Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8948

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-07-2018
Datum publicatie
10-08-2018
Zaaknummer
SGR 17/6763 en SGR 17/6764
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag om dubbele kinderbijslag voor haar twee kinderen terecht heeft afgewezen. Niet gebleken is dat zij intensieve zorg behoeven.

In beroep heeft eiseres een onderzoeksrapport van Kentalis overgelegd. In dat rapport wordt als (voorlopige) diagnose gesteld dat de dochter van eiseres te maken heeft met een taalontwikkelingsstoornis. Uit het verhandelde ter zitting maakt de rechtbank op dat het onderzoeksrapport van Kentalis kennelijk door het CIZ is gezien en gewogen. De rechtbank ziet geen aanleiding dat rapport opnieuw aan het CIZ voor te leggen ter verkrijging van een nader kenbaar advies over het item ‘communicatie’. Daarbij heeft de rechtbank mee laten wegen dat zelfs in het geval dat de medisch adviseur van het CIZ bij herhaald inzien in dat onderzoekrapport alsnog aanleiding zou zien om een punt toe te kennen op het item ‘communicatie’, de score daarmee onder de 4 punten blijft die nodig zijn voor een kind in de leeftijdscategorie van de dochter van eiseres om voor dubbele kinderbijslag in aanmerking te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 17/6763 en SGR 17/6764

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juli 2018 in de zaken tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M. Leijstra),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: J.Y. van den Berg).

Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om dubbele kinderbijslag voor zoon [zoon] en dochter [dochter] vanaf het eerste kwartaal van 2017 op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) afgewezen.

Bij besluit van 23 augustus 2017 (bestreden besluit I) heeft verweerder de bezwaren van eiseres, gericht tegen het primaire besluit voor zover het zoon [zoon] betreft, ongegrond verklaard.

Bij afzonderlijk besluit van 23 augustus 2017 (bestreden besluit II) heeft verweerder ook de bezwaren van eiseres, gericht tegen het primaire besluit voor zover het dochter [dochter] betreft, ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 26 januari 2017 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor het ontvangen van dubbele kinderbijslag voor haar thuiswonende zoon [zoon], geboren op [geboortedatum] 2005, en haar thuiswonende dochter [dochter], geboren op [geboortedatum] 2010. De peildatum voor de beoordeling van deze aanvraag is 1 januari 2017.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Aan die afwijzing ligt een negatief advies van het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) ten grondslag.

3. Verweerder heeft de bestreden besluiten gebaseerd op nieuwe adviezen van het CIZ, gedateerd 17 augustus 2017. Het CIZ heeft opnieuw negatief geadviseerd. Eiseres komt volgens verweerder dan ook niet in aanmerking voor toekenning van dubbele kinderbijslag.

4. Eiseres stelt, kort samengevat, dat de adviezen van het CIZ onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en ook inhoudelijk onjuist zijn. Haar kinderen behoeven intensieve zorg. Haar is dan ook ten onrechte geen dubbele kinderbijslag toegekend.

5.1.

Op grond van artikel 7a, eerste lid, van de AKW heeft een verzekerde voor een tot zijn huishouden behorend kind dat drie jaar is of ouder, maar nog niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, recht op een verdubbeling van het bedrag aan kinderbijslag indien het kind is aangewezen op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen mate van intensieve zorg.

5.2.

Deze algemene maatregel van bestuur is het Besluit uitvoering kinderbijslag (BUK). In artikel 11 van het BUK is uitgewerkt dat van intensieve zorg sprake is als het een kind betreft dat zodanig ernstig beperkt is in het dagelijks functioneren als gevolg van een ziekte of stoornis van lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of geestelijke aard dat de verzorging en oppassing door de ouders in ernstige mate wordt verzwaard.

5.3.

Op grond van artikel 12 van het BUK wint verweerder een op medische gegevens gebaseerd advies bij het CIZ in om te bepalen of het kind intensieve zorg behoeft. Uit het tweede lid van artikel 12 van het BUK volgt dat bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot de procedure, alsmede de beoordelingscriteria waarop het advies van het CIZ wordt gebaseerd.

5.4.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Regeling uitvoering dubbele kinderbijslag bij intensieve zorg (de Regeling) kan verweerder vaststellen dat er sprake is van intensieve zorg, indien het advies van het CIZ positief luidt. In artikel 3 van de Regeling is uitgewerkt dat het CIZ de situatie beoordeelt aan de hand van tien items. Het gaat om de items lichaamshygiëne, zindelijkheid, eten en drinken, mobiliteit, medische verzorging, gedrag, communicatie, alleen thuis zijn, begeleiding buitenshuis en bezighouden, handreikingen. Indien op een item sprake is van een zware zorgbehoefte, wordt een punt toegekend.

6. Voor een kind dat, zoals [zoon], tussen de 10 en 17 jaar is, geldt vervolgens dat het intensieve zorg behoeft indien bij de beoordeling door het CIZ minimaal 3 punten worden toegekend. Voor een kind dat, zoals [dochter], tussen de 6 en 9 jaar is, geldt vervolgens dat het intensieve zorg behoeft indien bij de beoordeling door het CIZ minimaal 4 punten worden toegekend.

7.1.

Door het CIZ is bij de beoordeling die ten grondslag ligt aan het primaire besluit met betrekking tot [zoon] 1 punt toegekend voor het item ‘alleen thuis zijn’ en 1 punt voor het item ‘begeleiding buitenshuis’. In het procesdossier bevindt zich alleen een scorelijst waarop de puntentoekenning is weergegeven. Het onderliggende advies van het CIZ ontbreekt. Bij de beoordeling in bezwaar is door het CIZ voor voormelde twee items geen punt meer toegekend. Dit volgt uit het advies van 17 augustus 2017. Het CIZ heeft geen positief advies afgegeven omdat het aantal punten onder de voor zijn leeftijd benodigde 3 punten blijft.

7.2.

Ten aanzien van [dochter] heeft het CIZ aanvankelijk 3 punten toegekend, te weten voor de items ‘lichaamshygiëne’, ‘communicatie’ en ‘alleen thuis zijn’. In het procesdossier bevindt zich alleen een scorelijst waarop de puntentoekenning is weergegeven. Ook hier ontbreekt dus het onderliggende advies van het CIZ. Bij de beoordeling in bezwaar heeft het CIZ voor de hiervoor genoemde items geen punten meer toegekend. Dit volgt uit het advies van 17 augustus 2017. Het CIZ heeft geen positief advies afgegeven omdat het aantal punten onder de voor haar leeftijd benodigde 4 punten blijft.

8. Verweerder heeft zich bij de besluitvorming gebaseerd op de adviezen van het CIZ. De adviezen van het CIZ zijn deskundigenadviezen. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep mag verweerder bij de besluitvorming in beginsel van dergelijke adviezen uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies of twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

9.1.

Eiseres stelt dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek. Het CIZ heeft haar beoordeling uitsluitend op haar aanvraag gebaseerd. Het CIZ is niet bij haar thuis langs gekomen. Ook heeft het CIZ geen medische informatie opgevraagd bij de behandelaars van haar kinderen, terwijl zij daar wel toestemming voor heeft gegeven. Uit de dossierstukken noch uit de bestreden besluiten blijkt op basis waarvan het CIZ tot haar advies is gekomen. Daarnaast is niet inzichtelijk gemaakt op grond waarvan de medisch adviseur van het CIZ in eerste instantie wel tot een puntentoekenning komt en in tweede instantie niet.

9.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de medische adviezen van het CIZ in de bezwaarprocedure onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Daarbij is van belang dat uit het dossier blijkt dat het CIZ beschikte over de door eiseres in bezwaar ingebrachte (medische) stukken en deze heeft betrokken bij haar beoordeling van de aanvragen ten aanzien van [zoon] en [dochter]. Uit het onderzoek van de medisch adviseur zijn voorts voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel te kunnen komen. Daarnaast is eiseres naar aanleiding van haar bezwaar in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Van die gelegenheid heeft zij geen gebruik gemaakt. Verder heeft de medisch adviseur in de adviezen van 17 augustus 2017 per item deugdelijk gemotiveerd waarom daarop geen punt wordt gescoord. De omstandigheid dat niet kenbaar is waarom het CIZ in haar primaire advisering wel enkele punten heeft toegekend, laat dat onverlet. Daarbij komt dat verweerder het primaire besluit in bezwaar volledig heroverweegt en bij die heroverweging tot een andere puntentoekenning kan komen. Nu eiseres bij primair besluit reeds dubbele kinderbijslag was geweigerd kan ook niet worden gezegd dat zij door het indienen van haar bezwaarschrift in een slechtere positie is geraakt.

9.3.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voor zover het onderzoek in de primaire fase al niet zorgvuldig zou zijn uitgevoerd, dat gebrek in de bezwaarfase is hersteld. Indien eiseres van mening is dat de medische beoordeling van de medisch adviseur niet juist is, ligt het op haar weg om dat met medische informatie van de behandelend sector aannemelijk te maken.

10.1.

Ten aanzien van de medisch inhoudelijke beoordeling stelt eiseres met betrekking tot haar beide kinderen dat ten onrechte geen punt is toegekend op het item ‘eten en drinken’. Zij lijden aan Familiaire Hypercholestrolaemie (FH-ziekte). Gelet op deze ziekte moeten zij volgens een strikt vastgesteld dieet leven.

Naast de lange bereidingstijd van het eten, dient eiseres haar kinderen continu aan te sporen en te begeleiden tijdens de maaltijd. Zij dient er voorts op toe te zien dat zij geen verkeerde dingen eten.

10.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat [zoon] en [dochter] aan de FH-ziekte lijden. Dit is een erfelijke aandoening waarbij het cholesterolgehalte in het bloed te hoog is.

10.3.

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten de medisch adviseur niet te volgen in zijn standpunt dat met betrekking tot het item ‘eten en drinken’ geen sprake is van een zware zorgbehoefte. Hiertoe is van belang dat de medisch adviseur van het CIZ heeft toegelicht dat bij de FH-ziekte een gezond dieet wordt geadviseerd dat iedere Nederlander zou moeten volgen volgens het Voedingscentrum. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve in zoverre dan ook geen sprake van een afwijkend voedingspatroon. De rechtbank is voorts niet gebleken van aandoeningen op grond waarvan [zoon] en [dochter] hulp dan wel aansporing nodig hebben bij het nuttigen van de maaltijd.

11.1.

Eiseres stelt dat [zoon] met ernstige gedragsproblemen kampt. Hierdoor heeft hij continue toezicht nodig om de veiligheid van hemzelf en anderen te kunnen waarborgen. Vanwege zijn gedragsproblematiek is hij vanaf 2013 in behandeling bij Stichting De Jutters. Bij [zoon] is de diagnose PTSS gesteld. Als gevolg van de gedragsproblematiek laat [zoon] zowel thuis als op school extreem gedrag zien. [zoon] kan bijvoorbeeld vanuit het niets agressief reageren en gewelddadig worden, ook naar zijn zusje toe. Verder heeft [zoon] ook wel eens getracht iets in brand te steken. Volgens eiseres dienen daarom punten toegekend te worden voor de items ‘gedrag’, ‘alleen thuis zijn’ en ‘begeleiding buitenshuis’.

11.2.

De medisch adviseur van het CIZ heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen objectieve informatie is over aandoeningen die kunnen leiden tot brandstichting dan wel spelen met vuur in huis. Het is volgens de medisch adviseur niet verstandig om [zoon] alleen thuis te laten met zijn zusje. De onderzoeken naar het gedrag van [zoon] lopen nog. Het gedrag is niet te verklaren vanuit de diagnose PTSS. Dit betekent volgens de medisch adviseur dat [zoon] niet scoort op de items ‘gedrag’, ‘alleen thuis zijn’ en ‘begeleiding buitenshuis’.

11.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de medisch adviseur voldoende en inzichtelijk gemotiveerd waarom op de items ‘gedrag’, ‘alleen thuis zijn’ en ‘begeleiding buitenshuis’ geen sprake is van een zware zorgbehoefte. De rechtbank overweegt dat, hoewel [zoon] bekend is met gedragsproblemen, medisch niet is geobjectiveerd dat bij hem sprake is van probleemgedrag in relatie tot een kinderpsychiatrische diagnose. Eiseres heeft geen medische gegevens in het geding gebracht die tot een ander oordeel kunnen leiden.

12.1.

Eiseres stelt dat [zoon] permanent toezicht nodig heeft en gecontroleerd dient te worden tijdens het wassen, het afdrogen, het haren wassen en bij het tanden poetsen. Hij speelt met zeep, knijpt flessen leeg en plast tegen de wasmachine. Volgens eiseres dient dan ook een punt toegekend te worden voor het item ‘lichaamshygiëne’.

12.2.

De medisch adviseur van het CIZ heeft zich op het standpunt gesteld dat het medisch niet objectiveerbaar is dat er permanent toezicht noodzakelijk is bij zijn persoonlijke verzorging en het toiletgebruik om ernstige problemen te voorkomen.

Het leegknijpen van flessen dan wel het plassen tegen de wasmachine is weliswaar problematisch gedrag, maar de schade is niet ernstig te noemen.

12.3.

De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de bevindingen en conclusies van de medisch adviseur met betrekking tot het item ‘lichaamshygiëne’ te twijfelen. Niet gebleken is dat [zoon] volledige hulp nodig heeft bij zijn persoonlijke verzorging en het toiletgebruik. Het gedrag dat [zoon] vertoont is weliswaar problematisch, maar is medisch gezien tot op heden niet te verklaren.

13.1.

Eiseres stelt ook ten aanzien van [dochter] dat ten onrechte geen punt is toegekend op het item ‘lichaamshygiëne’. [dochter] heeft dagelijks hulp en toezicht nodig bij de persoonlijke verzorging. Zij dient gecontroleerd te worden tijdens het wassen, het afdrogen, het haren wassen en bij het tanden poetsen. Zij speelt met zeep en weet niet waarmee zij bezig is.

13.2.

De medisch adviseur van het CIZ heeft zich op het standpunt gesteld dat toezicht, hulp en controle bij de persoonlijke verzorging passend is bij de leeftijd van [dochter]. Er is volgens de medisch adviseur geen permanent toezicht nodig.

13.3.

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten de medisch adviseur niet te volgen in zijn standpunt. Niet gebleken is dat [dochter] zich anders gedraagt dan haar leeftijdsgenootjes.

14.1.

Eiseres stelt dat [dochter] een punt had moeten scoren op het item ‘zindelijkheid’. [dochter] heeft permanent toezicht nodig, anders gaat zij met haar ontlasting smeren. In de nacht is [dochter] bovendien nog niet volledig zindelijk.

14.2.

De medisch adviseur van het CIZ heeft in zijn advies aangegeven dat er bij [dochter] geen aandoeningen zijn die er op wijzen dat zij gaat smeren met ontlasting. Dat er op haar leeftijd af en toe wat mis gaat en dat er nageveegd moet worden na ontlasting is niet vreemd. Dit is geen permanent toezicht.

14.3.

De rechtbank ziet geen aanleiding de medisch adviseur niet te volgen in zijn standpunt. Een medisch objectiveerbaar substraat voor het gestelde gedrag ontbreekt. Dat [dochter] daarnaast af en toe in bed plast, is niet ongebruikelijk op haar leeftijd en betekent evenmin dat permanent toezicht noodzakelijk is.

15.1.

Eiseres stelt dat [dochter] niet alleen thuis kan zijn. Zij moet altijd in de buurt zijn. Dit houdt mede verband met de traumatische ervaringen uit het verleden. Dit maakt dat ook een punt toegekend had moeten worden op het item ‘alleen thuis zijn’.

15.2.

De medisch adviseur van het CIZ heeft zich op het standpunt gesteld dat bij [dochter] geen sprake is van aandoeningen op grond waarvan zij niet alleen thuis kan zijn.

15.3.

De rechtbank ziet geen aanleiding de medisch adviseur hierin niet te volgen. Er zijn geen medisch objectiveerbare gegevens voorhanden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

16.1.

Eiseres stelt dat bij [dochter] een taalontwikkelingsstoornis is vastgesteld.

Eiseres verwijst in dit verband naar het onderzoeksrapport van 2 augustus 2017 van het Kentalis Audiologisch Centrum (Kentalis). Volgens eiseres is derhalve ten onrechte geen punt toegekend op het item ‘communicatie’.

16.2.

Blijkens het advies van de medisch adviseur van het CIZ van 17 augustus 2017 is een stoornis in de spraaktaalontwikkeling bij [dochter] niet geobjectiveerd. Zij scoort dan ook niet op het item ‘communicatie’.

16.3.

In beroep heeft eiseres een onderzoeksrapport van 2 augustus 2017 van Kentalis overgelegd. In dat rapport wordt als (voorlopige) diagnose gesteld dat [dochter] te maken heeft met een taalontwikkelingsstoornis. Vast staat dat dit rapport niet is ingebracht en meegenomen in bezwaar. Ter zitting heeft verweerder te kennen gegeven dat het beroepschrift en de door eiseres in beroep ingediende (medische) stukken, waaronder het onderzoeksrapport van Kentalis, ter advisering aan het CIZ zijn doorgezonden. Volgens verweerder heeft het CIZ in een mailwisseling, die geen deel uitmaakt van het procesdossier, te kennen gegeven dat de in beroep ingebrachte stukken geen aanleiding geven om het eerder uitgebrachte advies aan te passen.

16.4.

Uit het verhandelde ter zitting maakt de rechtbank op dat het onderzoeksrapport van Kentalis kennelijk door het CIZ is gezien en gewogen. De rechtbank ziet geen aanleiding dat rapport opnieuw aan het CIZ voor te leggen ter verkrijging van een nader kenbaar advies over het item ‘communicatie’. Daarbij heeft de rechtbank mee laten wegen dat zelfs in het geval dat de medisch adviseur van het CIZ bij herhaald inzien in dat onderzoekrapport alsnog aanleiding zou zien om een punt toe te kennen op het item ‘communicatie’, de score daarmee onder de 4 punten blijft die nodig zijn voor een kind in de leeftijdscategorie van [dochter] om voor dubbele kinderbijslag in aanmerking te komen.

17. Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de aanvraag om dubbele kinderbijslag voor haar kinderen [zoon] en [dochter] terecht heeft afgewezen.

18. De beroepen zijn ongegrond.

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, voorzitter, en mr. O.M. Harms en

mr. F.X. Cozijn, leden, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.