Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9189

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
30-07-2018
Zaaknummer
NL18.11408
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, Nigeria, Nieuwe werkinstructie LHBTI 2018/9, herhaalde aanvraag, afwijzing aanvraag als kennelijk ongegrond kan ook toets nieuwe werkwijze doorstaan, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.11408


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

geboren [geboortedatum],

V-nummer [nummer]

van Nigeriaanse nationaliteit,

eiseres,

(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Jonkman).


Procesverloop
Bij besluit van 15 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.11409, plaatsgevonden op 9 juli 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Voorgeschiedenis en asielrelaas

1. Eiseres is naar eigen zeggen in 2001 Nederland binnengekomen en heeft op 25 juli 2002 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij beschikking van 4 september 2002 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

2. Eiseres heeft voor de tweede keer asiel aangevraagd op 8 december 2015. Aan deze aanvraag heeft eiseres ten grondslag gelegd dat zij lesbisch is. Verweerder heeft deze aanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen bij beschikking van 24 mei 2017. Eiseres heeft haar gestelde seksuele gerichtheid niet aannemelijk gemaakt, aldus verweerder. Door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 augustus 2017 staat deze afwijzing in rechte vast.

3. Op 13 juni 2018 heeft eiseres de nu voorliggende opvolgende asielaanvraag gedaan. Zij heeft daarbij aangegeven over nieuwe bewijsmiddelen te beschikken om haar gestelde seksuele geaardheid aan te tonen.

Het bestreden besluit

4. Verweerder heeft de aanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

5. Het asielrelaas bevat volgens verweerder geen nieuwe elementen die een ander licht werpen op eiseres’ gestelde seksuele geaardheid.

Beoordeling van het bestreden besluit en de beroepsgronden

6. De rechtbank stelt voorop dat is gebleken dat verweerder per 1 juli 2018 een gewijzigde werkinstructie hanteert voor het “horen en beslissen in zaken waarin lhbt-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd”, WI 2018/9 die in de plaats komt van WI 2015/9. De rechtbank zal dan ook beoordelen of de nu voorliggende aanvraag de toets van deze nieuwe werkinstructie kan doorstaan. De rechtbank zal hetgeen daarover door partijen ter zitting naar voren is gebracht daarbij betrekken.

7. In de procedure die heeft geleid tot eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2017 is – samengevat – geoordeeld dat verweerder de verklaringen van eiseres over haar seksuele geaardheid niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Geconcludeerd is dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege haar gestelde seksuele geaardheid bij terugkeer naar Nigeria te vrezen heeft voor vervolging dan wel een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Dit oordeel staat in rechte vast.

8. Verweerder heeft aan die beschikking van 24 mei 2017 ten grondslag gelegd dat eiseres over lesbiennes, homo's, biseksuelen, transgenders (LHBT) in haar land van herkomst, haar persoonlijke ervaringen, de acceptatie van haar seksuele gerichtheid en hoe zij deze gerichtheid ervoer in een samenleving waarin LHBT niet wordt geaccepteerd, vaag en summier heeft verklaard. Verweerder heeft het verder opmerkelijk geacht dat eiseres nooit meer contact heeft gehad of gezocht met haar eerste vriendin [naam 1] na een elf jaar durende verboden liefdesrelatie die gedwongen werd beëindigd vanwege de omstandigheden.

Daarnaast heeft verweerder eiseres tegengeworpen dat zij niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe zij wist dat haar tweede vriendin [naam 2] haar lesbische gevoelens beantwoordde, dat zij niet weet in welke maand [naam 2] is gedood en zij geen nadere informatie is gaan inwinnen, dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard over de duur van de relatie en dat het niet aannemelijk is dat zij zijn betrapt tijdens het verrichten van seksuele handelingen. Verder weet eiseres weinig tot niets te vertellen over de LHBT gemeenschap in Nigeria en Nederland. Ten slotte stelt verweerder dat de omstandigheid dat eiseres pas na vijftien jaar verblijf in Nederland gewag maakt van haar problemen vanwege haar seksuele gerichtheid, ernstig afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van haar verklaringen.

9. Bij de opvolgende asielaanvraag die in deze procedure ter toetsing voorligt heeft eiseres gesteld over nieuwe bewijsmiddelen te beschikken om haar gestelde seksuele geaardheid aan te tonen. Zij heeft gewezen op de motie van Tweede Kamerlid Groothuizen d.d. 30 november 2017, een pasje van Rainbow Nijmegen overgelegd en een aantal verklaringen van derden overgelegd welke de gestelde seksuele geaardheid van betrokkene zouden ondersteunen/bevestigen, te weten:

- Brief van LGBT Asylum Support d.d. 21 november 2017

- Verklaring van gestelde partner: [naam 3]

- Verklaring van [naam 4]

- Verklaring van [naam 5]

- Verklaring van [naam 6] (uit AZC Dronten)

- Verklaring [naam 7]

- Verklaring van [naam 8].

10. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat de nieuwe werkwijze een radicale wijziging in het beleid van verweerder met zich brengt. Zij stelt zich op het standpunt dat de beoordeling van haar aanvraag onder de oude werkwijze niet voldoende is geweest nu haar in die fase alleen maar is tegengeworpen dat ze niet kan verklaren over haar innerlijke processen. Eiseres heeft een uitvoerige verklaring afgelegd, zij heeft een authentiek verhaal.

11. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat in de nieuwe werkinstructie de nadruk minder ligt op bewustwording en zelfacceptatie. Het gaat om het authentieke verhaal van de betrokken vreemdeling. De geloofwaardigheid van dat verhaal wordt integraal beoordeeld.

Het relaas van eiseres is door verweerder als geheel niet geloofwaardig geacht. In dit geval leidt een nieuwe beoordeling niet tot een ander oordeel omdat het relaas ook met de nieuwe verklaring van eiseres en de nu overgelegde stukken vaag blijft, aldus verweerder.

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat de overgelegde verklaringen en hetgeen door eiseres naar voren is gebracht in deze procedure, geen ander licht werpen op de situatie en omstandigheden in de vorige procedure zodat er geen aanleiding bestaat om anders te oordelen, ook niet in het licht van de nieuwe werkinstructie. In tegenstelling tot eiseres ziet de rechtbank in deze nieuwe werkinstructie geen radicale wijziging in het toetsingsbeleid. Weliswaar wordt daarin nu niet meer de nadruk gelegd op bewustwording en zelfacceptatie, er wordt nog steeds uitgegaan van de verklaringen van de vreemdeling die integraal oordelend een authentiek verhaal moeten vormen. Eiseres heeft met haar verklaringen tijdens het gehoor van 13 juni 2018 weliswaar op onderdelen een uitgebreidere verklaring gegeven, maar de onduidelijkheden en tegenstrijdigheden in haar relaas dat aan het besluit van 24 mei 2017 ten grondslag lag, zijn daarmee naar het oordeel van de rechtbank niet weggenomen. Eiseres heeft voornamelijk verklaard over het huwelijk met een man waartoe zij is gedwongen en over het ontstaan van de relatie met [naam 1]. Deze verklaringen bieden nog steeds geen opheldering over de onduidelijkheden omtrent de relatie met en het overlijden van [naam 2] en de vragen omtrent het einde van de relatie met [naam 1]. De door eiseres overgelegde verklaringen van derden bieden deze opheldering evenmin. Daarbij heeft verweerder terecht naar voren gebracht, in lijn met de nieuwe werkinstructie, dat van het merendeel van deze verklaringen niet kan worden vastgesteld door wie zij zijn gedaan omdat de identiteitsbewijzen van de betrokkenen niet zijn overgelegd. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar stelling dat haar niet alledaagse verhaal dus authentiek is en daarom geloofwaardig geacht moet worden.

13. Eiseres heeft in haar beroep nog gewezen op het artikel 'Kunt u dat moment eens

beschrijven? van drs. José Renkens en het rapport ‘Trots of schaamte? De beoordeling van LHBTI asielaanvragen in Nederland na de arresten XYZ en ABC van mr. Sabine Jansen. De rechtbank overweegt dat deze stukken zien op de werkwijze onder WI 2015/9. Deze door verweerder gehanteerde methode van onderzoek en beoordeling is door de Afdeling1 geschikt bevonden. Verweerder hanteert zoals gezegd inmiddels een nieuwe werkwijze die meer lijkt aan te sluiten bij de aanbevelingen uit de genoemde stukken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om deze nieuwe werkwijze in het licht van deze stukken niet acceptabel te achten.

14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Leijen - Westra, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Afdeling 15 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1630