Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:896

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-01-2018
Datum publicatie
30-01-2018
Zaaknummer
c/09/543160 en c/09/545044
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Reikwijdte artikel 1:262b BW/geschillenregeling

De moeder wil graag dat haar moeder/grootmoeder als netwerkpleegouder wordt aangemerkt. Een pleegzorginstantie heeft daartoe onderzoek verricht en de grootmoeder niet geschikt bevonden. De gecertificeerde instelling (GI) heeft verklaard die beslissing van de pleegzorginstantie te zullen volgen. De moeder verzoekt in het kader van de geschillenregeling (artikel 1:262b BW) de beslissing van de GI om het besluit van de pleegzorginstantie te volgen, te vernietigen. Volgens de GI is de geschillenregeling hiervoor niet bedoeld. De rechtbank is het daarmee niet eens. Nu de wetgever niet concreet heeft aangegeven welke gevallen wel of niet onder de geschillenregeling geschaard kunnen worden, is het aan de rechtspraak dit nader in te vullen. De mogelijkheden van de moeder om tussentijds tegen een lopende machtiging tot uithuisplaatsing op te komen, staan limitatief staan opgesomd in artikel 1:265d lid 2 BW. Een wijziging van de verblijfplaats – of een daarmee samenhangend verzoek zoals hier aan de orde is – is daarin niet opgenomen. Die rechtsingang dient naar het oordeel van de rechtbank wel mogelijk te zijn via artikel 1:262b BW. Zulks temeer nu de keuze van de GI om de beslissing van de pleegzorginstantie om de grootmoeder niet als netwerkpleegouder aan te merken te volgen, evident de wijze van uitvoering van de opgelegde kinderbeschermingsmaatregelen betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2018/56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd & Bopz

Zaaksgegevens: C/09/543160 / JE RK 17-2377 (I) en C/09/545044 / JE RK 17-2606 (II)

Datum uitspraak: 29 januari 2018

Beschikking van de Meervoudige Kamer

Verzoeken ex artikel 1:262b BW (geschillenregeling) en artikel 1:264 BW

(vervallen verklaren schriftelijke aanwijzing)

in de zaak naar aanleiding van de op respectievelijk 17 november 2017 (I) en

19 december 2017 (II) ingekomen verzoekschriften van:

[Moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. L.C.H. Karstanje, kantoorhoudende te Gouda,

betreffende:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

hierna ook te noemen: [minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbende aan:

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Het procesverloop

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, te weten

ten aanzien van I:

 het verzoekschrift met bijlagen;

 het verweerschrift met bijlagen;

 de e-mail van 28 november 2017 met bijlage, van de zijde van de gecertificeerde instelling;

 de brief van 8 december 2017 met bijlagen, van de zijde van de moeder,

en ten aanzien van II:

 het verzoekschrift met bijlagen.

Op 8 januari 2018 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

 de moeder en haar advocaat;

 van de zijde van de gecertificeerde instelling: mevrouw mr. [X] en mevrouw [Y] ;

 [Z] , de grootmoeder van moederszijde, als informant.

Opgeroepen (als informant) en niet verschenen zijn:

 de heer [A] en mevrouw [B] , pleegouders van [minderjarige] .

Van de zijde van de moeder is ter zitting nog een aanvullende productie overgelegd, te weten een brief van 4 januari 2018 van de Parnassia Groep betreffende de moeder.

Van de zijde van de gecertificeerde instelling zijn pleitaantekeningen overgelegd.

Feiten

 De moeder is belast met het ouderlijk gezag.

 Bij beschikking van 18 juli 2017 van de kinderrechter in deze rechtbank is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling van 18 juli 2017 tot 18 juli 2018 en is de gecertificeerde instelling gemachtigd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor dezelfde duur.

 [minderjarige] verblijft feitelijk in een pleeggezin.

 Bij brief van 17 oktober 2017 heeft Horizon Pleegzorg de grootmoeder te kennen gegeven dat is besloten haar niet te erkennen als netwerkpleegouder voor [minderjarige] , onder verwijzing naar een bijgevoegd verslag van 3 oktober 2017.

 Bij brief van 2 november 2017 aan de grootmoeder heeft de gecertificeerde instelling verklaard de beslissing van Horizon Pleegzorg ten aanzien van het netwerkonderzoek te zullen volgen.

 Op 8 december 2017 heeft de gecertificeerde instelling de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven, inhoudende dat de volgende contactregeling is vastgesteld:

“Door de pleegzorgwerker of de jeugdbeschermer begeleide bezoeken:

– 4 4 januari (tijd nog niet bekend i.v.m. vakantie) moeder en grootmoeder te [gemeente]

– 4 17 januari om 14.00-15.00 uur moeder en grootmoeder te [gemeente]

– 4 2 februari om 16.00-17.00 uur moeder en grootmoeder te [gemeente]

– 4 16 februari om 16.00-17.00 uur moeder en grootmoeder te [gemeente]

– 4 2 maart om 16.00-17.00 uur moeder en grootmoeder te [gemeente]

– 4 14 maart om 14.00-15.00 uur moeder en grootmoeder te [gemeente]

– 4 30 maart om 16.00-17.00 uur moeder en grootmoeder te [gemeente]

– 4 13 april om 16.00-17.00 uur moeder en grootmoeder te [gemeente]

– 4 25 april om 14.00-15.00 uur moeder en grootmoeder te [gemeente]

Telefonisch contact op maandag:

– 8 8 januari om 19.00 uur ouders en grootmoeder

– 8 22 januari om 19.00 uur ouders en grootmoeder

– 8 5 februari om 19.00 uur ouders en grootmoeder

– 8 19 februari om 19.00 uur ouders en grootmoeder

– 8 5 maart om 19.00 uur ouders en grootmoeder

– 8 19 maart om 19.00 uur ouders en grootmoeder

– 8 2 april om 19.00 uur ouders en grootmoeder

– 8 16 april om 19.00 uur ouders en grootmoeder

– 8 30 april om 19.00 uur ouders en grootmoeder”.

Verzoeken en verweer

De verzoeken van de moeder, zoals die thans nog luiden, strekken er toe, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:

 I: in het kader van de geschillenregeling (artikel 1:262b BW) de beslissing van de gecertificeerde instelling om de beslissing van Horizon Pleegzorg – om de grootmoeder niet te erkennen als netwerkpleegouder – te volgen, wordt vernietigd;

 II: voornoemde schriftelijke aanwijzing vervallen wordt verklaard en dat een contactregeling wordt vastgesteld waarbij de moeder een omgangsregeling heeft met de minderjarige van één zaterdag in de veertien dagen van 10.00 tot 18.00 uur, althans een regeling die de rechtbank redelijk acht.

Ter onderbouwing van het eerste verzoek wordt van de kant van de moeder het volgende aangevoerd. Horizon Pleegzorg heeft een netwerkonderzoek uitgevoerd naar de vraag of de grootmoeder als pleegouder voor [minderjarige] kan worden aangemerkt. Na afsluiting van dat onderzoek heeft Horizon Pleegzorg aan de grootmoeder meegedeeld dat besloten is haar niet te erkennen als netwerkpleegouder, waarop de gecertificeerde instelling aan de grootmoeder heeft laten weten deze beslissing van Horizon Pleegzorg te volgen. Het verzoek van de moeder richt zich, zo begrijpt de rechtbank, tegen deze beslissing van de gecertificeerde instelling. De moeder vindt dat deze niet op goede gronden is genomen en daarom moet worden vernietigd. [minderjarige] heeft vanaf haar geboorte tot aan de uithuisplaatsing samen met de moeder bij de grootmoeder gewoond. Weliswaar ontvangt de grootmoeder zelf ook hulpverlening, maar dat hoeft geen beletsel te zijn om als pleegouder te kunnen worden aangemerkt. Horizon Pleegzorg heeft namelijk zelf aangegeven dat het feit dat de grootmoeder onder bewind staat op zichzelf geen contra-indicatie vormt. Daarnaast krijgt de grootmoeder gezinsondersteuning. Ook dat verloopt goed en hoeft op zichzelf geen belemmering te zijn voor plaatsing bij de grootmoeder. Bovendien is haar tweekamerwoning ruim genoeg. Dat de situatie van de grootmoeder op dit moment te instabiel is om op adequate wijze invulling te geven aan het pleegouderschap, zoals Horizon Pleegzorg aanvoert en de gecertificeerde instelling kennelijk voor waar aanneemt, klopt volgens de moeder niet.

De erkenning van de grootmoeder als netwerkpleeggezin door de gecertificeerde instelling en vervolgens plaatsing van [minderjarige] bij de grootmoeder moeten een tussenstap vormen voor de uiteindelijke terugplaatsing naar moeder zelf, die de moeder op termijn voor zich ziet nadat zij zelfstandige woonruimte heeft gevonden.

Ter onderbouwing van het tweede verzoek wordt van de kant van de moeder onder meer aangevoerd dat zij één uur per veertien dagen begeleide omgang met [minderjarige] te weinig vindt. Een zaterdag per veertien dagen van 10.00 tot 18.00 uur onbegeleide omgang doet meer recht aan haar positie als moeder. De omgang kan aanvankelijk, zolang de moeder nog niet over eigen woonruimte beschikt, plaatsvinden bij de grootmoeder thuis. De moeder staat ingeschreven als urgent woningzoekende, zodat zij [minderjarige] vermoedelijk spoedig thuis kan ontvangen.

Van de zijde van de gecertificeerde instelling is verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Ten aanzien van I:

Ontvankelijkheid van de moeder

Volgens de gecertificeerde instelling staat de geschillenregeling van artikel 1:262b BW niet open voor het verzoek zoals ingediend door de moeder. De gecertificeerde instelling voert hiertoe aan dat reeds bij het afgeven van de machtiging tot uithuisplaatsing bekend was dat de betrokken instanties, waaronder ook de rechtbank, een verblijf van [minderjarige] bij de grootmoeder niet in het belang van [minderjarige] achtten. De moeder had tegen de beschikking van de kinderrechter van 18 juli 2017 in beroep kunnen gaan. Nu zij dit niet heeft gedaan, kan zij niet via de geschillenregeling alsnog proberen plaatsing bij de grootmoeder te bewerkstelligen. Bij een eventueel toekomstig verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zou deze kwestie opnieuw aan de orde kunnen komen. Bovendien is artikel 1:262b BW volgens de gecertificeerde instelling in het onderhavige geval niet van toepassing, omdat sprake is van een interne beslissing van de gecertificeerde instelling waar geen rechtsbescherming tegen open staat. De geschillenregeling is hier niet voor bedoeld, aldus de gecertificeerde instelling.

Desgevraagd heeft de gecertificeerde instelling aangegeven dat zij de beslissing van Horizon Pleegzorg om de grootmoeder niet als netwerkpleegouder aan te merken, niet had behoeven te volgen. Hoewel de gecertificeerde instelling zelf niet bevoegd is om de grootmoeder als netwerkpleegouder aan te merken, had zij – als zij grootmoeder een geschikte plek achtte voor [minderjarige] om te wonen – [minderjarige] in weerwil van het standpunt van Horizon Pleegzorg bij grootmoeder kunnen plaatsen. Dit gebeurt enkel in uitzonderingssituaties.

Hoewel (over)plaatsing bij de grootmoeder thans niet door de moeder wordt verzocht, is de gecertificeerde instelling van mening dat inwilliging van het huidige verzoek van de moeder met het oog op plaatsing bij de grootmoeder niet kan leiden tot hetgeen de moeder tracht te bereiken. Hiervoor is immers een machtiging voor een andere uithuisplaatsingscategorie nodig dan door de kinderrechter is verleend en een dergelijke machtiging kan alleen door de kinderrechter worden verleend indien deze door de gecertificeerde instelling wordt verzocht. Volgens de gecertificeerde instelling zou toepassing van de geschillenregeling kunnen leiden tot een verplichting van de instelling om een verzoek in te dienen voor een machtiging tot uithuisplaatsing bij de grootmoeder, terwijl dit gelet op de in de wet neergelegde discretionaire bevoegdheid van de gecertificeerde instelling in dit soort zaken, niet mogelijk is.

De rechtbank volgt het standpunt van de gecertificeerde instelling dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek niet. Zij is van oordeel dat het hier wel degelijk gaat om een geschil dat onder de reikwijdte van artikel 1:262b BW valt en overweegt daartoe als volgt.

Op de vraag wat voor soort geschillen deze regeling betreft, heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie bij de behandeling in de Eerste Kamer (EK 2013-2014, 32 015, nr. E, blz. 14) als volgt geantwoord: “Ik denk dat met name pleegouders gebruik zullen maken van de regeling, bij overplaatsingen van hun pleegkind binnen één jaar en geschillen tussen bureau jeugdzorg (lees: de gecertificeerde instelling) en de pleegouders over een (gewijzigde) omgangsregeling tussen ouders en kind. Verder zouden geschillen tussen ouders en bureau jeugdzorg over de (bijgestelde) doelen waarin in het kader van de ondertoezichtstelling moet worden voldaan, kunnen worden voorgelegd.” Voorts is door de wetgever aangegeven dat naar verwachting van de geschillenregeling gebruik zal worden gemaakt in die gevallen dat de wet niet in een specifieke procedure voorziet.

De wetgever heeft derhalve niet concreet aangegeven welke gevallen wel of niet onder de geschillenregeling geschaard kunnen worden, zodat het aan de rechtspraak is dit nader in te vullen.

De rechtbank overweegt dat ten tijde van het afgeven van de machtiging (niet alleen de moeder maar ook) de grootmoeder (nog) niet in staat werd geacht een veilige opvoedingsomgeving te bieden voor [minderjarige] , maar daarbij is overwogen dat de komende periode zal moeten worden bezien wat er voor nodig is om die veilige omgeving voor [minderjarige] te creëren. De uitkomst van de screening van de grootmoeder als pleegouder door Horizon Pleegzorg en de reactie van de gecertificeerde instelling op die uitkomst zijn eerst na afloop van de beroepstermijn ter zake de uithuisplaatsing bekend geworden. Nu de mogelijkheden van de moeder om tussentijds tegen een lopende machtiging tot uithuisplaatsing op te komen limitatief staan opgesomd in artikel 1:265d, tweede lid, BW en een wijziging van de verblijfplaats – of een daarmee samenhangend verzoek zoals in casu aan de orde is – daarin niet is opgenomen, dient die rechtsingang naar het oordeel van de rechtbank wel mogelijk te zijn via artikel 1:262b BW. Zulks temeer nu de keuze van de gecertificeerde instelling om de beslissing van Horizon Pleegzorg om de grootmoeder niet als netwerkpleegouder aan te merken te volgen, evident de wijze van uitvoering van de opgelegde kinderbeschermingsmaatregelen betreft.

Voor zover een verzoek tot plaatsing bij de grootmoeder door de moeder wel zou zijn gedaan, merkt de rechtbank voor de volledigheid op dat bij inwilliging daarvan – anders dan door de gecertificeerde instelling is betoogd - sprake zou zijn van plaatsing binnen dezelfde categorie als geldt ter zake de vigerende machtiging tot uithuisplaatsing, te weten plaatsing in een voorziening voor pleegzorg. Deze categorie omvat blijkens de lijst met categorieën die de rechtbank en de gecertificeerde instellingen hanteren, immers zowel bestandspleegzorg als netwerkpleegzorg. Gelet hierop zou geen sprake zijn van een situatie waarin de gecertificeerde instelling wordt verplicht om een nieuwe machtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken aan de kinderrechter.

Gezien het voorgaande zal de rechtbank de moeder ontvangen in haar verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

Gezien de stukken en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat overeenstemming tussen betrokkenen niet mogelijk is. Het nader beproeven van een vergelijk tussen partijen acht zij in de onderhavige omstandigheden niet opportuun.

De stukken en standpunten van partijen in aanmerking genomen, acht de rechtbank de beslissing van de gecertificeerde instelling om de beslissing van Horizon Pleegzorg te volgen, gelet op het daartoe verrichte onderzoek, deugdelijk en overtuigend gemotiveerd in het licht van het belang van [minderjarige] . Dat de gecertificeerde instelling niet nog separaat haar beslissing heeft gemotiveerd maar impliciet (en ter zitting ook expliciet) heeft aangesloten bij de motivering van Horizon Pleegzorg is naar het oordeel van de rechtbank voldoende.

Hoewel de rechtbank ziet dat de moeder en de grootmoeder bezig zijn om positieve veranderingen te bewerkstelligen, is niet gebleken van feiten of omstandigheden waaruit kan worden opgemaakt dat de situatie thans zodanig is verbeterd dat de beslissing van de gecertificeerde instelling niet op goede gronden is genomen. Gelet daarop zal de rechtbank het verzoek van de moeder om de beslissing van de gecertificeerde instelling te vernietigen, afwijzen.

Ten aanzien van II:

De rechtbank is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de gecertificeerde instelling de schriftelijke aanwijzing omtrent de vaststelling van een omgangsregeling deugdelijk heeft gemotiveerd en na afweging van alle betrokken belangen op goede gronden tot de bij de aanwijzing vastgestelde omgangsregeling is gekomen. De gecertificeerde instelling heeft gemotiveerd aangegeven waarom zij deze omgangsregeling met de daarin bepaalde frequentie in het belang van [minderjarige] acht.

Van de zijde van de gecertificeerde instelling is aangevoerd dat uit begeleiding van de huidige omgangsregeling blijkt dat de moeder en de grootmoeder nog onvoldoende aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] en de contactmomenten niet altijd positief verlopen. Zo betrekken zij haar in onderwerpen waar [minderjarige] niet mee belast zou moeten worden en wordt bijvoorbeeld de telefoon gebruikt tijdens het (relatief korte) bezoek, terwijl er juist onverdeelde aandacht voor [minderjarige] zou moeten zijn. De rechtbank acht het niet in het belang van [minderjarige] de omgang thans onbegeleid en in de frequentie die de moeder verzoekt, te laten plaatsvinden. Hetgeen door de moeder en grootmoeder naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. Een en ander neemt niet weg dat het van belang blijft dat er serieus wordt gekeken naar mogelijkheden van uitbreiding van de contacten en dat spoedig duidelijk wordt bij wie het perspectief van [minderjarige] ligt, nu duidelijk is dat zij nog slechts voor beperkte duur in het huidige crisispleeggezin kan blijven. In dit kader volgt de rechtbank de redenering van de gecertificeerde instelling niet dat de omgangscontacten pas kunnen worden uitgebreid als duidelijk is dat [minderjarige] bij de moeder kan worden teruggeplaatst. Om die beoordeling goed te kunnen maken is het juist van belang dat er zoveel als verantwoord contact tussen moeder en [minderjarige] plaatsvindt. De rechtbank wil hierbij voorts benadrukken dat de omgangsregeling uit de schriftelijke aanwijzing nu op de moeder met de grootmoeder tezamen ziet, terwijl het in de rede zou liggen de minderjarige ook in aanwezigheid van de moeder alleen te observeren, nu het doel van de onderhavige kinderbeschermingsmaatregelen is te bezien of een thuisplaatsing bij de moeder haalbaar is.

De rechtbank ziet op grond van de stukken en de verklaringen ter zitting derhalve geen aanleiding om de bestreden aanwijzing vervallen te verklaren en de bestaande omgangsregeling uit te breiden, zodat zij ook dit verzoek van de moeder zal afwijzen.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De rechtbank:

Ten aanzien van I en II:

-wijst de verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. Wijnholt, J.E.M.G. van Wezel en C.F. Mewe, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Laterveer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2018.

Ingevolge artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen de beslissing ten aanzien van het eerste verzoek geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.

Hoger beroep tegen de beslissing ten aanzien van het tweede verzoek kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag.