Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8950

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
26-07-2018
Zaaknummer
AWB 17/14066
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

afwijzing vovo hangende bezwaar Turkse zelfstandige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/14066

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juli 2018 in de zaak tussen

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum], van Turkse nationaliteit, verzoeker,

(gemachtigde: mr. B. Aydin)

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: A. Schut)

Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2017 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning met als doel “arbeid als zelfstandige” afgewezen. Bij bezwaarschrift van 29 augustus 2017 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij brief van diezelfde datum heeft verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op de zitting behandeld van 19 juli 2018.

Verzoeker is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

Voorgeschiedenis

1. Verzoeker heeft eerder een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor arbeid als zelfstandige bij [klussenbedrijf] ingediend. Ter onderbouwing van die aanvraag heeft verzoeker een ondernemingsplan van 23 maart 2016, opgesteld door Taflan Administratie & Consultancy, overgelegd. Toen heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat het ondernemingsplan onvoldoende was onderbouwd en omdat het marktonderzoek slechts een algemene weergave voor Nederland bevatte, te summier was en geen gespecificeerde concurrentieanalyse bevatte. Dit oordeel van verweerder is door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, bij uitspraak van 12 juni 20161 bevestigd.

2. Op 1 augustus 2017 heeft verzoeker onderhavige aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend met als doel “arbeid als zelfstandige” bij [klussenbedrijf] waaraan hij hetzelfde ondernemingsplan ten grondslag heeft gelegd als bij zijn eerdere aanvraag. Verder heeft verzoeker recente financiële stukken overgelegd.

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat het ondernemingsplan eerder door verweerder en de rechtbank onvoldoende is bevonden. Nog altijd ontbreekt een markt- en concurrentieanalyse toegespitst op de door verzoekers eigen onderneming aangeboden diensten. De overgelegde financiële stukken herstellen de geconstateerde gebreken in het ondernemingsplan niet.

Beoordeling voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn betoog dat het niet aan verweerder is om een inhoudelijk oordeel te geven over het ondernemingsplan en dat het aan de deskundigen van de RVO is om de zaak inhoudelijk te beoordelen. De beoordeling van verweerder gaat uitsluitend over de vraag of de aanvraag voldoende is onderbouwd en is geen inhoudelijke toets aan het criterium ‘wezenlijk Nederlands belang’. Verder is voor de beoordeling van de vraag of de aanvraag voldoende is onderbouwd, anders dan voor een inhoudelijke toets aan het criterium ‘wezenlijk Nederlands belang’, geen specifieke deskundigheid vereist.

5. Verzoeker betoogt verder dat het huidige strikte toelatingsbeleid voor Turkse ondernemers waarbij vrijwel geen enkele aanvraag van een Turkse zelfstandige ondernemer meer wordt voorgelegd aan de minister van Economische zaken, een aanscherping is van het toelatingsbeleid van Turkse zelfstandigen die ongeoorloofd is en in strijd met de zogeheten standstill-bepaling van het Turks Associatierecht. Dit betoog slaagt niet. Nog los van het feit dat verzoeker zijn betoog dat vrijwel geen enkele aanvraag van een Turkse zelfstandige ondernemer ter advisering wordt voorgelegd niet heeft onderbouwd, heeft de Afdeling2 in haar uitspraken van 29 september 2010 en van 13 november 2012 afdoende antwoorden gegeven op de door eiser opgeworpen rechtsvragen.3

6. De voorzieningenrechter overweegt verder dat het door verzoeker overgelegde ondernemingsplan identiek is aan het eerder door hem overgelegde ondernemingsplan. Dat ondernemingsplan is door verweerder en door de rechtbank onvoldoende bevonden om verzoekers eerdere aanvraag ter advisering voor te leggen aan de RVO4. Verweerder heeft de aanvraag om die reden al mogen afwijzen. Dat verzoeker nu recente financiële stukken heeft overgelegd, doet niet af aan dat oordeel. Immers, de Afdeling heeft bij uitspraak van 23 april 20185 al geoordeeld dat het feit dat de vreemdeling financiële gegevens heeft overgelegd, niet betekent dat verweerder bij de door hem te beantwoorden vraag of de aanvraag voor advies wordt voorgelegd aan de RvO ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het ontbreken van een toereikende markt- en concurrentieanalyse toegespitst op het eigen product of de eigen dienst in het ondernemingsplan. Dat, zoals op de zitting is aangevoerd, het in die zaak bij de Afdeling ging om een kapperszaak en dat er nog drie vergelijkbare zaken bij de Afdeling lopen over de bouwbranche, is voor de voorzieningenrechter geen aanleiding om in het geval van verzoeker niet uit te gaan van het oordeel van de Afdeling in de uitspraak van 23 april 2018.

Conclusie

7. De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Er is daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek af. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 78 van de Vreemdelingenwet 2000, omdat de voorzieningenrechter, zoals op de zitting is besproken, de gemachtigde van verzoeker in de gelegenheid wil stellen om door te procederen en zo een oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te krijgen over zijn principiële gronden, zie onder meer rechtsoverwegingen 4 en 5.

8. Voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van griffierecht is geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. Vreede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2018.

griffier, voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: NV

D: C
VK

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

1 AWB 16/27012.

2 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

3 ECLI:NL:RVS:2010:BN9181 en ECLI:NL:RVS:2012:BY3376.

4 Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

5 ECLI:NL:RVS:2018:1326.