Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9100

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
26-07-2018
Zaaknummer
SGR AWB 18/1435
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toezegging subsidie door (toenmalige) burgemeester aan een kunstenaarscollectief (eiseres). Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een brief en tegen het niet tijdig beslissen door verweerder ten aanzien van het al dan niet intrekken van de subsidie. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR AWB 18/1435

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P. Katz),

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder

(gemachtigde: mr. E.E. Schaake).

Procesverloop

In een e-mailbericht van 18 september 2017 van de (toenmalige) burgemeester van Westland staat onder meer het volgende: “Eveneens bevestig ik hierbij het besluit van B&W van 5 en 12 september ’17, waarin aan [eiseres] een budget van €100.000 voor 2017 wordt verstrekt ten behoeve van het programma in de Week van de Opening van het World Horti Center in maart 2018.”

Bij brief van 16 november 2017 heeft verweerder eiseres medegedeeld voornemens te zijn te besluiten om de eerder in de mail van 18 september 2017 gedane toezegging – voor zover daarvan volgens verweerder sprake is – in te trekken, geen verdere betalingen te verrichten en het reeds betaalbaar gestelde bedrag van €40.000,- terug te vorderen.

Bij brief van 18 december 2017 heeft eiseres tegen de brief van 16 november 2017 een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 17 januari 2018 heeft verweerder, naar aanleiding van een op 11 januari 2018 gevoerd gesprek, eiseres verzocht om een overzicht van de daadwerkelijk gemaakte reële kosten.

Bij brief van 26 januari 2018 heeft eiseres verweerder medegedeeld dat de beslistermijn ten aanzien van het al dan niet terugvorderen van de subsidie is verstreken. Eiseres stelt een termijn van twee weken waarbinnen verweerder een definitief besluit zou moeten nemen.

Bij brief van 6 februari 2018 heeft verweerder eiseres verzocht om terugbetaling van het reeds betaalbaar gestelde bedrag van €40.000,-.

Op 9 februari 2018 heeft eiseres hiertegen een bezwaarschrift ingediend.

Op 21 februari 2018 heeft de rechtbank van eiseres een beroepschrift ontvangen tegen het niet (tijdig) nemen van een besluit ten aanzien van de betaling van het resterende bedrag van de subsidie en tegen het verzoek om terugbetaling van de reeds uitbetaalde subsidie.

Bij besluit van 9 maart 2018 heeft verweerder het aan eiseres betaalde bedrag van €40.000,-teruggevorderd en besloten het door eiseres gevorderde bedrag van €60.000,- niet te voldoen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2018.

Eiseres is heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren namens verweerder aanwezig [Persoon X] , [Persoon Y] .

Overwegingen

1.1.

Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publieksrechtelijke rechtshandeling. Van een rechtshandeling in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is sprake indien er een verandering optreedt in de bestaande rechten, verplichtingen of bevoegdheden of wanneer het bestaan van rechten, verplichtingen, bevoegdheden bindend wordt vastgesteld. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid van de Awb kan alleen tegen een besluit door een belanghebbende beroep bij de rechtbank worden ingesteld.

1.2.

Voor het oordeel dat sprake is van een ontvankelijk beroepschrift, is in beginsel noodzakelijk dat er sprake is van een besluit dat is genomen naar aanleiding van een bezwaarschrift, of van het niet tijdig nemen van een besluit.

2.1.

Eiseres beschouwt het voornemen van 16 november 2017 als besluit en heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend. Volgens eiseres heeft de brief van 17 januari 2018 in dit verband als beslissing op bezwaar te gelden. De rechtbank overweegt dat deze brief een weergave omvat van een gesprek dat op 11 januari 2018 heeft plaatsgevonden en een nadere toelichting op het door verweerder in dit gesprek ingenomen standpunt. Voorts wordt eiseres in de brief verzocht een overzicht te verstrekken van de door haar gemaakte kosten vanaf 18 september 2017, in verband met de voorbereiding van de opening van het World Horti Center. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de brief van 17 januari 2018 niet als beslissing op bezwaar kan worden gezien. Hierbij is van belang dat verweerder niet gemeend heeft een beslissing op bezwaar te nemen en dat uit de redactie van de brief op geen enkele wijze op valt te maken dat hiermee beslist wordt op het bezwaarschrift gericht tegen het voornemen van 16 november 2017, noch overigens dat überhaupt sprake is van een besluit in de zin van de Awb. Dit betekent – zoals door de gemachtigde van verweerder ter zitting bevestigd – dat de bezwarenprocedure gericht tegen het voornemen nog loopt. Tegen de in dit verband nog te nemen beslissing op bezwaar zal door eiseres beroep kunnen worden ingesteld. Het beroep voor zover gericht tegen de brief van 17 januari 2018 is dan ook niet-ontvankelijk.

2.2.

Het beroepschrift richt zich voorts tegen het niet tijdig beslissen door verweerder. Volgens eiseres diende verweerder uiterlijk binnen dertien weken na de voornemenbrief van 16 november 2017 een definitief besluit te nemen over het al dan niet terugvorderen van de verstrekte subsidie. Eiseres verwijst in dit verband naar artikel 4:56 van de Awb. De rechtbank overweegt dat de bedoelde brief het voornemen bevat om de in de e-mail van 18 september 2017 door de (toenmalige) burgemeester gedane toezegging in te trekken, geen verdere betalingen aan eiseres te verrichten en het reeds betaalbaar gestelde bedrag van €40.000,- terug te vorderen. Zoals door eiseres erkend, blijkt uit deze brief niet dat verweerder een ernstig vermoeden had dat grond bestond om toepassing te geven aan artikel 4:48 (of 4:49) van de Awb. Anders dan door eiseres gesteld, is de rechtbank dan ook van oordeel dat artikel 4:56 van de Awb niet van toepassing is (nog los van de vraag of hierin een beslistermijn van dertien weken is bepaald). Dit leidt tot de conclusie dat er reeds hierom geen sprake is van het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder, zodat het beroep ook in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3.

Eerst bij besluit van 9 maart 2018 heeft verweerder het reeds betaalde bedrag van €40.000,- van eiseres teruggevorderd en besloten het door eiseres gevorderde bedrag van €60.000,- niet te voldoen. De gemachtigde van eiseres heeft desgevraagd ter zitting te kennen gegeven hiertegen geen bezwaar te hebben gemaakt, maar heeft de rechtbank verzocht dit besluit op de voet van artikel 6:20 van de Awb te betrekken bij het reeds aanhangige beroep. De rechtbank overweegt dat artikel 6:20, vierde lid, van de Awb de rechtbank de mogelijkheid biedt de beslissing op het beroep te verwijzen naar een ander orgaan waarbij bezwaar of beroep tegen het alsnog genomen besluit aanhangig is, dan wel kan of kon worden gemaakt of ingesteld. Hierbij is niet de eis gesteld dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen ontvankelijk is. De rechtbank zal dan ook bepalen dat verweerder het beroep van eiseres, voor zover gericht tegen het reële besluit van 9 maart 2018, als bezwaarschrift in behandeling dient te nemen.

3.1.

Gezien het voorgaande is het beroep, voor zover gericht tegen de brief van 17 januari 2018 en voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen door verweerder, niet-ontvankelijk. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 9 maart 2018 zal door verweerder als bezwaarschrift in behandeling dienen te worden genomen.

3.2.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de brief van 17 januari 2018 en voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen door verweerder, niet-ontvankelijk;

  • -

    bepaalt dat verweerder het beroep van eiseres voor zover gericht tegen het besluit van 9 maart 2018 in behandeling neemt als bezwaarschrift.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.