Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8991

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
10-08-2018
Zaaknummer
SGR 17/8399
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank is in het re-integratiedossier van ex-werkneemster onvoldoende duidelijk gemaakt waarom een passende werkhervatting bij eiseres niet mogelijk zou zijn. De rechtbank concludeert dan ook dat er mogelijk re-integratie-kansen zijn gemist in spoor 1. Reeds gelet hierop heeft verweerder terecht een ziekengeldsanctie aan eiseres opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/8399

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juli 2018 in de zaak tussen

[eiseres] te [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. P.H. Lammerts),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [ex-werkneemster] (ex-werkneemster), te [plaats]

(gemachtigde: mr. M. Hoogendonk).

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres verplicht om het ziekengeld van haar voormalig werkneemster, [ex-werkneemster], gedurende 52 weken door te betalen, tot 12 maart 2018 (ziekengeldsanctie), en heeft verweerder de aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van ex-werkneemster daarom niet in behandeling genomen.

Bij besluit van 26 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam.

De rechtbank Rotterdam heeft het beroep ter behandeling doorgezonden naar de rechtbank Den Haag.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Ex-werkneemster heeft geen toestemming verleend voor het toezenden aan eiseres van de stukken die medische gegevens bevatten. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist dat de kennisname van de medische stukken uitsluitend is voorbehouden aan de gemachtigde van eiseres.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Ex-werkneemster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld van haar moeder.

Overwegingen

1. Zoals hiervoor is weergegeven, heeft ex-werkneemster geen toestemming gegeven om de gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname van eiseres te brengen. Gelet hierop zal de rechtbank de motivering van haar oordeel voor zover nodig beperken om te voorkomen dat die gegevens langs deze weg alsnog in de openbaarheid worden gebracht.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres is een franchisegever in de uitzendbranche en eigenrisicodrager als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Ziektewet (ZW). Ex-werkneemster was sinds 19 mei 2014 als bedrijfsjurist/directiesecretaresse bij eiseres werkzaam. Haar contract liep tot 19 mei 2015. Op 16 maart 2015 meldde zij zich ziek.

3. Tegen het einde van de wachttijd heeft ex-werkneemster een WIA-uitkering aangevraagd. Vervolgens heeft verweerder de onder ‘procesverloop’ vermelde besluiten genomen. Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige rapportages.

4. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiseres een ziekengeldsanctie opgelegd, omdat zij zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen ten behoeve van ex-werkneemster heeft verricht. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire standpunt gehandhaafd.

5. In beroep betoogt eiseres, kort samengevat, dat zij zich voldoende heeft ingespannen om ex-werkneemster te laten re-integreren.

6.1.

Voor het opleggen door verweerder van een ziekengeldsanctie aan een werkgever als eiseres, geldt een in de ZW, de Wet WIA en het beleid van het Uwv vastgelegd kader.

6.2.

Artikel 25 van de Wet WIA heeft betrekking op de re-integratieverplichtingen van de werkgever. In het negende lid van dit artikel is, kort samengevat, bepaald dat het Uwv het tijdvak waarover de werkgever het loon van de werknemer moet doorbetalen gedurende ten hoogste 52 weken verlengt, indien de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht (de loonsanctie).

6.3.

Artikel 26, tweede lid, van de Wet WIA bepaalt dat artikel 25, eerste, tweede, derde, vijfde, zesde, zevende en achtste lid van overeenkomstige toepassing is op de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, van de ZW ten aanzien van de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van die wet, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden. Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de eigenrisicodrager, bedoeld in de eerste zin, zonder deugdelijke grond de uit die zin voortvloeiende verplichtingen niet of niet volledig nakomt of onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het Uwv het tijdvak gedurende welke de persoon, bedoeld in de eerste zin recht op ziekengeld heeft op grond van artikel 29 van de ZW, opdat de eigenrisicodrager zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. De verlenging, bedoeld in de tweede zin, is ten hoogste 52 weken. Artikel 25, tiende tot en met zestiende lid, is van overeenkomstige toepassing.

6.4.

Artikel 65, derde volzin, van de Wet WIA bepaalt dat het Uwv beoordeelt of de werkgever en de verzekerde dan wel de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, van de ZW en de personen bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van de ZW, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden, in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.

6.5.

De uitgangspunten voor de beoordeling van de re-integratie-inspanningen die van een werkgever en een werknemer mogen worden verwacht, zijn neergelegd in de Beleidsregels beoordelingskader Poortwachter (de Beleidsregels). De eerste stap in de beoordeling betreft de vraag of re-integratie tot een bevredigend resultaat heeft geleid. Indien dit het geval is, legt verweerder geen loonsanctie op. Is geen sprake van een bevredigend resultaat, dan beoordeelt verweerder of de werkgever voldoende inspanningen heeft verricht. Uitgangspunt bij deze beoordeling is of de werkgever in redelijkheid tot de verrichte re-integratie-inspanningen heeft kunnen komen. Daarbij dient de werkgever in eerste instantie te bezien of de werknemer in de eigen functie kan terugkeren en, als dat geen kans van slagen heeft, de werknemer ander passend werk in het eigen bedrijf aan te bieden (spoor 1). Is het niet mogelijk de werknemer in het eigen bedrijf te laten re-integreren, dan dient de werkgever de mogelijkheden te onderzoeken en te benutten de werknemer te herplaatsen bij een andere werkgever (spoor 2). Verweerder legt een loonsanctie op aan de werkgever indien de re-integratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende worden geacht en de werkgever daarvoor geen deugdelijke grond aannemelijk heeft gemaakt.

7. De rechtbank stelt vast dat artikel 26, tweede lid, tweede volzin, van de Wet WIA de facto de sanctie van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA introduceert voor eigenrisicodragers voor de ZW, met dien verstande dat hier niet de verplichting tot doorbetaling van loon als bedoeld in artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek aan de orde is, maar de verplichting tot doorbetaling van ziekengeld bij onvoldoende re-integratie-inspanningen van de eigenrisicodrager.

8. De rechtbank stelt voorop dat het besluit tot oplegging van een ziekengeldsanctie een ambtshalve genomen belastend besluit is, zodat het aan verweerder is om voldoende aannemelijk te maken dat eiseres zich zonder deugdelijke grond onvoldoende heeft ingespannen. De rechtbank verwijst naar bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2504.

9.1.

In het kader van de Poortwachterstoets is de zaak voorgelegd aan een arbeidsdeskundige van verweerder (de primaire arbeidsdeskundige). In zijn rapportage van 4 januari 2017 heeft de primaire arbeidsdeskundige zich op het standpunt gesteld dat de

re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende zijn. Volgens de primaire arbeidsdeskundige zijn de re-integratiemogelijkheden bij de eigen werkgever in onvoldoende mate verkend en onderzocht. Er is geen gedegen onderzoek gedaan naar de herplaatsingsmogelijkheden in passend dan wel aangepast werk in de eigen onderneming. Er zijn daarom re-integratiekansen in spoor 1 gemist vanaf 1 juli 2016. De re-integratie in spoor 2 is ten slotte niet op adequate wijze aangepakt.

9.2.

In verband met het door eiseres gemaakte bezwaar is de zaak voorgelegd aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b). In zijn rapportage van 29 augustus 2017 concludeert hij dat niet gebleken is van medische feiten op grond waarvan er sinds november 2016 sprake is van een marginale belastbaarheid bij ex-werkneemster.

Dat betekent dat er geen gerede twijfel is aan de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid. In het dossier bevinden zich voorts onvoldoende medische feiten op grond waarvan kan worden aangenomen dat terugkeer naar eiseres het herstel niet ten goede komt.

9.3.

De arbeidsdeskundige b&b heeft op 5 september 2017 een arbeidsdeskundige rapportage opgesteld. Volgens de arbeidsdeskundige b&b wordt in het re-integratiedossier van ex-werkneemster niet duidelijk gemaakt waarom een passende werkhervatting niet te realiseren is binnen de eigen organisatie. Een onderzoek naar alle binnen de eigen organisatie voorkomende functies op en onder het niveau van ex-werkneemster ontbreekt. Een beoordeling van de geschiktheid van deze functies op basis van een vergelijking van de daarin voorkomende belasting met de belastbaarheid van ex-werkneemster kan dan ook niet zijn uitgevoerd. Er zijn daarom mogelijk kansen gemist in spoor 1. Onder verwijzing naar het rapport van 29 augustus 2017 van de verzekeringsarts b&b zijn er volgens de arbeidsdeskundige b&b ook geen medische redenen om de re-integratie te stagneren. Ten slotte stelt de arbeidsdeskundige b&b ten aanzien van spoor 2 vast dat het dossier geen plan van aanpak van het door eiseres ingeschakelde re-integratiebureau Certego bevat. In het dossier bevindt zich wel een rapportage van 2 december 2016 van de externe re-integratie van Certego, waarin het bemiddelingsplan wordt beschreven, maar dat heeft een algemeen karakter en is niet specifiek toegesneden op de krachten van ex-werkneemster. De arbeidsdeskundige b&b ziet dan ook geen aanleiding om van de conclusies van de primaire arbeidsdeskundige af te wijken.

10. Vast staat dat ex-werkneemster niet in arbeid heeft hervat. Verweerder heeft dan ook terecht aangenomen dat in dit geval geen sprake is van een bevredigend resultaat. Dit brengt mee dat verweerder kon toekomen aan een beoordeling van de re-integratie-inspanningen van eiseres.

11. Ten aanzien van de re-integratie-inspanningen in spoor 1 betoogt eiseres dat door de bedrijfsarts deugdelijk is gemotiveerd waarom dit spoor is stopgezet. Eiseres verwijst in dit verband in het bijzonder naar het spreekuurverslag van 29 april 2016 en de bijstelling van de probleemanalyse van 1 juli 2016. Eiseres stelt voorts dat verweerder in het kader van de beoordeling van de re-integratie-inspanningen ten onrechte geen contact heeft opgenomen met de bedrijfsarts. Dit is in strijd met de Werkwijzer Poortwachter. Verweerder had de bedrijfsarts de gelegenheid moeten geven zijn standpunt nader toe te lichten. Eiseres betwist voorts dat het traject in spoor 2 niet adequaat zou zijn geweest. Het door haar ingeschakelde re-integratiebureau is wel degelijk zorgvuldig te werk gegaan en heeft maatwerk geleverd.

12. In het spreekuurverslag van 29 april 2016 heeft de bedrijfsarts opgenomen dat terugkeer in het eigen werk niet meer mogelijk is, omdat er geen contract meer is, maar het zou ook niet verstandig zijn. Volgens de bedrijfsarts lijkt de kans op verzuim dan groot te zijn om diverse redenen, waaronder te lange reistijden in combinatie met de aandoening van ex-werkneemster.

Op 1 juli 2016 heeft de bedrijfsarts de op ex-werkneemster van toepassing zijnde probleemanalyse aangepast. In die bijstelling heeft de bedrijfsarts vermeld dat spoor 1 is afgesloten. Als toelichting heeft de bedrijfsarts opgenomen dat terugkeer naar het eigen werk of de werkgever hem niet verstandig lijkt.

13. De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat ex-werkneemster vanwege de vastgestelde beperkingen niet kon terugkeren in haar eigen werk bij eiseres.

Nu terugkeer in het eigen werk geen kans van slagen had, lag het op de weg van eiseres om te bezien of zij ex-werkneemster ander passend werk in het eigen bedrijf kon aanbieden.

14. Naar het oordeel van de rechtbank is in het re-integratiedossier van ex-werkneemster onvoldoende duidelijk gemaakt waarom een passende werkhervatting bij eiseres niet mogelijk zou zijn. Het spreekuurverslag van 29 april 2016 lijkt uitsluitend op terugkeer in het eigen werk te zien. In dat verslag wordt in elk geval niet ingegaan op mogelijk ander passend werk bij eiseres. In de ‘Bijstelling probleemanalyse’ van 1 juli 2016 heeft de bedrijfsarts opgenomen dat terugkeer naar het eigen werk of werkgever hem niet verstandig lijkt, maar dit standpunt wordt niet nader onderbouwd. Hoewel in het document ‘Actueel oordeel van de bedrijfsarts’ van 5 december 2016 nog wel wordt toegelicht dat terugkeer bij de eigen werkgever niet verstandig zou zijn vanwege een verhoogde kans op gezondheidsschade, is daarmee niet gezegd dat terugkeer in (aangepast) ander werk geheel onmogelijk is. Een nadere uiteenzetting in dat verband wordt niet gegeven. In voormeld document van 5 december 2016 heeft de bedrijfsarts ook nog vermeld dat passend werk niet aanwezig is, omdat vrijwel elk werk bij eiseres deadlines kent. Gelet op deze formulering valt echter niet uit te sluiten dat passend werk bij eiseres voorhanden is.

Afgezien van het voorgaande stelt de rechtbank met verweerder vast dat een onderzoek naar alle bij eiseres voorkomende functies op en onder het niveau van ex-werkneemster ontbreekt. Een beoordeling van de geschiktheid van deze functies heeft kennelijk niet plaatsgevonden. Hierdoor is niet inzichtelijk gemaakt of een passende werkhervatting bij eiseres tot de mogelijkheden behoort. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij gelet op de beperkingen van ex-werkneemster geen passend werk voor haar heeft. Een nadere onderbouwing hiervoor ontbreekt echter en dit standpunt wordt ook niet ondersteund door een verklaring van de bedrijfsarts.

15. De rechtbank volgt eiseres voorts niet in haar betoog dat verweerder contact had moeten opnemen met de bedrijfsarts. Volgens de Werkwijzer Poortwachter gaat (de verzekeringsarts van) het Uwv in overleg met de bedrijfsarts indien hij het niet eens is met de visie van de bedrijfsarts. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake. In de onderhavige zaak is geen sprake van een verschil van inzicht, maar heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de bedrijfsarts niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom spoor 1 is gestaakt. Het was dan ook niet nodig om contact op te nemen met de bedrijfsarts om hem de gelegenheid te geven zijn standpunt nader toe te lichten.

16. Eiseres heeft nog aangevoerd dat verweerder het handelen en nalaten van ex-werkneemster onvoldoende heeft meegenomen in de besluitvorming. Naar het oordeel van de rechtbank staat eventueel handelen en nalaten van ex-werkneemster los van de vraag of eiseres zich voldoende inspanningen heeft getroost om haar te laten re-integreren. Verweerder hoefde daar bij de onderhavige besluitvorming dan ook geen rekening mee te houden.

17. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat er mogelijk re-integratie-kansen zijn gemist in spoor 1. Reeds gelet hierop heeft verweerder terecht een ziekengeldsanctie aan eiseres opgelegd. De overige beroepsgronden kunnen onbesproken blijven.

18. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O.M. Harms, voorzitter, en mr. M.M. Meessen en mr. F.X. Cozijn, leden, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2018.

griffier Bij afwezigheid van de voorzitter tekent de oudste rechter van de meervoudige kamer, mr. M.M. Meessen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.