Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9133

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
10-08-2018
Zaaknummer
NL17.10823
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, omdat eiser niet voldoet aan de sedert 1 januari 2015 geldende verzwaarde eisen ten aanzien van het verlenen van een vrijstelling van het inburgeringsvereiste.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.10823


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juli 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. S.B. Kleerekooper),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder


Procesverloop
Bij besluit van 19 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgewezen en de aanvraag van eiser om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd en verlengd van 20 februari 2017 tot 20 februari 2022.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit, voor zover gericht tegen de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2018.

Eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is met bericht niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996 en heeft de Iraakse nationaliteit.

Aan eiser is bij besluit van 24 februari 2012 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) verleend, met ingang van 20 februari 2012, geldig tot 20 februari 2017.

Op 24 januari 2017 heeft eiser door middel van een daartoe bestemd formulier een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingediend. Daarbij heeft eiser verzocht de aanvraag aan te merken als een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wordt afgewezen wegens het niet voldoen aan het inburgeringsvereiste.

Bij brief van 28 februari 2017 heeft verweerder eiser medegedeeld dat eiser bij zijn aanvraag een kopie van een diploma MBO-1 van Gilde Opleidingen heeft overgelegd, die niet gewaarmerkt is en heeft eiser in de gelegenheid gesteld om een gewaarmerkte kopie van dat document alsnog over te leggen.

Op 22 maart 2017 heeft verweerder van eiser een gewaarmerkte kopie van een diploma MBO-1 ontvangen.

Bij brief van 18 mei 2017 heeft verweerder eiser medegedeeld dat het diploma van een opleiding van middelbaar beroepsonderwijs op niveau 1 voor aanvragen ingediend vanaf 1 januari 2015 niet meer vrijstellend voor het inburgeringsvereiste is1. Eiser voldoet met zijn diploma daarom niet aan het inburgeringsvereiste. Als eiser niet is vrijgesteld of ontheven van het inburgeringsvereiste, moet eiser een kopie van een diploma van minimaal middelbaar beroepsonderwijs op niveau 2 of een kopie van het inburgeringsdiploma overleggen. Verder is eiser medegedeeld dat eiser bij het indienen van de aanvraag gebruik heeft gemaakt van een aanvraagformulier dat hierover deels onjuiste informatie bevat. Voor deze deels onjuiste informatie worden aan eiser excuses aangeboden. De deels onjuiste informatie in het door eiser gebruikte aanvraagformulier kan er toe geleid hebben dat eiser de aanvraag bij kennis van de juiste informatie niet zou hebben ingediend. Eiser wordt daarom in de gelegenheid gesteld om zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd binnen twee weken na dagtekening van deze brief met gebruikmaking van het bij deze brief gevoegde antwoordformulier in te trekken. De door eiser betaalde leges voor het in behandeling nemen van de aanvraag worden dan teruggestort.

Eiser heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2. Op 14 juli 2017 heeft verweerder een voornemen uitgebracht tot afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

3. Eiser heeft op 8 september 2017 een zienswijze ingediend.

Deze zienswijze heeft echter de besluit nemende ambtenaar niet op tijd bereikt, waardoor bij het nemen van een besluit op de aanvraag – ten onrechte – ervan is uitgegaan dat eiser geen zienswijze heeft ingediend.

4.1

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de sedert 1 januari 2015 geldende verzwaarde eisen ten aanzien van het verlenen van een vrijstelling van het inburgeringsvereiste. Tevens heeft verweerder eiser medegedeeld dat de betaalde leges niet worden teruggestort.

4.2

Bij brief van 4 oktober 2017 heeft verweerder alsnog een reactie gegeven op de zienswijze van eiser. Verweerder heeft toegegeven dat in de praktijk na 1 januari 2015 in een aantal zaken verblijfsvergunningen zijn verleend op grond van de voorwaarden, die vóór 1 januari 2015 golden. Dit is veroorzaakt doordat de gewijzigde regelgeving onjuist is vertaald in instructies en aanvraagformulieren. Na constatering van deze situatie heeft verweerder direct actie ondernomen om de onjuiste uitvoeringspraktijk te beëindigen. Verweerder is gehouden om de aanvragen van na 1 januari 2015 te toetsen aan de per die datum gewijzigde en gepubliceerde regelgeving (Staatsblad 2014, 404). Eiser kan geen aanspraak maken op een gelijke behandeling als in de zaken waarin na 1 januari 2015 ten onrechte alsnog een verblijfsvergunning is verstrekt.

5. Eiser kan zich niet verenigen met de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en voert, samengevat, het volgende aan.

Het beroep dient gegrond te worden verklaard en verweerder dient in de proceskosten te worden veroordeeld, omdat het bestreden besluit tot stand is gekomen zonder dat de zienswijze van eiser in de beoordeling is betrokken.

Ten aanzien van eiser had op grond van het gelijkheidsbeginsel dienen te worden beslist ingevolge het beleid dat gold tot aan de brief van verweerder van 1 juni 2017 aan de voorzitter van de Tweede Kamer (TK, vergaderjaar 2016-2017, 32 824, nr. 197). Dat het bestreden besluit is genomen na de publicatie van de brief van 1 juni 2017 maakt dit niet anders. De behandeling van de aanvraag is immers gebeurd op of kort voor 28 februari 2017, hetgeen uit de brief van verweerder van 28 februari 2017 blijkt, waarin is gesteld dat de aanvraag niet compleet zou zijn en dat de overgelegde kopie van eisers diploma niet zou voldoen. Op 22 maart 2017 is door verweerder een gewaarmerkte kopie van het diploma van eiser ontvangen. Daarmee kon op de aanvraag worden beslist, maar dit is ten onrechte nagelaten. Als verweerder op 22 maart 2017 had beslist, was ook aan eiser een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verleend. Deze verblijfsvergunning dient alsnog aan eiser te worden verleend. Subsidiair stelt eiser dat verweerder aan hem de leges dient te vergoeden.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat de zienswijze tijdig is ontvangen op

8 september 2017 en dat in het bestreden besluit ten onrechte niet op de zienswijze is gereageerd. Verweerder is echter bij brief van 4 oktober 2017 alsnog op de zienswijze ingegaan, zodat de brief van 4 oktober 2017 als een nadere motivering van het bestreden besluit dient te worden aangemerkt. Nu eiser in beroep op deze nadere motivering heeft kunnen reageren, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet in zijn belangen is geschaad doordat de zienswijze niet bij de totstandkoming van het bestreden besluit is betrokken. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht het procedurele gebrek in de bestuurlijke fase te passeren. Omdat er geen sprake is van een situatie dat eiser eerst in beroep een reactie op zijn zienswijze heeft ontvangen, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Niet in geschil is dat eiser niet voldoet aan de per 1 januari 2015 gewijzigde voorwaarden voor verlening van een vrijstelling van het inburgeringsvereiste. De vraag die hier voorligt, is of aan eiser desalniettemin een vrijstelling van het inburgeringsvereiste dient te worden verleend op grond van de vóór 1 januari 2015 geldende regelgeving en het feit dat verweerder ook na die datum maar vóór 1 juni 2017 aan personen met een onderwijskwalificatie als die van eiser verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd heeft verleend. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de vergunningverleningen waarop eiser zich beroept, een resultaat zijn van een onjuiste praktijk, ontstaan doordat de gewijzigde regelgeving onjuist is vertaald in instructies en aanvraagformulieren. Nadat verweerder van het bestaan van deze onjuiste praktijk op de hoogte is geraakt, heeft verweerder direct maatregelen genomen om die praktijk te beëindigen en heeft dit bekendgemaakt door publicatie van de eerdergenoemde brief van 1 juni 2017. Gesteld noch gebleken is dat verweerder na deze datum alsnog vrijstellingen van het inburgeringsvereiste, en daarmee vergunningen voor onbepaalde tijd, heeft verleend op grond van de voorgaande onjuiste praktijk.

De stelling van eiser dat indien verweerder op of omstreeks 22 maart 2017 op de aanvraag zou hebben beslist, aan eiser een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd zou zijn verleend, doet hier niet aan af. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij –

ingevolge vaste jurisprudentie – niet gehouden is om gemaakte fouten te herhalen, maar bevoegd is om een onjuiste praktijk per direct te beëindigen. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel kan daarom niet slagen.

Verweerder heeft voorts terecht geen aanleiding hoeven zien om de voor in behandeling neming van de aanvraag verschuldigde leges terug te storten. Eiser is meerdere malen in de gelegenheid gesteld om de aanvraag in te trekken met terugbetaling van de leges. Nu voor het in behandeling nemen van een aanvraag leges zijn verschuldigd en eiser heeft volhard in zijn aanvraag, kan er niet worden gezegd dat de leges ten onrechte zijn betaald.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Zeben - de Vries, rechter, in aanwezigheid van

mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2018.

Griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Met verwijzing door verweerder naar artikel 3.107a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) in samenhang met artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inburgering in samenhang met artikel 2.3 van het Besluit inburgering, in samenhang met artikel 9.1 van het Vb 2000.