Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8983

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
18.11042
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

veilig land van herkomst, Georgië, onverwijld melden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.11042


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres

(gemachtigde: mr. N. Wouters),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs)

Procesverloop
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 juni 2018 (het bestreden besluit).

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.11043, plaatsgevonden op 4 juli 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich ook laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is burger van Georgië. Ze is geboren op [geboortedatum] . Op 31 mei 2018 heeft zij een asielaanvraag ingediend. Eiseres heeft aan deze aanvraag ten grondslag gelegd dat zij in de periode van 2000 tot 2016 werd geconfronteerd met stelselmatige vernederingen en mishandelingen door haar partner. Eiseres heeft geen aangifte gedaan tegen haar partner of bescherming gezocht bij de autoriteiten. Eiseres stelt dat in Georgië er sprake is van een zwijgcultuur waardoor aangiftes van huiselijk geweld niet serieus genomen worden. In de zienswijze heeft eiseres daaraan toegevoegd dat ze ook geen aangifte heeft gedaan omwille van haar partner, die als voormalig politieagent nog veel hooggeplaatste connecties bij de autoriteiten heeft.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, aanhef en onder b en h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht de stelselmatige mishandelingen en vernederingen door haar partner geloofwaardig. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat niet geloofwaardig is dat eiseres zich niet heeft kunnen wenden tot de Georgische autoriteiten om bescherming te krijgen. De gestelde zwijgcultuur betekent volgens verweerder niet dat het doen van aangifte bij voorbaat zinloos of gevaarlijk zou zijn geweest. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat het bestaan van de gestelde hooggeplaatste connecties van haar partner niet aannemelijk is gemaakt door eiseres, omdat dit punt niet nader gespecificeerd noch onderbouwd is. Verweerder heeft eiseres voorts tegengeworpen dat zij zich niet direct heeft gemeld en kenbaar heeft gemaakt dat zij internationale bescherming wenste.1 Eiseres is op 12 mei 2018 Nederland ingereisd, maar heeft zich pas op 31 mei 2018 gemeld. De verklaringen van eiseres dat zij zich niet lekker voelde en dat zij niet wist dat ze onmiddellijk asiel diende aan te vragen, zijn niet aangemerkt als verschoonbare gronden.

3. In beroep stelt eiseres dat verweerder zijn onderzoeksplicht onvoldoende is nagekomen, omdat verweerder niet heeft doorgevraagd naar haar specifieke situatie en de redenen waarom zij niet de bescherming van de politie kon inroepen. Voorts legt eiseres aan haar beroep ten grondslag dat Georgië voor haar niet als veilig land kan worden aangemerkt. Tot slot voert zij aan dat zij zich tijdig heeft gemeld, aangezien zij dit direct heeft gedaan toen voor haar kenbaar was dat zij zich moest melden.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Niet betwist wordt dat Georgië in het algemeen kan worden beschouwd als veilig land van herkomst.2 Er bestaat daarom een rechtsvermoeden dat voor eiseres geen vervolging dreigt en dat zij geen ander risico als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw loopt. Het is daarom aan eiseres om aannemelijk te maken dat Georgië voor haar niet veilig is.

5. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres daar niet in is geslaagd. De rechtbank stelt vast dat verweerder tijdens het gehoor diverse malen en in verschillende bewoordingen heeft gevraagd naar de redenen van eiseres om niet voor bescherming bij de autoriteiten van Georgië aan te kloppen. Eiseres heeft daarbij op geen enkel moment het netwerk van haar partner genoemd. Dat zij op een eerder moment tijdens het gehoor heeft aangegeven dat haar partner tot 2008 bij de politie heeft gewerkt, maakt niet dat verweerder bij zijn vragen naar de redenen waarom niet bij de autoriteiten van Georgië om bescherming is gevraagd naar het politieverleden van de partner en eventuele nog bestaande relaties had moeten vragen. Ondanks haar gestelde kwetsbare positie blijft het aan eiseres om haar relaas aannemelijk te maken. Het betoog dat verweerder niet aan de onderzoeksplicht heeft voldaan kan niet worden gevolgd. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het doen van aangifte voor haar gevaarlijk of bij voorbaat zinloos is. De door eiseres genoemde zwijgcultuur – wat daar ook van zij – brengt evenmin met zich dat niet van eiseres mag worden verwacht dat zij bescherming zoekt bij de Georgische autoriteiten.

6. Op zitting heeft eiseres verklaard dat zij zich niet onverwijld heeft gemeld omdat ze niet wist dat dit van haar verlangd werd. Verweerder heeft terecht dit niet als een verschoonbare verklaring beschouwd. Van iemand die asielrechtelijke bescherming wenst, mag worden verlangd dat hij of zij zich onverwijld meldt. Bovendien heeft eiseres eerder asielaanvragen ingediend in Oostenrijk en België, waardoor enige bekendheid met asielprocedures mag worden verondersteld. Verweerder heeft daarom terecht aan eiseres tegengeworpen dat zij zich niet onverwijld heeft gemeld.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. Holierhoek, rechter, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Mentink, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Artikel 30b, lid 1, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000

2 Paragraaf C2/7.2, van de Vreemdelingencirculaire