Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9165

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
31-07-2018
Zaaknummer
18.2014
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

homoseksuele gerichtheid, geloofwaardigheid, nieuwe werkinstructie, beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.2014


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juli 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).


Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 januari 2018 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T. van Hoven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser is van Gambiaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] . Op 4 december 2014 heeft hij een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft die aanvraag bij besluit van 2 februari 2015 afgewezen omdat Italië verantwoordelijk was voor de behandeling daarvan. Dat besluit is in rechte vast komen te staan met de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 26 februari 2015 (AWB 15/1974) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 maart 2015 (201501727/1/V3).

  2. Na de uitspraak van de Afdeling is eiser met onbekende bestemming vertrokken, zodat hij niet kon worden overgedragen aan Italië en de overdrachtstermijn ongebruikt is verstreken. Daarmee is Nederland verantwoordelijk geworden voor de asielaanvraag van eiser. Op 30 september 2016 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend.

  3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is. In juli 2009 is eiser betrapt door zijn tante toen hij seks had met een jongen. Zijn tante heeft de hele familie op de hoogte gesteld, zodat eiser zich gedwongen zag te vluchten. Hij heeft toen twee maanden in een hotel gewoond en gewerkt. Eiser heeft na deze twee maanden contact opgenomen met zijn zus, van wie hij hoorde dat zijn vader was overleden. Daarop is hij teruggekeerd naar zijn geboorteplaats om de begrafenis bij te wonen. Hij had gehoord dat het dorpshoofd had bepaald dat gedurende de rouwperiode van zes maanden, niemand iets tegen hem mocht ondernemen. Na de begrafenis kwam eiser erachter dat zijn oom – die inspecteur is bij de politie – de huizen van zijn vader zonder medeweten van de familie had verkocht. Daarop is eiser verhaal gaan halen bij zijn oom. Zijn oom heeft toen een groep jongens op eiser afgestuurd die hem hebben geslagen. Later is eiser opgepakt door de politie en vastgezet. Op voorspraak van het dorpshoofd is hij na twee weken weer vrijgelaten. Na afloop van de rouwperiode is eiser opnieuw opgepakt en vastgezet. Na zes dagen is hij vrijgelaten omdat zijn oma de politie had weten om te kopen. Vervolgens is eiser naar zijn zus gegaan, waar hij vier dagen heeft verbleven en zijn vlucht uit Gambia heeft georganiseerd. Hij heeft Gambia op illegale wijze verlaten. Bij terugkeer vreest eiser vanwege zijn homoseksuele gerichtheid voor de politie, zijn familie en mensen uit zijn omgeving.

  4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De gestelde homoseksuele gerichtheid acht verweerder niet geloofwaardig. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser vage en summiere verklaringen heeft afgelegd over zijn proces van bewustwording en zelfacceptatie. Hij heeft niet uitgebreid en gemotiveerd kunnen verklaren over de eventuele belemmeringen die hij heeft gevoeld om zijn seksuele gerichtheid te accepteren, ook blijkt niet dat hij twijfels heeft gehad. Daar komt bij dat eiser wisselend heeft verklaard op de vraag of zijn ouders bekend zijn geraakt met zijn geaardheid. Gelet op de moeilijke positie van homoseksuelen in Gambia, die eiser ook zelf heeft geschetst, mag van hem worden verwacht dat hij over zijn proces van bewustwording en zelfacceptatie meer zou hebben kunnen verklaren, aldus verweerder. Verder heeft verweerder aan eiser tegengeworpen dat hij geen interne worsteling of verwarring heeft doorgemaakt. Voorts acht verweerder eisers verklaringen over zijn relaties niet geloofwaardig, omdat deze met name gaan over het fysieke contact en niet over gevoelens van affectie. Tot slot vindt verweerder het vreemd dat eiser geen kennis heeft van de strafwetgeving in Gambia ten aanzien van homo's noch van organisaties die opkomen voor de belangen van homo's in Gambia, en opmerkelijk dat eiser zich in Nederland wel actief inzet voor verschillende belangenorganisaties.
    Verweerder acht eisers verklaringen over de betrapping en de problemen met zijn oom evenmin geloofwaardig.

  5. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
    De rechtbank oordeelt als volgt.

  6. Uit de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1630) volgt dat verweerder bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van een gestelde homoseksuele gerichtheid terecht veel waarde hecht aan de verklaringen van een vreemdeling over zijn eigen ervaringen. Daarbij gaat het met name om het bewustwordingsproces. De vreemdeling moet kunnen verklaren over het moment waarop of de periode waarin hij zich bewust is geworden van zijn seksuele gerichtheid, wat deze seksuele gerichtheid voor hem heeft betekend en welke invloed dit heeft gehad voor de manier waarop hij uiting heeft gegeven aan zijn seksuele gerichtheid. Dit alles moet worden bezien tegen de achtergrond van het land van herkomst en de omgeving waar de vreemdeling vandaan komt, waarbij relevant zijn het moment van bewustwording en eventuele andere belangrijke momenten, zoals het aangaan van een relatie.

7. De rechtbank stelt vast dat eiser heeft verklaard dat hij vanaf zijn 12e merkte dat hij mannen leuk vond, maar daar nog niks mee durfde te doen. Hij had wel gevoelens, maar kon die nog verbergen. Ook heeft hij verklaard dat zijn moeder ook voor zijn 12e al zeurde dat hij anders was dan een gewone jongen. Vanaf zijn 14e begon eiser te denken dat ‘dit echt voor hem was, zijn seksualiteit’. Toen hij 14 was ging hij om met [naam1] , zij deden alles samen, maar zijn moeder was niet blij met de manier waarop zij met elkaar omgingen. Ze vond het ‘te kleverig’ en zijn ouders verboden hem nog met [naam1] om te gaan. Vanaf dat moment ging het gesprek over homoseksualiteit, aldus eiser. Eiser heeft verklaard dat hij zich ‘in het paradijs’ voelde met deze vriendschap. Ze gingen eerst als vrienden met elkaar om, maar geleidelijk werd het meer. Tijdens een feestje bij zijn vriend thuis, toen ze elkaar ongeveer een jaar kenden, zocht zijn vriend meer toenadering. Eiser verklaart daarover dat hij zei dat het niet mocht en dat als mensen hen zouden betrappen ze problemen zouden krijgen. Zoenen deden ze wel, ‘seksuele praktijken’ durfde hij niet.
Eiser heeft verder verklaard dat hij voelde dat hij anders was en dat hij dat moeilijk vond. Hij had nog nooit iets over homoseksualiteit gehoord, maar durfde er ook niet met mensen over te praten. Hij heeft verklaard: ‘Bij ons in het dorp bestond het niet. Het mocht niet.’ Eiser hield zijn gevoelens daarom binnen en liet ze niet zien. Voor zichzelf had hij zijn gevoelens wel geaccepteerd. Verder heeft hij verklaard dat zijn ouders het niks vinden en het niet accepteren, dat de maatschappij het niet goed vindt (hij zag het immers nergens) en dat het van zijn religie ook niet mag. Hij vindt het erg verwarrend dat zijn gevoelens tegenstrijdig zijn met wat zijn geloof zegt. Hij kan dit niet vergeten, maar heeft het wat terzijde gelegd en praktiseert minder.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op de hiervoor weergegeven verklaringen, in redelijkheid niet kunnen concluderen dat eiser vaag en summier heeft verklaard over zijn proces van bewustwording, of dat hij geen belemmeringen of verwarring heeft ervaren. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de vraag of zijn ouders bekend zijn geraakt met zijn geaardheid. Dat eiser op enig moment heeft verklaard dat zijn moeder ‘dacht’ dat zijn vriendschap met [naam1] meer was en even later dat zijn ouders ‘het wisten’, is naar het oordeel van de rechtbank niet tegenstrijdig, gelet op de context. Eiser heeft immers verklaard dat zijn moeder al lang ‘zeurde’ dat hij anders was. Vervolgens werd zijn vriendschap met [naam1] niet geaccepteerd door zijn ouders, omdat ze vonden dat de manier waarop zij met elkaar omgingen niet normaal was voor twee jongens. Om die reden werd eiser op zijn 15e naar een ander dorp gestuurd om daar naar school te gaan.

9. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat het opmerkelijk is dat hij zich in Nederland actief inzet voor belangenorganisaties, terwijl hij in Gambia op dat terrein geen enkel initiatief heeft getoond. Eiser heeft verklaard dat de Gambiaanse maatschappij homoseksualiteit niet accepteert, dat hij het ook nooit heeft gezien in zijn omgeving en dat het ook van zijn religie niet mag. Naar het oordeel van de rechtbank is het begrijpelijk dat eiser niet op zoek is gegaan naar belangenorganisaties. Omdat homoseksualiteit in Nederland wel geaccepteerd wordt, is het niet onaannemelijk dat hij zich hier wel actief inzet voor dergelijke organisaties.

10. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en zal het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

11. Op 11 juli 2018 heeft eiser een verzoek tot heropening van het onderzoek ingediend, gelet op de nieuwe werkinstructie 2018/9 “Horen en beslissen in zaken waarin lhbt-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd”. Nu het bestreden besluit reeds gelet op wat hiervoor is overwogen wordt vernietigd, ziet de rechtbank geen aanleiding om het onderzoek te heropenen. Verweerder dient opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen en zal dat conform zijn nieuwe beleid/werkinstructie moeten doen.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.