juli 2018 - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 11 februari 2018 te Wassenaar als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmee rijdende over de

weg, (Duinrell), althans, op het voor openbaar verkeer afgesloten terrein van

vakantiepark Duinrell, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te

wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te

handelen:

- hij heeft aldaar gereden terwijl hij onder invloed was van alcohol (1,77 milligram

alcohol per milliliter bloed) en/of (vervolgens)

- heeft hij niet de nodige voorzichtigheid in acht genomen en/of onvoldoende

aandacht gehad voor de verkeerssituatie en/of de verkeersveiligheid ter

plaatse gehad en/of (vervolgens)

- heeft hij gereden met een voor de verkeerssituatie en/of verkeersveiligheid

ter plaatse te hoge snelheid en/of (vervolgens)

- is hij daarbij de controle over het door hem bestuurde motorrijtuig is

verloren en/of vervolgens

- is hij van de weg geraakt en/of van een naast de weg gelegen talud afgereden,

ten gevolge waarvan het motorrijtuig te water is geraakt,

waardoor anderen (genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) werden gedood,

terwijl hij verdachte verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8,

eerste, tweede of derde lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

hij op of omstreeks 11 februari 2018 te Wassenaar, als bestuurder van een

voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van

alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een

onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid aanhef en onder b van de

Wegenverkeerswet 1994, 1,77 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram,

alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

3. Bewijsoverwegingen 1

3.1

Inleiding

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten en omstandigheden hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de bewijsvraag.

Het ongeval

Op 11 februari 2018 omstreeks 03.14 uur heeft op het terrein van attractiepark Duinrell te Wassenaar een verkeersongeval plaatsgevonden. Daarbij is een auto in het water beland en zijn twee inzittenden, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , om het leven gekomen. Ook verdachte zat tijdens het ongeval in de auto. Hij heeft – voor zover hier relevant – verklaard zich niets meer te kunnen herinneren van het ongeval.

Uit het onderzoek van de politie naar dit ongeval is het volgende naar voren gekomen.

Ter plaatse was de toegestane snelheid 5 km/u. De wegsituatie was voldoende overzichtelijk. De staat en onderhoud van het wegdek was goed. Er werden geen oneffenheden aangetroffen die van invloed konden zijn op het ongeval. De aanwezige straatverlichting werkte. Voorts werden er geen obstakels of omstandigheden aangetroffen die het uitzicht belemmerden.

De auto, een personenauto, van het merk Skoda, type Superb en voorzien van het [kenteken] (hierna: de auto), was vermoedelijk vertrokken op het park, vanaf [plaats 1] : op de weg waaraan dit huisje staat werden slipsporen aangetroffen die mogelijk met dit voertuig waren veroorzaakt. Rijdend over het weggedeelte dat om parkeerplaats P3 leidt is de Skoda in een bocht naar links van de weg geraakt en via een naast de weg gelegen talud in het naastgelegen water terecht gekomen: op de plek van het ongeval werd aan de zijkant van een scheefliggende trottoirband een krasspoor en een rubberspoor gezien, die vermoedelijk met de binnenzijde van het linker voorwiel waren veroorzaakt.2 De Skoda was mogelijk tientallen meters vóór de ongevalslocatie al rechts door de berm gereden: verbalisanten troffen – gezien de rijrichting – ongeveer 70 meter vóór de ongevalslocatie een rijspoor aan, dat ongeveer 12 meter door de berm liep. Verder was de rechterzijde van de Skoda beschadigd. De velgrand van het rechter voorwiel was verbogen en de bandenspanning van de linker voorband was beduidend lager dan in de overige banden. Verbalisanten zagen krassen in de lak, beginnend op het rechter voorportier en doorlopend tot op het achterpaneel. Zij zagen dat het rechter achterportier en rechter achterpaneel waren ingedrukt.3

Nadat de auto in het water was geraakt, konden twee inzittenden ( [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) niet zelfstandig uit het voertuig komen en zijn later door de brandweer uit het voertuig gehaald. Beiden zijn in kritieke toestand naar het ziekenhuis vervoerd.

Beiden zijn komen te overlijden in het ziekenhuis.4

Te beantwoorden vragen

De door de rechtbank primair te beantwoorden vraag is of verdachte de bestuurder was van de auto. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of het handelen van verdachte moet worden aangemerkt als roekeloos dan wel zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), waarbij komt dat de verdachte tevens wordt verweten dat hij heeft gereden terwijl het alcoholgehalte van zijn bloed 1.77 milligram bleek te zijn.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de gedragingen van verdachte, sprake is geweest van zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam handelen aan de kant van verdachte en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een grove of ernstige verkeersfout.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste wordt gelegd, op gronden verwoord in haar pleitnota.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Was verdachte de bestuurder van de auto?

Op 11 februari 2018, omstreeks 03.15 uur, bevond [getuige] , beveiliger, zich in het hoofdgebouw bij de ingang van attractiepark Duinrell te Wassenaar. Van [getuige] zag dat een man paniekerig op het raampje klopte en riep: “auto in water”. De man was doorweekt en had schrammen op zijn hoofd en handen. Van [getuige] is met de man meegelopen en zag dat deze op het pad richting het bungalowpark naar een sloot wees. Van [getuige] zag dat een grijze personenauto bijna geheel onder water lag. Hij zag dat er een man uitstak die zijn hoofd met moeite boven water probeerde te houden. Van [getuige] hoorde van de melder dat er twee mannen in de auto zouden zitten. Hij heeft bij de auto gewacht tot de politie ter plaatse was.5

[verbalisant 1] en [verbalisant 2] werden op 11 februari 2018 om 03.15 uur door de meldkamer naar Duinrell gestuurd. Daar zagen zij dat een voertuig ondersteboven in het water lag en dat er een man op het voertuig lag. De man die naast de beveiliger langs de kant stond gaf aan dat er nog twee personen in het voertuig zaten.6 [verbalisant 3] en [verbalisant 4] kwamen iets later aan en hebben onderzoek gedaan naar de identiteit van de betrokkenen. Zij hoorden via de mobilofoon dat de auto op naam stond van verdachte. Verbalisanten hoorden van personen die in het vakantiehuisje van de verdachte verbleven dat de twee andere inzittenden van de auto in het tegenover gelegen [plaats 2] verbleven. Het zou gaan om [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . In het huisje troffen verbalisanten brieven aan op naam van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Tevens troffen zij [Melder] aan, die overeenkwam met het signalement van de melder en die zij hebben meegenomen naar het politiebureau voor het afleggen van een getuigenverklaring.7

[Melder] heeft op 11 februari 2018 omstreeks 5.21, dus kort na het ongeval, in een kort verhoor bij de politie verklaard dat hij en drie anderen (verdachte, [slachtoffer 2] en

[slachtoffer 1] ) met de auto naar Den Haag zouden rijden om te gaan stappen. [Melder] had nog gezegd dat zij dit niet moesten doen want er was alcohol gedronken. De auto was van verdachte en werd ook door hem bestuurd. [slachtoffer 1] zat samen met [Melder] achterin;

[slachtoffer 2] zat voorin, naast de bestuurder. “De chauffeur was dronken”, aldus [Melder] . Toen zij op het park aan het rijden waren, raakte de auto een stoepje en een boom, waarna [Melder] uit de auto is gestapt. De auto reed verder en [Melder] zag dat de auto ongeveer 400 meter verderop een rand van de stoep raakte. De auto kwam in het water en de chauffeur kroop uit de auto. [Melder] is er naartoe gegaan en sprong in het water. Hij probeerde de deuren te openen, maar dat lukte niet want de auto lag op zijn kop.8

In een uitgebreid verhoor op 24 april 2018 heeft [Melder] verklaard dat hij in de nacht van 11 februari 2018 in [plaats 2] op Duinrell in Wassenaar was met meerdere personen, onder wie verdachte. Die avond dronken zij alcohol. Aan verdachte kon [Melder] zien dat hij onder invloed van alcohol was. Toen zij klaar waren om naar Den Haag te gaan, kwam verdachte naar de bungalow van [Melder] met zijn auto, een Skoda Superb. Verdachte bestuurde de auto. [Melder] ging op de achterbank rechts achter de passagiersstoel zitten, naast hem op de achterbank, achter de bestuurdersstoel zat [slachtoffer 1] . [slachtoffer 2] zat op de passagiersstoel voorin en verdachte zat op de bestuurdersstoel. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hadden geen rijbewijs. Ze reden van [plaats 2] over de weg langs de andere bungalows, bij de kruising sloegen ze linksaf en reden ze verder langs het water rechts van hen. Vervolgens gingen ze de weg op waar links de parkeerplaats P3 lag. [Melder] is uit de auto gestapt in de buurt van het Duinhostel-gebouw dat op ongeveer 50 tot 70 meter afstand van die plek stond, ergens achter de rechter bocht. Verdachte reed naar de mening van [Melder] te snel en een beetje gevaarlijk. Al bij de eerste bocht haalde hij die bocht bijna niet. [Melder] hoorde dat de struiken aan de rechterkant van de weg tegen de carrosserie van het voertuig schuurden. [Melder] riep dat verdachte het voertuig moest stoppen en dat hij wilde uitstappen. Verdachte zei dat er niets aan de hand was en dat ze verder gingen. [Melder] waarschuwde verdachte, waarop deze sneller ging rijden. De rijstijl van verdachte maakte [Melder] bezorgd dat er iets kon gebeuren en daarom wilde hij uit de auto stappen. Na het passeren van een bocht naar rechts riep [Melder] naar verdachte om de auto te stoppen en dat hij wilde uitstappen. Verdachte remde het voertuig een beetje af en [Melder] sprong uit de auto. Nadat hij uit het voertuig was gesprongen vervolgde de auto de rit. Toen [Melder] opstond en in de richting van het voertuig keek, hoorde hij dat deze ergens tegenaan botste. In eerste instantie hoorde hij één klap, kort daarna een tweede klap en toen was het stil. Omdat [Melder] geen voertuig zag, rende hij meteen over de weg die het voertuig had genomen. Na ongeveer 300 meter zag hij dat het voertuig op zijn dak in het water lag. Toen [Melder] bij de Skoda aankwam was deze al helemaal onder water, alleen de achterwielen waren zichtbaar. [Melder] sprong in het water en probeerde een deur te openen, maar dat lukte niet. Op het moment dat hij naar de oever ging, merkte [Melder] dat verdachte op het voertuig lag. [Melder] riep naar hem waar [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] waren, maar verdachte reageerde daar niet op; hij gaf geen antwoord en ademde moeilijk. [Melder] is vervolgens naar de beveiliging gerend. 9

Op 11 februari 2018 te 5.35 uur is met toestemming van de verdachte bij hem bloed afgenomen voor onderzoek.10 Uit dit onderzoek is gebleken dat het bloedalcoholgehalte 1,77 milligram ethanol per milliliter bloed bedroeg.11

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij op 11 februari 2018 met zijn auto, een Skoda met het [kenteken] , naar Duinrell te Wassenaar was gereden, waar hij met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in hun huisje wodka en bier heeft gedronken. Verdachte heeft verklaard dat het eerste moment dat hij zich daarna kan herinneren is hoe hij aan het verdrinken was in de auto.12 De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij zijn auto niet vaak uitleent, maximaal één keer per maand en alleen aan familie en vrienden. Hij had zijn auto nog nooit uitgeleend aan [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] of [Melder] .13

Conclusie

[Melder] , die verdachte als de bestuurder van de auto heeft aangewezen, heeft in eerste instantie (kort na het ongeval) een korte verklaring bij de politie afgelegd. Later heeft hij een uitgebreide verklaring afgelegd. Er zitten verschillen tussen zijn eerste en tweede verklaring, maar dat doet de rechtbank niet twijfelen aan de betrouwbaarheid van die verklaringen. Beide verklaringen zijn op hoofdlijnen, maar ook op meer specifieke (relevante) punten consistent en gedetailleerd. Bovendien worden beide verklaringen bevestigd door objectieve gegevens: hetgeen [Melder] heeft verklaard over de rijroute en de incidenten op die route, vindt steun in het door de politie vastgestelde sporenbeeld; en waar [Melder] heeft verklaard dat verdachte gedronken had, vindt dat steun in de uitslag van het onderzoek naar het bloed van verdachte. Bovendien passen de verklaringen van [Melder] precies bij hetgeen getuigen Van [getuige] en de [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben waargenomen. Dat de getuige [Melder] ten tijde van het feit gedronken had, kan aan deze vaststellingen niet afdoen. Gelet hierop zijn de verklaringen van [Melder] betrouwbaar en de rechtbank gebruikt deze verklaringen voor het bewijs.

Dit leidt ertoe dat de rechtbank op grond van de voorgaande bewijsmiddelen vaststelt dat de verdachte ten tijde van het ongeval de bestuurder was van de auto. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat er geen aanknopingspunten zijn voor de vooronderstelling dat een ander dan de verdachte in zijn auto zou hebben gereden, terwijl dat bovendien onaannemelijk is gelet op zijn eigen verklaring dat hij zijn auto slechts zelden uitleende, en dan alleen aan familie en vrienden – en nooit eerder aan de slachtoffers of aan [Melder] .

Zeer onvoorzichtig e/o onoplettend handelen?

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is zeer onvoorzichtig en/of onoplettend handelen, komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het woord ‘zeer’ impliceert dat sprake moet zijn geweest van een grote fout. Naar het oordeel van de rechtbank is het handelen van de verdachte, gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden, als zodanig te kwalificeren.

Voor zover verdachte zich al niet van het risico bewust is geweest, had hij dat risico moeten voorzien en tevens anders kunnen handelen.

Conclusie

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een personenauto heeft bestuurd, terwijl hij onder invloed was van alcohol (alcoholgehalte 1,77 milligram alcohol per milliliter bloed), en zich door zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor twee anderen zijn overleden. Dit leidt tot de navolgende bewezenverklaring.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van verdachte bewezen dat:

1.

hij op 11 februari 2018 te Wassenaar als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmee rijdende op het voor openbaar verkeer afgesloten terrein van

vakantiepark Duinrell, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend als volgt te handelen:

- hij heeft aldaar gereden terwijl hij onder invloed was van alcohol (1,77 milligram

alcohol per milliliter bloed) en

- hij heeft niet de nodige voorzichtigheid in acht genomen en onvoldoende aandacht gehad voor de verkeerssituatie en de verkeersveiligheid ter plaatse en

- hij is daarbij de controle over het door hem bestuurde motorrijtuig verloren en

- van de weg geraakt en van een naast de weg gelegen talud afgereden,

ten gevolge waarvan het motorrijtuig te water is geraakt,

waardoor anderen, genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , zijn overleden,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

hij op 11 februari 2018 te Wassenaar, als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,77 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier jaren.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van eendaadse samenloop van feit 1 en 2, waarbij de strafmaat voor het rijden onder invloed wordt verdisconteerd in de strafmaat voor het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal vrijgesproken dient te worden en heeft zich niet uitgelaten over de strafoplegging.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft onder invloed alcohol een verkeersongeval veroorzaakt waarbij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn overleden. Verdachte heeft onaanvaardbare risico’s genomen door na het drinken van meer dan drie keer de toegestane hoeveelheid alcohol auto te gaan rijden terwijl zich andere inzittenden in zijn auto bevonden. Het leed dat als gevolg hiervan is ontstaan is groot en onherstelbaar. Dit is ook naar voren gekomen in de toelichting bij hun vorderingen benadeelde partij. Deze tragedie heeft hun wereld veranderd, aldus de weduwe van [slachtoffer 1] . De rechtbank is zich ervan bewust dat geen enkele straf het leed dat is veroorzaakt kan compenseren.

De rechtbank neemt in aanmerking dat verdachte, voor zover de rechtbank bekend, niet eerder in aanraking is gekomen met justitie.

In een zaak waarin sprake is van een ernstige verkeersfout (waaronder ook begrepen rijden onder invloed), en waarin dit rijgedrag tot een dodelijk slachtoffer heeft geleid, is – gelet op de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd – uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en 4 jaren ontzegging van de rijbevoegdheid. Daarin is de eendaadse samenloop van overtreding van artikel 6 met overtreding van artikel 8 verdisconteerd. Echter, de rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat sprake is van omstandigheden die maken dat in deze zaak niet met een gevangenisstraf van 24 maanden kan worden volstaan.

Naar het oordeel van de rechtbank geldt als strafverzwarend dat verdachte ondanks de waarschuwingen van [Melder] toch is doorgereden, en bovendien zelfs nadat zijn auto voorafgaand aan het ongeval al enkele keren gedeeltelijk van de weg is geraakt. Dat had voor verdachte een teken aan de wand moeten zijn. Bovendien is strafverzwarend dat

door het gedrag van verdachte niet één maar twee dodelijke slachtoffers zijn te betreuren:

verdachte heeft door zijn rijgedrag in een auto met meerdere inzittenden het risico genomen dat daardoor meerdere verkeersslachtoffers zouden vallen. Dat dit risico zich heeft verwezenlijkt, dient dan ook volledig aan hem te worden toegerekend.

De rechtbank zal aan verdachte daarom de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, opleggen. Met name met het oog op de bescherming van de verkeersveiligheid zal de rechtbank tevens de door de officier van justitie gevorderde ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier jaar opleggen.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregel

7.1

[benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 3.536,55.

7.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 3.536,55, subsidiair 45 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd

[benadeelde 1] .

7.1.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

7.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit. Bovendien is de vordering niet inhoudelijk betwist. De rechtbank zal de vordering derhalve toewijzen tot een bedrag van

€ 3.536,55.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.536,55 ten behoeve van [benadeelde 1] .

7.2

[benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 4.508,91.

7.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 4.508,91, subsidiair 55 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd

[benadeelde 2] .

7.2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

7.2.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit. Bovendien is de vordering niet inhoudelijk betwist. De rechtbank zal de vordering derhalve toewijzen tot een bedrag van

€ 4.508,91.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.508,91 ten behoeve van [benadeelde 2] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen (bijkomende) straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 36 f en 55 van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

de eendaadse samenloop van

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van deze wet

en

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994

(1,77 mg/ml);

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

alsmede tot

een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 (vier) jaren;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan

[benadeelde 1] , een bedrag van € 3.536,55;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 3.536,55 ten behoeve van [benadeelde 1] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 45 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan

[benadeelde 2] , een bedrag van € 4.508,91;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 4.508,91 ten behoeve van [benadeelde 2] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 55 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.A. Lensink, voorzitter,

mr. A.J. Milius, rechter,

mr. C.W. de Wit, rechter,

in tegenwoordigheid van mrs. H.A.F. Tromp en S. van Holsteijn, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 augustus 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018038674, van de politie eenheid Den Haag, district Regionale Operationele Samenwerking, Afdeling Infrastructuur, Team Verkeer, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 85, alsmede een aanvullend proces verbaal met hetzelfde nummer (doorgenummerd blz. 1 t/m 116).

2 Een als bijlage bij het proces-verbaal van onderzoek verkeersongeval gevoegde fotorapportage a, blz. 25 – 26.

3 Proces-verbaal van onderzoek verkeersongeval, blz. 63 – 70.

4 Proces-verbaal aanrijding misdrijf, blz. 3 – 5.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 67 – 68.

6 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 71.

7 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 72 – 73.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 64 – 65.

9 Een Nederlandse vertaling van een in Slowakije in het Slowaaks afgenomen proces-verbaal van verhoor van getuige, aanvullend proces-verbaal blz. 21 – 28.

10 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 69 – 70.

11 Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, gedateerd 15 maart 2018.

12 Verklaring verdachte ter terechtzitting.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 11 februari 2018.