Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8951

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
26-07-2018
Zaaknummer
AWB 18/3675
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

afwijzing vovo hangende bezwaar Turkse zelfstandige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/3675

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juli 2018 in de zaak tussen

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum], van Turkse nationaliteit, verzoeker,

(gemachtigde: mr. B. Aydin)

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: N. van der Sluis)

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2018 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning met als doel “arbeid als zelfstandige” afgewezen. Bij bezwaarschrift van 16 mei 2018 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij brief van diezelfde datum heeft verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist.

Verweerder heeft op 5 juli 2018 een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op de zitting behandeld van 19 juli 2018.

Verzoeker is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

Aanvraag en bestreden besluit

1. Op 6 februari 2018 heeft verzoeker een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend met als doel “arbeid als zelfstandige” bij [klussenbedrijf]. Bij de aanvraag heeft verzoeker een uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel en een brief van de Belastingdienst tot vaststelling belastingplicht overgelegd. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat verzoeker geen ondernemingsplan en stukken ter onderbouwing daarvan heeft overgelegd bij de aanvraag. Verzoeker voldoet dus niet aan het documentatievereiste. Daarom komt verzoeker niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv1-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat verzoeker niet in het bezit is van een mvv.

2. Op 7 juni 2018 heeft verzoeker bij zijn gronden van het verzoek om een voorlopige voorziening een ongedateerd ondernemingsplan overgelegd, een overeenkomst van vennootschap onder firma, jaarrekeningen, een ingevulde verklaring zelfstandig ondernemer, grootboekkaarten en bankafschriften van een zakelijke rekening.

3. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat de door verzoeker overgelegde stukken geen aanleiding geven om de aanvraag nu wel voor advies aan de RVO2 voor te leggen. Kort weergegeven heeft verzoeker onvoldoende inzicht geboden in de door hem gevolgde opleiding, zijn kennis en ervaring. Verzoeker heeft zijn gestelde jarenlange ervaring niet onderbouwd. Verder ontbreekt in het ondernemingsplan op verzoekers bedrijf toegespitste en met cijfers onderbouwde markt- en concurrentieanalyse. Daarnaast ontbreken gedetailleerde intentieverklaringen en overeenkomsten van opdracht. De overgelegde financiële stukken onderbouwen het ondernemingsplan niet, aldus verweerder.

4. Op 17 juli 2018 heeft verzoeker onder meer een aangepast ondernemingsplan van

16 juli 2018 overgelegd, waarin volgens de toelichting van verzoekers boekhouder de markt- en concurrentieanalyse is uitgebreid en de omzet- en liquiditeitsprognose en branchegegevens zijn opgenomen.

Beoordeling voorzieningenrechter

5. In het verweerschrift heeft verweerder zich primair op het standpunt gesteld dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening, omdat ten aanzien van Turkse zelfstandigen geen actief uitzettingsbeleid wordt gevoerd. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit standpunt alleen is ingenomen in deze zaak en niet in twee andere zaken van Turkse zelfstandigen die op dezelfde zitting waren gepland. Verzoeker heeft dit standpunt gemotiveerd betwist. Hij heeft aangevoerd dat als hij niet binnen de in het besluit genoemde vertrektermijn de Europese Unie verlaat, hij een inreisverbod krijgt opgelegd. Er vinden onder meer huisbezoeken plaats nadat er een afwijzend besluit is genomen op de aanvraag, waarbij ook paspoorten worden ingenomen, en er volgen uitnodigingen voor vertrekgesprekken bij de Dienst Terugkeer en Vertrek. Verzoeker kan dit standpunt ook onderbouwen en biedt hiervoor bewijs aan. De voorzieningenrechter acht dat niet nodig en neemt in het geval van verzoeker een spoedeisend belang aan.

6. Verzoeker voert aan dat het huidige strikte toelatingsbeleid voor Turkse ondernemers waarbij vrijwel geen enkele aanvraag van een Turkse zelfstandige ondernemer meer wordt voorgelegd aan de minister van Economische zaken, een aanscherping is van het toelatingsbeleid van Turkse zelfstandigen die ongeoorloofd is en in strijd met de zogeheten standstill-bepaling van het Turks Associatierecht. Deze grond slaagt niet. Nog los van het feit dat verzoeker zijn betoog dat vrijwel geen enkele aanvraag van een Turkse zelfstandige ondernemer ter advisering wordt voorgelegd niet heeft onderbouwd, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraken van 29 september 2010 en van 13 november 2012 afdoende antwoorden gegeven op de door eiser opgeworpen rechtsvragen.3

7. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verweerder in het verweerschrift voldoende deugdelijk gemotiveerd heeft dat in het door verzoeker overgelegde ongedateerde ondernemingsplan een gedegen markt- en concurrentieanalyse ontbreekt. De markt- en concurrentieanalyse biedt geen inzicht in de behoefte aan de activiteiten van verzoekers onderneming en verduidelijkt niet op welke relevante onderdelen verzoekers onderneming zich onderscheidt van de concurrentie. De stelling dat verzoeker zich door zijn vakmanschap, scherpe prijzen en klantgerichtheid onderscheidt van de concurrenten, alsmede door de bundeling van vaardigheden, ervaring, kennis, expertise, leergierigheid en motivatie, is te algemeen van aard en daarom onvoldoende. De gestelde expertise op grond waarvan verzoekers onderneming zich onderscheid is niet met referenties onderbouwd. Bij zijn brief van 17 juli 2018 heeft verzoeker een kopie met vertaling van een akte van bekwaamheid in de richting ‘stuckadoor’ van het Turkse Ministerie van Onderwijs overgelegd, maar deze is niet voorzien van een waardering van het Nuffic/Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs en Bedrijfsleven en onderbouwt de verdere gestelde jarenlange ervaring niet. Ook het aangepaste ondernemingsplan van 16 juli 2018 ontbeert een gedegen markt- en concurrentieanalyse. Deze is weliswaar uitgebreid, maar neemt de in het verweerschrift geconstateerde gebreken ten aanzien van de markt- en concurrentieanalyse niet weg. Dat verweerder niet op het ondernemingsplan van 16 juli 2018 en de overige op 17 juli 2018 overgelegde stukken heeft gereageerd, is voor de voorzieningenrechter geen aanleiding om alsnog nog een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie

8. De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Er is daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek af. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 78 van de Vreemdelingenwet 2000, omdat de voorzieningenrechter, zoals op de zitting is besproken, de gemachtigde van verzoeker in de gelegenheid wil stellen om door te procederen en zo een oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te krijgen over zijn principiële gronden, zie onder meer rechtsoverweging 6.

9. Voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van griffierecht is geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. Vreede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2018.

griffier, voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: NV

D: C
VK

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

1 Machtiging tot voorlopig verblijf.

2 Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

3 ECLI:NL:RVS:2010:BN9181 en ECLI:NL:RVS:2012:BY3376.