Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:9033

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
07-08-2018
Zaaknummer
C/09/490538 / HA ZA 15-702
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

vervolg ECLI:NL:RBDHA:2016:13199, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 02 11 2016, beroepsfout advocaat, echtscheiding, afwikkeling huwelijkse voorwaarden, trial within a trial

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/490538 / HA ZA 15-702

Vonnis van 31 januari 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. E.P.D. van Grondelle te Heemstede,

tegen

[gedaagde] , h.o.d.n. [naam] Advocaten,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam.

Partijen worden hierna [eiser] en mr. [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 2 november 2016 (hierna: het tussenvonnis);

  • -

    de akte na tussenvonnis van de zijde van [eiser] , met producties 19 tot en met 35;

  • -

    de antwoordakte na tussenvonnis van de zijde van mr. [gedaagde] , met productie G12;

  • -

    de brief van 19 juni 2017 van de zijde van [eiser] , met productie 36;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 4 juli 2017;

  • -

    de brief van 13 juli 2017 van de zijde van [eiser] , met productie 37.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 2 november 2016 geoordeeld dat mr. [gedaagde] aansprakelijk is tegenover [eiser] wegens tekortschieten in de nakoming van de aan hem verleende opdracht tot indiening van een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen (hierna: de beroepsfout). Vordering I van [eiser] (zie de weergave van de vorderingen van [eiser] in 3.1 van het tussenvonnis) heeft de rechtbank toewijsbaar geacht. In afwachting van de uitkomst van het debat over de omvang van de schade, heeft zij deze beslissing niet in het dictum vastgelegd. Na het tussenvonnis heeft [eiser] financiële informatie in het geding gebracht, aan de hand waarvan nu zal worden beoordeeld of vordering II, sub a en b (schade ter hoogte van de te betalen overbedelingsvergoeding van € 120.000, te vermeerderen met de correctiefactor ex artikel 3.11 van het convenant en ten gevolge van de verdeling bij helfte van de DBV-polis) toewijsbaar is. Vordering II, sub c en d is blijkens het tussenvonnis niet vatbaar voor toewijzing.

2.2.

De rechtbank begroot de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Voor zover de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, wordt zij door de rechtbank geschat (artikel 6:97 BW).

2.3.

In 4.29 van het tussenvonnis is wat betreft de schadeomvang overwogen dat bezien moet worden, aan de hand van een beschrijving en waardering van het vermogen van zowel [eiser] als [A] per 1 juli 2002, wat het financiële resultaat van een verrekening overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden en artikel 1:141 lid 3 BW zou zijn geweest en dat dit resultaat moet worden afgezet tegen de in het convenant overeengekomen regeling ter zake de ‘verdeling’. Tevens is overwogen dat vervolgens beoordeeld moet worden, in aanmerking genomen de wens van [eiser] dat [A] en de kinderen hun leven “redelijk gelijkwaardig” zouden kunnen voortzetten, waarbij [eiser] (in ieder geval) de voldoening van een bedrag van € 50.000 aan [A] voor ogen heeft gehad, in hoeverre het verschil in redelijkheid als schade aan mr. [gedaagde] wegens schending van zijn zorgplicht kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW).

Peildatum

2.4.

Voordat geïnventariseerd kan worden welke vermogensbestanddelen in de eindafrekening moeten worden betrokken, moet een peildatum worden vastgesteld. Hierover is na het tussenvonnis discussie ontstaan. [eiser] stelt dat de datum van het feitelijk uiteengaan van hem en [A] – 1 juli 2002 – als peildatum moet worden gehanteerd. Mr. [gedaagde] stelt dat moet worden aangesloten bij de datum van de indiening van het gemeenschappelijk echtscheidingsverzoek, 21 september 2004. Hij voert daartoe aan dat [A] bij een verrekening in 2004 een latere peildatum dan 1 juli 2002 zou hebben gewenst, namelijk een datum in 2004, kort samengevat omdat 1) zij na 1 juli 2002 haar inkomen heeft gebruikt om kosten van de gemeenschappelijke huishouding te voldoen, 2) [eiser] en zij na 1 juli 2002 van hun overgespaard inkomen auto’s hebben gekocht, 3) zij zou hebben willen van profiteren van de sinds 1 september 2002 in de wet opgenomen beleggingsleer.

2.5.

[eiser] en [A] hebben in hun huwelijkse voorwaarden niets bepaald over de te hanteren peildatum in het geval van echtscheiding. Het wettelijk uitgangspunt is – en was dat ook destijds (in 2002 en in 2004) – dat de datum van de indiening van het gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding als peildatum voor de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen wordt gehanteerd (artikel 1:141, lid 2, BW jo. artikel 1:142, lid 1, sub b BW). Daarbij geldt dat [eiser] en [A] , nu sprake is van regelend recht, de mogelijkheid hadden om van die peildatum af te wijken. De stelplicht en bewijslast van feiten waaruit volgt dat [eiser] en [A] de bedoeling (zouden) hebben gehad om af te wijken van dit uitgangspunt, rust op [eiser] op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv.

2.6.

[eiser] en [A] zijn zelf steeds ervan uitgegaan dat hun huwelijk op het moment van hun feitelijk uiteengaan is beëindigd. De rechtbank wijst op de bijlage bij een door [eiser] opgevraagd alimentatieadvies van 8 juli 2002 (productie 1 van mr. [gedaagde] ), waarin is vermeld: Ad 4. Pensioen De door ons beide afzonderlijk opgebouwde pensioenrechten bij onze vorige en huidige werkgevers vanaf de datum van ons samenlevingscontract tot het moment van beëindiging van ons huwelijk (1 juli 2002) zal wederzijds gelijkelijk verdeeld worden.’ In het concept-echtscheidingsconvenant van juni 2003 en december 2003 (productie 3 en 4 van mr. [gedaagde] ) is de peildatum 1 juli 2002 genoemd. Bij het opstellen van deze concepten zijn [eiser] en [A] er weliswaar van uitgegaan dat zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Niets duidt er evenwel op dat hun gezamenlijke bedoeling om de vermogensrechtelijke gevolgen van hun echtscheiding per de datum van hun feitelijke uiteengaan in te doen treden afhankelijk was van het huwelijksvermogensregime waaronder zij waren gehuwd. De peildatum van 1 juli 2002 in die concepten wijkt evenzeer af van het toen geldende wettelijk uitgangspunt voor de huwelijksgemeenschap. Destijds (tot 1 januari 2012) gold op grond van artikel 1:93 BW de datum van ontbinding van het huwelijk als peildatum voor de ontbinding van de huwelijksgemeenschap en daarmee voor de bepaling van de omvang van die gemeenschap. Bovendien hebben zij vanaf 1 juli 2002 een financieel gescheiden huishouding gevoerd en heeft [eiser] de woning te Noordwijkerhout aangekocht, waarbij er geen enkel aanknopingspunt is dat zij toen hebben beoogd dat de betaling van rente en de aflossing van de hypothecaire geldlening, die zij ter zake (gezamenlijk) zijn aangegaan, mede voor rekening van [A] zou komen.

2.7.

Mr. [gedaagde] heeft zijn verweer dat [A] na 1 juli 2002 heeft bijgedragen in gezamenlijke kosten van de huishouding uitsluitend gebaseerd op een aanname, zonder deze te onderbouwen met financiële gegevens. De rechtbank verwerpt dit verweer derhalve. Ook verwerpt de rechtbank het verweer dat [A] voor een latere peildatum dan 1 juli 2002 zou hebben gekozen vanwege de aanschaf van de auto’s. In dat geval zou de waarde van de auto’s in de verrekening zijn betrokken, die vanwege de omstandigheid dat de afschrijving van auto’s direct na de aanschaf hoog is, lager zou zijn geweest dan de hoogte van de spaargelden per 1 juli 2002. Tot slot geldt dat de inwerkingtreding van de Wet regels verrekenbedingen per 1 september 2002, waarop mr. [gedaagde] zich beroept, niet onverkort zou hebben geleid tot toepassing van de beleggingsleer bij de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, gelet op de jarenlange onduidelijkheid in de literatuur en jurisprudentie over de reikwijdte van deze leer.

2.8.

De rechtbank neemt derhalve als peildatum 1 juli 2002.

Schade bestaande uit het bedrag dat [eiser] aan [A] moet voldoen op grond van het convenant uit hoofde van overbedeling

2.9.

[eiser] stelt dat hij door de beroepsfout van mr. [gedaagde] ten onrechte sprake is van een overbedelingsvordering van € 129.075 (zoals ter zitting naar voren gebracht: € 120.000 inclusief de in artikel 3.11 van het convenant genoemde correctiefactor) van [A] op hem. De hoogte van de overbedelingsvordering van [A] op [eiser] op grond van het convenant heeft mr. [gedaagde] niet betwist en neemt de rechtbank derhalve als vaststaand tot uitgangspunt.

2.10.

De huwelijkse voorwaarden van [eiser] en [A] – opgesteld in 1990 – bevatten een zogenaamd Amsterdams verrekenbeding (artikel 1). Dit stelsel gaat uit van een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen. Daaraan is toegevoegd (artikel 3) dat [eiser] en [A] aan het einde van elk kalenderjaar ter verrekening bij helfte bijeenvoegen wat van hun jaarlijkse gewone inkomsten na voldoening van de kosten de huishouding onverteerd is gebleven (een periodiek verrekenbeding). Het doel van het verrekenbeding is dat de echtgenoten door periodieke verrekening in staat zijn hun aandeel in de onverteerde inkomsten, door belegging, te besteden aan vorming en vermeerdering van hun eigen vermogen. [eiser] en [A] hebben tijdens hun huwelijk geen uitvoering gegeven aan dit periodiek verrekenbeding. Daarom hadden zij bij hun echtscheiding in 2004 overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden en het eerste lid van artikel 1:141 BW een eindafrekening moeten opstellen. In dat kader is het derde lid van genoemd artikel leidend. Daarin is bepaald dat indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als bedoeld in het eerste lid niet is voldaan, het alsdan aanwezige vermogen vermoed wordt te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.

2.11.

Per de peildatum – 1 juli 2002 – was, voor zover relevant voor het onder II, sub a, gevorderde, in ieder geval het volgende vermogen aanwezig:

  • -

    de woning te [woonplaats 1] op naam van [eiser] ;

  • -

    de aandelen in RWN Holding B.V. op naam van [eiser] ;

  • -

    het spaargeld op naam van [eiser] en [A] , en op naam van hun kinderen;

  • -

    de gezamenlijke inboedel.

2.12.

De woning te Noordwijkerhout en de auto’s van [eiser] en [A] zijn verkregen na de peildatum, zodat de waarde van deze bestanddelen niet in de verrekening wordt betrokken.

De woning te [woonplaats 1]

2.13.

Vaststaat dat de woning te [woonplaats 1] , in afwijking van het vermoeden van artikel 1:141, lid 3, BW, niet behoort tot het te verrekenen vermogen. Het geschil van partijen ziet uitsluitend op de vraag of en in hoeverre uit overgespaard inkomen is afgelost op de aan deze woning verbonden hypothecaire geldleningen, en voorts in hoeverre [A] op die grond in 2004 aanspraak had kunnen maken op verrekening.

2.14.

Blijkens de na het tussenvonnis ingediende stukken zijn tijdens het huwelijk van [eiser] en [A] drie hypothecaire geldleningen aan de woning te [woonplaats 1] verbonden geweest. Op 30 december 1988 heeft [eiser] de eerste hypothecaire geldlening van NLG 213.000 (€ 96.655) afgesloten bij de Amsterdam-Rotterdam Bank. Op dezelfde datum is een perceel grond aan [eiser] overgedragen ten behoeve van de bouw van de woning te [woonplaats 1] . Deze eerste hypothecaire geldlening is op 15 januari 1999 overgesloten bij ABN-AMRO. De jaaropgave 1999 van ABN AMRO (voorheen Amsterdam-Rotterdam Bank) vermeldt dat de eerste hypothecaire geldlening per 1 januari 1999 NLG 210.905,08 (€ 95.704,33) bedroeg. De tweede hypothecaire geldlening is op naam van [eiser] en [A] gezet. In hoofdsom is een bedrag van NLG 230.000 (€ 104.369,44) geleend. Op 13 mei 2002 is de tweede hypothecaire geldlening overgesloten bij BLG Hypotheekbank. De nota van afrekening van de notaris vermeldt dat de tweede hypothecaire geldlening op dat moment € 104.588,05 bedroeg. De derde hypothecaire geldlening is op naam van [eiser] en [A] gezet. In hoofdsom is een bedrag van € 225.000 geleend.

2.15.

[eiser] stelt dat uitsluitend ter zake van de eerste hypothecaire geldlening aflossingen zijn verricht. Dit was in de huwelijkse periode (vanaf 8 juni 1990) in totaal een bedrag van € 808, welk bedrag is voldaan uit overgespaarde inkomsten. Dit betekent dat in 2004 een bedrag van € 404 met [A] had moeten worden verrekend, aldus [eiser] .

2.16.

Mr. [gedaagde] voert aan dat gedurende de gehele huwelijkse periode uit overgespaard inkomen is afgelost op alle hypothecaire geldleningen. Voor wat betreft de eerste hypothecaire geldlening moet dit een bedrag € 8.571,62 zijn geweest, gelet op het geleende bedrag, de verschuldigde rente en de looptijd van de lening. In zoverre zou het in 2004 met [A] te verrekenen bedrag hoger zijn geweest dan [eiser] stelt. Voorts stelt mr. [gedaagde] dat [A] daarnaast – naar evenredigheid van haar aandeel in de aflossingen – aanspraak kon maken op de waardestijging van de woning te [woonplaats 1] , nu deze woning door de aflossingen fors in waarde is gestegen, hetgeen eveneens volgens mr. [gedaagde] meebrengt dat een hoger bedrag dan [eiser] stelt zou zijn verrekend.

2.17.

Uit de door partijen ingediende stukken ter zake van het oversluiten van de hypothecaire geldleningen blijkt dat alleen op de eerste hypothecaire geldlening is afgelost. Dat op de andere hypothecaire geldleningen is afgelost, zoals mr. [gedaagde] in zijn antwoordakte na tussenvonnis heeft gesteld, heeft hij niet onderbouwd. De rechtbank gaat aan dit verweer derhalve voorbij. Zij zal hierna de hoogte van de aflossingen op de eerste hypothecaire geldlening beoordelen en of aan [A] in dat verband alleen een nominaal bedrag toekwam, dan wel diende mee te delen in de waardestijging van de woning te [woonplaats 1] .

2.18.

Ter zake van de hoogte van de aflossingen op de eerste hypothecaire geldlening treft het verweer van mr. [gedaagde] doel. De rechtbank acht onvoldoende toegelicht dat op de betreffende annuïteitenhypotheek – bij een geleend bedrag van € 213.000, een rente van 6,7% en een looptijd van 30 jaar – slechts de door [eiser] gestelde € 950 is afgelost. De jaaropgave 1990 die [eiser] ter onderbouwing in het geding heeft gebracht, verschaft in dit kader onvoldoende inzicht, terwijl andere verificatoire stukken zoals de eindafrekening van de notaris ter gelegenheid van het oversluiten van de hypotheek ontbreken. Aldus gaat de rechtbank ervan uit dat gedurende de looptijd van de eerste hypothecaire geldlening in totaal een bedrag € 8.571,62 is afgelost, zoals mr. [gedaagde] heeft berekend. Dit leidt ertoe dat bij een verrekening in 2004 in ieder geval een nominaal bedrag van € 4.285,81 met [A] had moeten worden verrekend.

2.19.

Het verweer van mr. [gedaagde] dat [A] voorts recht zou hebben gehad op een deel van de waardevermeerdering van de woning te [woonplaats 1] gaat niet op. In de al in 2004 geldende jurisprudentie (HR 3 oktober 1997, NJ 1998/383 (Bal/Keller) en HR 2 maart 2001, NJ 2001/583 (Slot/Ceelen) is uitgemaakt dat wanneer de aan de echtgenoten in privé toebehorende, buiten de verrekening blijvende goederen geen inkomsten hebben opgeleverd, maar tijdens het bestaan van het huwelijk wel in waarde zijn gestegen, zulke waardestijgingen niet moeten worden verrekend als waren zij voortgekomen uit overgespaarde inkomsten. Vaststaat dat de woning te [woonplaats 1] eigendom is van alleen [eiser] , dat deze buiten de verrekening blijft en geen inkomsten heeft opgeleverd. Derhalve wordt de waardestijging van de woning niet verrekend. Dat [eiser] en [A] overgespaard inkomen hebben gebruikt ter aflossing van een op de woning te [woonplaats 1] rustende hypothecaire geldlening maakt dit niet anders. De aflossing betreft geen belegging, maar slechts een vermogensverschuiving, in die zin dat het spaargeld van [eiser] en [A] is verminderd, waardoor de eerste hypothecaire geldlening is verlaagd. Tussen deze vermogensverschuiving – waarop het nominale bedrag van € 4.285,81 ziet – en de waardevermeerdering van de woning bestaat geen oorzakelijk verband.

2.20.

Mr. [gedaagde] heeft achter punt 8 van de antwoordakte na tussenvonnis nog opgemerkt dat [A] heeft meebetaald aan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, waaronder de rentelasten voor de woning te [woonplaats 1] , met een geschat bedrag van € 120.000. Volgens hem moet dit bedrag – als [A] niet meedeelt in de waardevermeerdering van de woning te [woonplaats 1] – worden gezien als overgespaard inkomen en in de verrekening worden betrokken, omdat [A] op grond van artikel 2 van de huwelijkse voorwaarden niet tot het doen van deze betalingen verplicht was. Dit verweer verwerpt de rechtbank. Allereerst geldt dat huishoudelijke kosten, waartoe ook de rentelasten voor een echtelijke woning worden gerekend, op grond van artikel 1:141, lid 1 en 3, BW niet worden aangemerkt als overgespaard inkomen. Overgespaard inkomen betreft immers hetgeen echtgenoten per saldo samen overhouden nadat zij van hun inkomens de huishoudelijke kosten hebben voldaan. Daaruit volgt ook dat de vraag wie de huishoudelijke kosten heeft voldaan in het kader van de verrekening van het huwelijksvermogen niet relevant is. Verder geldt dat op grond van de huwelijkse voorwaarden (artikel 2) alle kosten van de gemeenschappelijke huishouding door [eiser] worden gedragen. Slechts de verschuldigde inkomsten en vermogensbelasting komen ten laste van het inkomen, respectievelijk het vermogen van iedere echtgenoot naar evenredigheid. Ter zake de verrekening van kosten en belastingen zijn [eiser] en [A] in de algemene voorwaarden een vervalbeding overeengekomen met een termijn van zes maanden na afloop van enig kalenderjaar (artikel 4). Allereerst ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor de conclusie dat [A] – mr. [gedaagde] heeft zijn stelling op dit punt niet met (dossier)gegevens van [A] onderbouwd – gedurende het huwelijk tot 1 juli 2002 méér kosten voor haar rekening heeft genomen dan waartoe zij op grond van de huwelijkse voorwaarden gehouden was. Daartoe is onvoldoende – zoals mr. [gedaagde] stelt – dat [eiser] en [A] geen vermogensbelasting hebben afgedragen. Bovendien is de rechtbank met [eiser] van oordeel dat zelfs als er per 1 juli 2002 enig bedrag te verrekenen zou zijn geweest wegens huishoudelijke kosten, mr. [gedaagde] geen feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat een beroep van [eiser] op het vervalbeding in de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn geweest.

De aandelen

2.21.

Vaststaat dat de aandelen van [eiser] in RWN Holding B.V. behoren tot het te verrekenen vermogen. Uit het deskundigenrapport van drs. T.C.A. Boringa RA inzake de waardering van de aandelen per 1 juli 2002 volgt dat de waarde van de aandelen per de peildatum € 14.795 netto bedroeg. Dit betekent dat [eiser] bij een verrekening in 2004 een bedrag van € 7.397,50 met [A] had moeten verrekenen.

Het spaargeld

2.22.

Vaststaat dat het spaargeld van [eiser] en [A] (het gezamenlijk gespaard vermogen) behoort tot het te verrekenen vermogen. Gelet op de peildatum en de onweersproken stelling van [eiser] dat gedurende het jaar 2002 sterk is ingeteerd op het spaargeld, acht de rechtbank het redelijk een gemiddeld spaarsaldo per 1 juli 2002 in aanmerking te nemen. Het te verrekenen vermogen bedraagt dan € 14.065. Dit betekent dat [eiser] bij een verrekening in 2004 een bedrag van € 7.032,50 met [A] had moeten verrekenen. Het spaargeld van de kinderen wordt buiten de verrekening gehouden, nu er geen aanknopingspunten zijn dat [eiser] en [A] het spaargeld van de kinderen in de afwikkeling van hun echtscheiding zouden hebben willen betrekken.

De inboedel

2.23.

Vast staat dat [eiser] en [A] de inboedel in onderling overleg feitelijk hebben verdeeld. De waarde daarvan wordt derhalve niet in de verrekening betrokken.

2.24.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat als [eiser] en [A] in 2004 een eindafrekening hadden opgesteld overeenkomstig hun huwelijkse voorwaarden en artikel 1:141, lid 1 en 3, BW, [eiser] een bedrag van: € 4.285,81 + € 7.397,50 + € 7.032,50 = afgerond € 18.716 aan [A] had moeten voldoen.

De bereidheid van [eiser] een bedrag aan [A] te voldoen

2.25.

De rechtbank acht voor de beoordeling van de schade van [eiser] voorts van belang dat [eiser] bereid was – de uitkomst van een afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden daargelaten – (in ieder geval) een bedrag van € 50.000 aan [A] te voldoen, gelet op zijn wens dat [A] en de kinderen na de echtscheiding hun leven ‘redelijk gelijkwaardig’ zouden kunnen voortzetten. Derhalve moet ervan worden uitgegaan [eiser] in plaats van een bedrag van € 18.716 in ieder geval € 50.000 aan [A] wilde vergoeden.

2.26.

Mr. [gedaagde] heeft naar voren gebracht dat [A] geen genoegen zou hebben genomen met € 50.000 en dat [eiser] een bedrag van € 120.000 zou hebben voldaan. Uitgaande van de situatie zonder beroepsfout, zou het gestelde niet-genoegen nemen van [A] evenwel geen steun hebben gevonden in het recht. [eiser] was zonder beroepsfout, anders dan in het geval van een verdeling van de huwelijksgemeenschap waarbij de woning te [woonplaats 1] mede tot het te verdelen vermogen zou hebben behoord, immers rechtens verplicht tot betaling van (slechts) € 18.716 aan [A] . De rechtbank houdt derhalve bij haar beoordeling van de schadeomvang geen rekening met de door [eiser] gestelde uitkomst van de onderhandelingen tussen [eiser] en [A] . Iets anders is dat [eiser] ook zonder beroepsfout een kosten-batenafweging zou hebben gemaakt ter vermijding van gerechtelijke procedures op initiatief van [A] . Naar schatting houdt de rechtbank rekening met een verhoging van het oorspronkelijke aanbod met € 15.000 op die grond, met als resultaat een betaling van [eiser] aan [A] van € 65.000.

2.27.

Voor zover mr. [gedaagde] opnieuw wijst op de eigen verantwoordelijkheid van [eiser] bij de ondertekening van het convenant van een regeling die duidelijk afweek van hetgeen hem oorspronkelijk voor ogen stond en de omstandigheid dat [eiser] heeft aangedrongen op een spoedige afwikkeling van de echtscheiding, verwerpt de rechtbank die verweren onder verwijzing naar het tussenvonnis. Het was nu juist aan mr. [gedaagde] als advocaat om [eiser] deugdelijk voor te lichten over hetgeen hij ondertekende en voor zover nodig later tot indiening van het gemeenschappelijk verzoekschrift over te gaan.

2.28.

De rechtbank verwerpt ten slotte het verweer van mr. [gedaagde] dat een verrekening van het vermogen van [eiser] en [A] conform de huwelijkse voorwaarden en artikel 1:141 lid 3 BW gevolgen zou hebben gehad voor de op grond van het convenant verschuldigde bijdrage van [eiser] in het levensonderhoud van [A] . De in het convenant overeengekomen maandelijkse bijdrage van € 1.067,01 is gebaseerd op een jusvergelijking zoals opgenomen in productie 12 bij dagvaarding, waaruit volgt dat bij die bijdrage [eiser] en [A] een gelijke jus hebben. Bovendien geldt dat ongeacht de beroepsfout [eiser] en [A] een hypotheek van € 750.000 zijn aangegaan in verband met de aankoop van de woning in Noordwijkerhout, waarvoor de lasten voor rekening van [eiser] kwamen. Anders dan Mr. [gedaagde] heeft betoogd, kan er derhalve niet vanuit worden gegaan dat de draagkracht van [eiser] in de situatie zonder beroepsfout hoger zou zijn geweest dan nu het geval is.

2.29.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de schade van [eiser] ter zake van deze schadepost naar schatting een bedrag van € 129.075 minus € 65.000 beloopt, derhalve
€ 64.075. Voor zover de op dit onderdeel gestelde schade dit bedrag overstijgt komt die schade niet als toerekenbaar aan de beroepsfout van mr. [gedaagde] voor vergoeding in aanmerking.

Schade bestaande uit het bedrag dat [eiser] op grond van het convenant aan [A] moet voldoen vanwege de verdeling DBV-polis

2.30.

Uit het afschrift van de DBV-polis die [eiser] na het tussenvonnis van 2 november 2016 als productie 32 in het geding heeft gebracht, blijkt dat hij deze polis op 3 mei 2002 is aangegaan bij DBV Verzekeringen. De polis bestaat uit een pensioendeel, een stamrechtdeel en een lijfrentedeel. Het pensioendeel heeft betrekking op door [eiser] voor het huwelijk en tijdens het huwelijk bij Fokker en/of Hewlett-Packard opgebouwde pensioenrechten. Het stamrechtdeel heeft betrekking op een ontbindingsvergoeding van Hewlett-Packard. De herkomst van de premie voor het lijfrentedeel staat niet in de polis beschreven. [eiser] stelt thans dat de DBV-polis voor wat betreft de voorhuwelijks opgebouwde pensioenrechten en het stamrechtdeel volgens het convenant ten onrechte bij helfte met [A] moet worden gedeeld, hetgeen het gevolg is van de beroepsfout van mr. [gedaagde] . Het daarmee gemoeide schadebedrag berekent hij op € 48.291,55, onderbouwd met een memo van KWPS B.V. Mr. [gedaagde] heeft dit rapport betwist onder overlegging van brief van MPLA van Akkermans & Partners.

2.31.

In artikel 4.4 van het convenant is bepaald: ‘De man heeft pensioen opgebouwd bij DBV, op welke de Wet Verevening Pensioenrechten niet van toepassing is. Het pensioenkapitaal is belegd en wordt beheerd door Dryden (www.dryden.com). De waarde per 6 augustus 2004 bedraagt USA Dollars 165.938,46 en is een momentopname. In artikel 4.6 van convenant is bepaald: ‘het door de man opgebouwde recht op voormeld ouderdomspensioen zal bij helfte tussen partijen worden verdeeld. Het pensioen blijft tot de 65-jarige leeftijd van de man in beheer bij DBV en zal tussentijds niet door de man worden afgekocht. De man geeft hierbij aan de pensioenmaatschappij een onherroepelijke volmacht om vanaf zijn 65-jarige leeftijd rechtstreeks de helft van zijn pensioenuitkering over te maken aan de vrouw.’

2.32.

De einddatum van de DBV-polis (thans ondergebracht bij REAAL) is 1 december 2022. [A] en [eiser] zullen alsdan op grond van het convenant van de pensioenmaatschappij rechtstreeks een bruto pensioenuitkering ontvangen ter hoogte van de helft van de waarde van de polis per de einddatum. Over dit bedrag dienen zij alsdan belasting af te dragen. Het als gevolg van de beroepsfout van mr. [gedaagde] aan [eiser] ten titel van schadevergoeding te vergoeden bedrag betreft een netto bedrag. Dit betekent dat de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de beroepsfout van [eiser] op dit punt bestaat uit het verschil tussen de netto pensioenuitkering die hij op grond van het convenant zal ontvangen en de netto pensioenuitkering die hij zonder fout zou hebben ontvangen. De rechtbank stelt vast dat mr. [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de in het memo van KWPS B.V. berekende waarde(n) van de (onderdelen van de) polis per de einddatum. Wel is – met juistheid, zoals uit het vorenstaande blijkt – aangevoerd dat in de schadeberekening van [eiser] ten onrechte geen rekening is gehouden met de over die waarde(n) verschuldigde belasting. De door [eiser] berekende waarde(n) per de einddatum zijn als volgt.

Kapitaal

Waarde

A. voorhuwelijks pensioen

€ 16.551,82

B. Stamrecht

€ 80.031,28

Totale waarde

€ 96.583,10

2.33.

Niet is in geschil – want niet betwist – dat het voorhuwelijks door [eiser] opgebouwde pensioen niet in aanmerking komt voor verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden. De bruto waarde van dit pensioen beloopt per 1 december 2022
afgerond € 16.552. Dit betekent dat [eiser] alsdan als gevolg van de fout van mr. [gedaagde] bruto ten onrechte slechts een pensioenuitkering van € 8.276 ontvangt.

2.34.

Wat betreft het stamrechtdeel heeft mr. [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden aangevoerd dat dit deel zonder de beroepsfout zou zijn verrekend overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden. Zoals hiervoor in 2.10. is overwogen, geldt ter zake van de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van [eiser] en [A] het vermoeden van het derde lid van artikel 1:141 BW. Dit betekent dat het stamrechtdeel van de DVB-polis wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen [eiser] en [A] hadden moeten verrekenen. Het is aan [eiser] , die zich beroept op het tenzij-gedeelte van het derde lid van artikel 1:141 BW, dit vermoeden te weerleggen. In het licht van het gemotiveerde verweer van mr. [gedaagde] heeft [eiser] onvoldoende feiten aangedragen om te komen tot een uitzondering op de hoofdregel. Met mr. [gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat de enkele stelling van [eiser] dat de herkomst van het stamrechtdeel gelegen is in een ontbindingsvergoeding uit hoofde van ontslag daartoe onvoldoende is. Dit geldt ook als die herkomst, gelet op de betwisting van mr. [gedaagde] en het ontbreken van stukken ter onderbouwing van die herkomst ontbreken, veronderstellenderwijs als vaststaand wordt aangenomen. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, is moet ervan worden uitgegaan dat die ontbindingsvergoeding in de plaats is getreden van zonder ontslag genoten arbeidsinkomen en daarmee in beginsel als overgespaard en te verrekenen inkomen gekwalificeerd moet worden. Feiten waarom dat in het onderhavige geval anders zou zijn, zijn niet gesteld of gebleken. Ter zake van het stamrechtdeel van de DBV-polis is derhalve geen sprake van door [eiser] als gevolg van de beroepsfout van mr. [gedaagde] geleden schade.

2.35.

Het vorenstaande betekent dat [eiser] een bedrag van afgerond € 48.292 uit hoofde van de DBV-polis als bruto pensioenuitkering zal ontvangen en zonder beroepsfout een bruto pensioenuitkering van € 56.568 zou hebben ontvangen. Naar schatting neemt de rechtbank een belastinglatentie van 40,8 % in aanmerking, op basis van de beschikbare informatie en uitgaande van een belasting in schijf 3 met het bijbehorende tarief naar de huidige maatstaven, zodat netto een uitkering van respectievelijk € 28.589 en € 33.488 resteert en de geleden schade (naar schatting) een bedrag van € 4.899 beloopt.

De vorderingen

2.36.

De conclusie is dat de schadevergoedingsvordering van [eiser] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 68.974 (€ 64.075 + € 4.899). Bij een afzonderlijke verklaring voor recht heeft [eiser] gelet hierop geen belang, zodat de daartoe strekkende primaire vordering zal worden afgewezen.

Uitvoerbaarverklaring bij voorraad

2.37.

Mr. [gedaagde] voert verweer tegen de door [eiser] gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zodat volgens artikel 233 Rv moet worden nagegaan of op grond van de omstandigheden van dit geval het belang van [eiser] zwaarder weegt dan het belang van mr. [gedaagde] bij behoud van de bestaande toestand tot het moment dat op een door hem ingesteld rechtsmiddel is beslist. Het belang van [eiser] bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de veroordeling van mr. [gedaagde] tot de betaling van navolgende geldsommen is gegeven. Daartegenover heeft mr. [gedaagde] uitsluitend gewezen op een restitutierisico zonder dit te concretiseren. De afweging valt daarom in zijn nadeel uit.

Proceskostenveroordeling

2.38.

Mr. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten van [eiser] . De rechtbank begroot de proceskosten, gevallen aan de zijde van [eiser] , tot op heden op:

  • -

    € 96,16 voor deurwaarderskosten;

  • -

    € 876,00 voor verschuldigd griffierecht;

  • -

    € 7.105,00 voor forfaitair salaris advocaat (5 punten á € 1.421 (tarief V)),

dat is in totaal € 8.077,16.

2.39.

[eiser] heeft gesteld dat hij kosten heeft gemaakt voor het laten opmaken van schadeberekeningen en dat deze kosten in de proceskostenveroordeling moeten worden betrokken. Deze stelling wordt verworpen omdat artikel 237 Rv daartoe geen ruimte biedt en de desbetreffende kosten gedurende de onderhavige procedure, na het tussenvonnis, zijn gemaakt.

2.40.

Voor veroordeling in de gevorderde nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling daarvoor ook een executoriale titel oplevert.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

veroordeelt mr. [gedaagde] tot betaling van € 68.974 aan [eiser] ten titel van schadevergoeding;

3.2.

veroordeelt mr. [gedaagde] in de kosten van dit geding aan de zijde van [eiser] gevallen en tot op heden begroot op € 8.077,16;

3.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2018.1

1 type: 2008